Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3181

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
05/248118-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38z Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf voor poging tot gekwalificeerde opzetverkrachting met dwang en gedragsmaatregel

Op 21 september 2025 heeft verdachte in Arnhem een poging tot opzetverkrachting gepleegd op een minderjarig slachtoffer dat sterk onder invloed van alcohol was. Verdachte benaderde het slachtoffer in een steeg, kuste haar tegen haar wil, betaste haar borsten en vulva, maakte haar broek open en had zijn eigen broek al naar beneden. Het binnendringen is niet voltooid doordat het slachtoffer zich losrukte en om hulp schreeuwde.

De rechtbank achtte de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar en ondersteund door getuigenverklaringen en DNA-onderzoek. Verdachte werd in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht vanwege psychische stoornissen en middelengebruik. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 26 maanden op, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr.

Daarnaast werd aan het slachtoffer smartengeld van €6.500 toegekend wegens immateriële schade. De rechtbank wees de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf deels toe en deels af. De straf en maatregelen zijn gericht op bescherming van de maatschappij en behandeling van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 26 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en gedragsmaatregel voor poging tot gekwalificeerde opzetverkrachting.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/248118-25
Datum uitspraak : 21 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] (Irak),
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .
Raadsman: mr. M.P.T. Peters, advocaat in Zutphen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [aangever] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak, en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of volgen door dwang, geweld en/of bedreiging,
- die (voor hem, verdachte, onbekende) [aangever] , die in een steeg op de grond zat, heeft benaderd en/of
- die [aangever] op haar wang en/of mond heeft gekust, althans in haar gezicht heeft pogen te kussen en/of haar in haar nek heeft gekust en/of
- nadat die [aangever] was opgestaan, haar van achteren heeft vastgepakt en/of
- die [aangever] in haar nek heeft gekust en/of haar borsten heeft betast en/of
- de broek van die [aangever] heeft opengemaakt en/of zijn hand in haar broek heeft gestoken en/of haar vulva heeft betast en/of
- zijn, verdachtes, broek heeft opengemaakt en/of naar beneden heeft getrokken, althans zich aldaar met geopende broek heeft bevonden en/of
- toen die [aangever] zich losrukte en wegliep, haar bij haar arm heeft vastgepakt en/of
- ( hierbij) voornoemde seksuele handelingen onverhoeds heeft verricht en/of die [aangever] hiermee heeft overrompeld en/of
- ( hierbij) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [aangever] en/of
- ( hierbij) misbruik heeft gemaakt van zijn, verdachtes, fysieke overwicht op die [aangever] en/of van het feit dat zij (in verregaande mate) onder invloed was van alcohol en/of
-(hierdoor) een zodanig bedreigende en/of beangstigende situatie voor die [aangever] heeft gecreëerd dat zij zich niet, althans onvoldoende aan voornoemde seksuele handelingen kon onttrekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Arnhem met een persoon, te weten [aangever] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het betasten van de vulva en/of de borsten van die [aangever] en/of
- het kussen van de wang en/of mond en/of nek van die [aangever] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- die (voor hem, verdachte, onbekende) [aangever] , die in een steeg op de grond zat, te benaderen en/of
- nadat die [aangever] was opgestaan, haar van achteren vast te pakken en/of
- de broek van die [aangever] open te maken en/of zijn hand in haar broek te steken en/of
- zijn, verdachtes, broek open te maken en/of naar beneden te trekken, althans zich aldaar met geopende broek te bevinden en/of
- toen die [aangever] zich losrukte en wegliep, haar bij haar arm vast te pakken en/of
- ( hierbij) voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [aangever] hiermee te overrompelen en/of
- ( hierbij) voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/ weerstand van die [aangever] en/of
- ( hierbij) misbruik te maken van zijn, verdachtes, fysieke overwicht op die [aangever] en/of van het feit dat zij (in verregaande mate) onder invloed was van alcohol en/of
- ( hierdoor) een zodanig bedreigende en/of beangstigende situatie voor die [aangever] te creëren dat zij zich niet, althans onvoldoende aan voornoemde seksuele handelingen kon onttrekken.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot opzetverkrachting.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot opzetverkrachting. Daartoe heeft de raadsman - kort gezegd - aangevoerd dat geen sprake was van een begin van uitvoering van seksueel binnendringen bij [aangever] . Het dossier bevat onvoldoende bewijs dat de broek van verdachte open was en zelfs al was dit het geval, dan is dat onvoldoende doorslaggevend om tot een begin van uitvoering van seksueel binnendringen te kunnen concluderen. Het dossier bevat verder ook onvoldoende bewijs dat verdachte de broek van [aangever] heeft geopend, zijn hand in haar broek heeft gedaan en dat hij haar vulva heeft betast.
Ook ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde opzetaanranding heeft de raadsman tot vrijspraak gepleit, nu van opzet geen sprake was. Verdachte bekent weliswaar dat hij [aangever] heeft gekust en dat hij haar borsten heeft betast, maar hij had geen wetenschap van het ontbreken van de wil hiertoe bij [aangever] .
Beoordeling door de rechtbank
Aangeefster [aangever] heeft verklaard dat zij op 21 september 2025 rond 02:40/02:45 uur in het uitgaansgebied van Arnhem was. Zij voelde zich niet zo lekker en ging even naar buiten tot zij zich beter voelde. Zij wilde naar Mams lopen, maar omdat zij moest overgeven ging zij naar de Janssteeg. Daar ging zij op de grond zitten. Zij zag dat er een man naar haar toe kwam. De man ging geknield tegenover haar zitten en zei ‘don’t cry’ tegen haar. Ze zag en voelde dat hij de tranen van haar gezicht veegde. De tranen kwamen doordat ze net had overgegeven en niet omdat ze verdrietig was. Zij dacht eerst dat de man haar wilde helpen, maar vervolgens probeerde hij haar te kussen. Zij wilde dat niet, dus draaide ze haar hoofd weg, waarop hij haar in haar nek kuste. Ze stond op en de man hielp haar met opstaan. Ze voelde dat hij haar van achteren vastpakte. Hij stond met zijn buik tegen haar rug. Ze voelde dat hij haar in haar nek kuste en dat hij haar borsten betastte onder haar shirt, direct op haar huid. Vervolgens voelde zij dat hij haar broek openmaakte. Zij zag dat hij de rits van haar broek had opengedaan. Ze voelde dat hij met zijn hand haar geslachtsdeel aanraakte. Dat deed hij onder haar string door, op de huid. Hij is daarbij niet binnengedrongen in haar lichaam. Ondertussen had zij al gezegd: ‘What the fuck are you doing’. Ze heeft de man van zich afgeduwd en is om hulp gaan roepen. [2]
Verdachte heeft bekend dat hij [aangever] heeft gekust en dat hij haar borsten heeft aangeraakt. Hij heeft haar in de nek gekust en op haar wang. [3] Het aanraken van haar borsten gebeurde onder haar shirt. Verdachte heeft verder verklaard dat [aangever] aangeschoten was, dronken. Ze was bijna onbewust op de grond. [4] Op een gegeven moment werd zij een beetje wakker en toen begon ze te schreeuwen. [5]
Gezien het voorgaande staat niet ter discussie dat verdachte [aangever] op haar wang en in haar nek heeft gekust. De vraag die hier met name centraal staat is of kan worden bewezen dat er meer is gebeurd. Verdachte heeft dit stellig ontkend. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Zedenzaken kenmerken zich in het algemeen door het feit dat slechts twee personen aanwezig waren bij de (beweerdelijke) seksuele handelingen. Om die reden moet er extra zorgvuldig naar de waardering van de afgelegde verklaringen worden gekeken, zeker als verdachte de betreffende handelingen ontkent. Het bewijs kan niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaring van [aangever] . De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of haar verklaring betrouwbaar is en vervolgens of deze in voldoende mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Daarbij is niet vereist dat elk onderdeel van de tenlastelegging steun vindt in meerdere bewijsmiddelen.
[aangever] heeft in de betreffende nacht twee keer haar verhaal verteld aan de politie, in haar aangifte en in het ziekenhuis. Ze heeft in het ziekenhuis aan de politie verteld dat zij in een steeg is gaan zitten, omdat ze moest kotsen. Er kwam toen een onbekende man naar haar toe. Deze man veegde haar tranen weg. Ze dacht dat hij haar kwam helpen. Ze had niet verwacht dat iemand het in zijn hoofd zou halen om een meid te zoenen waarvan hij gezien had dat zij net gekotst had, maar dit deed hij toch. Zij heeft haar hoofd afgewend. Hij hielp haar vervolgens met opstaan. Hij zat toen ineens onder haar shirt aan haar borsten. Ze had geschreeuwd en hem van zich afgeduwd. Hij had toen ook al haar broek losgemaakt en hij zat in haar slip aan haar vagina. [6]
De volgende dag heeft [aangever] nogmaals haar verhaal gedaan bij de politie. Zij vertelde dat zij veel had gedronken. Ze vertelde dat zij op de grond zat en dat er een man voor haar hurkte. Hij stelde haar gerust. Vervolgens probeerde hij haar te zoenen. Zij stond toen op en wilde weglopen. Hij liep achter haar aan en sloeg van achteren een arm om haar heen. Hij hield haar vast, waardoor ze niet verder kon lopen. Vervolgens zat hij met zijn andere hand aan haar borsten en hij kuste haar nek. Met de hand waarmee hij aan haar borsten had gezeten, maakte hij haar broek open. Hij zat aan haar vagina. Ze probeerde zich los te krijgen en dat lukte. Ze kon weglopen, maar hij pakte haar vast bij haar arm. Ze is toen boos geworden. De man pakte haar daarna nog een keer vast bij haar arm. Dit deed hij stevig aan haar linker bovenarm. [7]
De rechtbank is van oordeel dat [aangever] consistent en gedetailleerd is in haar verklaring als het gaat om de aanleiding van haar ontmoeting met verdachte, de aard van de handelingen die hij bij haar verrichtte en de volgorde waarin deze hebben plaatsgevonden. Zij heeft verklaard dat verdachte niet bij haar is binnengedrongen. Ook geeft zij aan dat zij van iemand anders heeft gehoord dat verdachte zijn eigen broek al open had en dat zij dit zelf niet heeft gezien. Dit draagt voor de rechtbank bij aan haar geloofwaardigheid. Dat [aangever] in de 112-melding bepaalde onderdelen nog niet heeft genoemd, vindt de rechtbank begrijpelijk en verklaarbaar gezien de emotie op dat moment en de aard van een dergelijk gesprek. De rechtbank overweegt verder dat de verklaring van [aangever] op cruciale punten wordt ondersteund door de verklaring van verdachte, de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en het DNA-onderzoek, zoals hierna zal blijken. De rechtbank acht de verklaring van [aangever] daarom betrouwbaar en neemt deze als uitgangspunt.
Getuige [getuige 2] heeft in dezelfde nacht nog verklaard dat hij vanaf Mams in Arnhem langs een steeg liep. Hij zag een man met zijn broek naar beneden. De man stond om een blond meisje heen. Het meisje stond er wat verdwaasd. Het zat getuige niet lekker en hij is daarom teruggegaan. Hij zag dat de man ineens wegliep en ging rennen. Hij hoorde het meisje zeggen dat hij haar had aangerand. [8]
Getuige [getuige 2] is de volgende dag opnieuw gehoord bij de politie. Daar heeft hij verklaard dat hij twee mensen in de steeg zag staan. Hij zag de man met zijn broek naar beneden en zijn riem open. Hij dacht dat zij seks hadden gehad. Getuige is verder gelopen, maar hij had een verkeerd onderbuikgevoel. Hij is toen teruggelopen en toen stond er inmiddels een andere jongen bij. Het meisje zat hoog in haar emotie. Ze was in paniek. Ze zei daarbij nog iets in de trant van dat zij was aangerand. [9]
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 21 september 2025 rond 02:41 uur door de Jansstraat in Arnhem liep. Uit het niets hoorde hij een vrouwenstem schreeuwen ‘help, blijf van mij af!’. Hij liep richting de stem en zag een meisje weglopen. Terwijl ze wegliep, duwde zij een man weg. [10]
Op de rechtermiddelvinger van verdachte is DNA aangetroffen dat van minimaal vier personen afkomstig kan zijn: van aangeefster, verdachte en twee onbekende personen (man of vrouw). Uit RNA-onderzoek blijkt dat er cellen zijn aangetroffen in deze bemonstering die
iets waarschijnlijker(2 tot 10 keer waarschijnlijker) zijn wanneer de bemonstering vaginale cellen en/of menstruele secretie bevat, dan wanneer het andere type cellen betreft. [11]
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat het dossier op essentiële onderdelen voldoende steunbewijs biedt voor de verklaring van [aangever] over de gebeurtenissen in de nacht van 21 september 2025, zoals het schreeuwen om hulp en de emotie (paniek) die bij [aangever] is waargenomen. De verklaring van [getuige 2] dat hij zag dat verdachte zijn broek naar beneden had, geeft eveneens steun aan de seksuele context van verdachtes handelen. Dat [getuige 2] daarbij bepaalde ondergeschikte details niet goed heeft gezien, zoals wat voor soort broek verdachte precies aan had, of hij wel of geen riem droeg en hoe ver de broek precies naar beneden was, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank overweegt bovendien dat de uitkomst van het DNA- en RNA-onderzoek, met weliswaar een relatief lage bewijskracht, ook past bij de verklaring van [aangever] over het betasten van haar vagina. Verdachte heeft pas voor het eerst ter terechtzitting verklaard dat hij die dag ook (seksueel) contact met een andere vrouw heeft gehad, terwijl hij al in januari 2026 is geconfronteerd met de resultaten van het onderzoek en toen verklaarde dat het niet klopte dat er mogelijke vaginale cellen waren aangetroffen op zijn vinger. Verdachte heeft verder geen enkele uitleg gegeven over waar, wanneer en met wie dit contact plaatsvond. De rechtbank schuift deze verklaring daarom als ongeloofwaardig ter zijde.
Gezien al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde gedragingen. De rechtbank ziet zich vervolgens
voor de vraag gesteld hoe de bewezenverklaarde handelingen van verdachte juridisch moet worden geduid.
Poging tot opzetverkrachting (primair)
Primair wordt verdachte verweten dat hij [aangever] heeft proberen te verkrachten. Om tot een bewezenverklaring van dit feit te kunnen komen, moeten de handelingen van verdachte gericht zijn geweest op het seksueel binnendringen bij [aangever] .
De rechtbank overweegt dat verdachte verschillende seksuele handelingen heeft verricht bij [aangever] die steeds verder gingen. Het begon met zoenen en het aanraken van haar borsten en het ging verder met het openen van haar broek en het betasten van haar vagina. Ook had verdachte zijn eigen broek al opengemaakt. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op het seksueel binnendringen van het lichaam van [aangever] . Dat voornemen heeft zich door een begin van uitvoering geopenbaard. Verdachte is alleen gestopt, omdat [aangever] hem van zich afduwde en om hulp ging schreeuwen.
De rechtbank overweegt verder dat is gebleken dat [aangever] in verregaande mate onder invloed was van alcohol. Verbalisant [verbalisant 1] zocht [aangever] in de nacht van 21 september 2025 op in het Radboud Ziekenhuis in Nijmegen. Zij beschrijft dat het hoofd van [aangever] knikkebolde. Zij maakte op de verbalisant een vermoeide en dronken indruk. Dit maakte verbalisant op uit het feit dat zij:
- onduidelijke antwoorden gaf;
- met dubbele tong sprak;
- veel met haar hoofd heen en weer bewoog;
- onvast op bed leek te zitten.
Op de vraag hoeveel zij gedronken had, antwoordde [aangever] dat zij ‘hééél’ veel gedronken had die avond. [12]
Ingevolge artikel 244 van Pro het Wetboek van Strafrecht is hiermee gegeven dat bij [aangever] de wil ontbrak tot deze seksuele handelingen. Verdachte wist blijkens zijn verklaring ook dat [aangever] sterk onder invloed was, waarmee het opzet van verdachte op het verrichten van seksuele handelingen tegen haar wil is bewezen.
Dwang
De rechtbank is tot slot van oordeel dat sprake was van dwang. Verdachte heeft de seksuele handelingen onverhoeds verricht, door [aangever] hiermee te overrompelen. Zij kenden elkaar niet en verdachte begon haar uit het niets te zoenen en pakte haar van achteren vast toen zij wilde weglopen. Verdachte heeft [aangever] bovendien bij haar arm gepakt en hij is voorbij gegaan aan de signalen van verzet die zij gaf, zoals het wegdraaien van haar hoofd, het schreeuwen om hulp en het wegduwen van verdachte.
Gezien al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde gekwalificeerde poging tot opzetverkrachting.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks21 september 2025 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [aangever] ,
een of meerseksuele handelingen, die
bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak, en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en
/ofvolgen door dwang,
geweld en/of bedreiging,
- die (voor hem, verdachte, onbekende) [aangever] , die in een steeg op de grond zat, heeft benaderd en
/of
- die [aangever] op haar wang
en/of mondheeft gekust
, althans in haar gezicht heeft pogen te kussenen
/ofhaar in haar nek heeft gekust en
/of
- nadat die [aangever] was opgestaan, haar van achteren heeft vastgepakt en
/of
- die [aangever] in haar nek heeft gekust en
/ofhaar borsten heeft betast en
/of
- de broek van die [aangever] heeft opengemaakt en
/ofzijn hand in haar broek heeft gestoken en
/ofhaar vulva heeft betast en
/of
- zijn, verdachtes, broek heeft opengemaakt en
/ofnaar beneden heeft getrokken
, althans zich aldaar met geopende broek heeft bevondenen
/of
- toen die [aangever] zich losrukte en wegliep, haar bij haar arm heeft vastgepakt en
/of
- ( hierbij) voornoemde seksuele handelingen onverhoeds heeft verricht en
/ofdie [aangever] hiermee heeft overrompeld en
/of
- ( hierbij) voorbij is gegaan aan de verbale en
/ofnon-verbale signalen van verzet/weerstand van die [aangever] en
/of
- ( hierbij) misbruik heeft gemaakt van zijn, verdachtes, fysieke overwicht op die [aangever] en
/ofvan het feit dat zij (in verregaande mate) onder invloed was van alcohol en
/of
-(hierdoor) een zodanig bedreigende en
/ofbeangstigende situatie voor die [aangever] heeft gecreëerd dat zij zich
niet, althansonvoldoende aan voornoemde seksuele handelingen kon onttrekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Poging tot opzetverkrachting voorafgegaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, moet op deze straf in mindering worden gebracht. Aan het voorwaardelijk deel van de straf dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft daarbij verzocht om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te bevelen. Verder is oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie in haar eis onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Ook de detentieomstandigheden van verdachte zijn niet meegenomen in de eis. Bovendien is de gevorderde straf te hoog, gelet op het uitgangspunt in de LOVS-oriëntatiepunten die rechtbanken hanteren. Tot slot heeft de raadsman naar voren gebracht dat het door de reclassering opgestelde plan van aanpak niet uitvoerbaar is, nu er nog geen geschikte kliniek voor verdachte gevonden kan worden.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot opzetverkrachting van het slachtoffer, een zestienjarig meisje, ’s nachts in een donkere steeg in het uitgaansgebied in Arnhem. Hij is haar in haar nek gaan kussen, heeft haar borsten betast, en vervolgens heeft hij haar broek opengemaakt en haar vulva betast. Ook had hij zijn eigen broek al naar beneden. Het minderjarige slachtoffer was sterk onder invloed van alcohol en had een rustige plek opgezocht, omdat zij zich niet lekker voelde. Zij dacht dat verdachte haar wilde helpen, maar in plaats daarvan maakte verdachte op ernstige wijze misbruik van de kwetsbare toestand waarin zij zich bevond. Verdachte heeft met zijn gedrag een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en op haar gevoel van veiligheid. Op de terechtzitting is namens haar (door haar moeder) op treffende wijze verwoord hoe deze gebeurtenis haar onbezorgdheid heeft weggenomen. De rechtbank is van oordeel dat bij dit ernstige feit alleen de oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur past.
De persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij eerder is veroordeeld, maar voor andersoortige (vermogens)feiten. De rechtbank weegt het daarom niet mee bij het bepalen van de hoogte van de straf.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het psychologisch rapport van 23 januari 2026 dat met betrekking tot verdachte is opgesteld. Hieruit volgt dat verdachte licht verstandelijk beperkt is en dat hij lijdt aan een posttraumatische stress-stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. Deze stoornissen waren ook aanwezig tijdens het incident en waren ook van invloed op het gedrag van verdachte. De psycholoog beschrijft dat het middelengebruik de ervaren traumaklachten dempt, maar dat middelen – zeker alcohol – ook zijn zelfcontrole verminderden. Het advies van de psycholoog is daarom om het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Verder beschrijft de psycholoog dat het risico op vergelijkbaar seksueel delictgedrag bij een bewezenverklaring wordt ingeschat als hoog. Er zijn geen beschermende factoren. Zo ontbreekt het verdachte aan een ondersteunend, positief netwerk en een partnerrelatie. Daarbij is enig impulsief gedrag te zien, bijvoorbeeld in middelengebruik. Verdachte heeft duidelijk moeite om zijn leven in Nederland vorm te geven en aan te kunnen. Ook missen er adequate copingvaardigheden. Er bestaat een ondersteunings- en behandelbehoefte bij verdachte. Om het hoge recidiverisico te verminderen, adviseert de psycholoog een forensische klinische behandeling als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel.
De reclassering onderschrijft in het rapport van 3 april 2026 de conclusies van de psycholoog. Er worden bijzondere voorwaarden geadviseerd, waaronder een klinische opname. De reclassering geeft daarbij wel aan dat er tot op heden nog geen plek is gevonden waar verdachte klinisch behandeld zou kunnen worden. Nu de exacte behandelduur nog niet bekend is, adviseert de reclassering een klinische opname voor de duur van maximaal 18 maanden. Mocht uit overleg tussen de reclassering en behandelende instantie blijken dat betrokkene eerder uitbehandeld is dan zal hij ook eerder uit kunnen stromen naar een begeleid woonvorm.
Verder blijkt uit het reclasseringsadvies dat nog niet duidelijk is of verdachte een verblijfsvergunning in Nederland krijgt. Uit contact met de Immigratie- en Naturalisatiedienst is gebleken dat in juli 2026 een uitspraak van de rechtbank wordt verwacht over die vergunning. Verdachte heeft bij de reclassering in eerste instantie aangegeven terug te willen naar Irak en niet te zullen meewerken aan een hulpverleningstraject, maar heeft tijdens de bespreking van het rapport toch aangegeven de noodzaak ervan in te zien en mee te zullen werken.
Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij terug wil keren naar zijn geboorteland Irak, ook als hij een verblijfsvergunning krijgt.
Toerekenbaarheid
Gelet op de inhoud van het Pro Justitia-rapport en de uitgebreide toelichting hierbij, concludeert de rechtbank dat sprake was van psychische problematiek bij verdachte die ook aanwezig was ten tijde van het bewezen verklaarde feit en die heeft doorgewerkt in zijn handelen. De rechtbank neemt daarom het advies van de psycholoog over om het feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De op te leggen straf/maatregel
De rechtbank constateert dat verdachte mogelijk Nederland zal gaan verlaten (na de tenuitvoerlegging van een straf). Het is de vraag of verdachte een behandelbehoefte heeft. Hij is wisselend in zijn uitlatingen daarover. De rechtbank kan er echter niet zonder meer vanuit gaan dat verdachte na zijn straf inderdaad naar Irak zal vertrekken. Volgens de rapporteurs is het risico dat verdachte nogmaals een soortgelijk delict pleegt als hij niet wordt behandeld groot. Om de maatschappij te beschermen, acht de rechtbank het daarom van belang dat verdachte wordt behandeld voor zijn problematiek. Daarbij is uit het psychologisch rapport gebleken dat verdachte het behandel- en begeleidingstraject ook nodig heeft om zich te kunnen aanpassen in Nederland. De rechtbank zal daarom de geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen. Dat er op dit moment nog geen klinische plek voor verdachte is gevonden, staat daar volgens de rechtbank niet aan in de weg. Daar heeft de reclassering bovendien nog enige tijd voor.
De LOVS-oriëntatiepunten gaan bij een voltooide verkrachting met beperkte mate van dwang uit van een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf van 24 maanden. In dit geval is sprake van een poging en is het feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Strafverzwarend is weer dat het om een kwetsbaar slachtoffer gaat. De rechtbank legt een lagere straf op dan geëist door de officier van justitie, die echter is uitgegaan van een ander uitgangspunt (op grond van een richtlijn van het Openbaar Ministerie en – zo begrijpt de rechtbank – een andere categorie van de LOVS-oriëntatiepunten).
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 26 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, wordt op die straf in mindering gebracht. Aan het voorwaardelijk deel van de straf worden de bijzondere voorwaarden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering.
Uit het advies van de psycholoog volgt dat er bij het uitblijven van adequate behandeling van verdachte ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een soortgelijk feit zal plegen (gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een ander). De rechtbank zal, ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten, de bijzondere voorwaarden daarom dadelijk uitvoerbaar verklaren.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, zal de rechtbank aan verdachte ook een GVM opleggen als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. De genoemde maatregel houdt in dat verdachte, na het ondergaan van de detentie, onder intensief toezicht kan komen te staan en dat de resocialisatie is gebonden aan voorwaarden. Dit toezicht moet bijdragen aan het verminderen van recidive en daarmee nieuwe slachtoffers voorkomen. Aan het einde van de voornoemde gevangenisstraf wordt bekeken of de toezichthoudende maatregel ten uitvoer moet worden gelegd. Op dat moment wordt ook door de rechter bepaald welke voorwaarden er worden opgelegd en wat de duur van de maatregel zal zijn. De maatregel wordt alleen ten uitvoer gelegd als dat op het moment van deze rechterlijke beoordeling noodzakelijk wordt geacht.
Aan de (overige) voorwaarden voor oplegging van deze maatregel is voldaan. Verdachte wordt veroordeeld tot een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Daarbij adviseert de reclassering tot oplegging van de maatregel en volgt uit de Pro Justitia-rapportage dat verdachte lijdt aan meerdere psychische stoornissen.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 6.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, nu verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat het bedrag moet worden gematigd.
Overweging van de rechtbank
Op grond van het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden door het handelen van verdachte. Door de gedragingen van verdachte is de lichamelijke integriteit van [aangever] geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijk misbruik nog lang psychische gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hen is overkomen. Zeer voorstelbaar is dat het slachtoffer de gevolgen van het handelen van verdachte haar leven lang bij zich zal dragen. Hiermee wordt door de rechtbank aangenomen dat het slachtoffer op andere wijze in haar persoon is aangetast, als bedoeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
De rechtbank acht het gevorderde bedrag billijk. De rechtbank heeft in dat kader aansluiting gezocht bij de categorie ‘tamelijk ernstig’ als bedoeld in paragraaf 15.1 onder C van de Rotterdamse Schaal. Er is sprake van een eenmalige poging tot opzetverkrachting. Als verzwarende omstandigheden weegt de rechtbank mee dat het slachtoffer een minderjarige jonge vrouw is, die zich in een zeer kwetsbare toestand bevond en dat de gebeurtenis in het openbaar heeft plaatsgevonden. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank een bedrag van € 6.500,00 aan immateriële schade toekennen.
Verdachte is over dit bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf 21 september 2025. De gemaakte proceskosten worden tot op heden begroot op nul.
De rechtbank ziet verder aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partijen.

9.De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummers 21-004081-22 en

21-004360-22)

21-004081-22
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte op 20 juli 2023 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is blijkens het strafblad van verdachte ingegaan op 25 juni 2024.
De standpunten
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsman heeft primair bepleit dat de vordering niet toewijsbaar is, nu verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat verdachte door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld voor vermogensdelicten. Hierbij was geen sprake van geweld. Zodoende is sprake van een te ver verwijderd verband tussen de strafbare feiten waarvoor verdachte onder parketnummer 21-004081-22 is veroordeeld en het ten laste gelegde feit.
Beoordeling door de rechtbank
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is niet vereist dat het bewezen verklaarde feit verband houdt met (althans gelijksoortig van aard is als) het feit waarvoor verdachte eerder is veroordeeld. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd.
21-004360-22
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte op 7 augustus 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van twee jaren.
De standpunten
De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van die straf gevorderd. In aanvulling op dit standpunt heeft de officier van justitie ter terechtzitting echter medegedeeld dat de voorwaardelijk opgelegde straf al ten uitvoer is gelegd.
De raadsman heeft primair bepleit dat de vordering niet toewijsbaar is, nu verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat verdachte door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld voor vermogensdelicten. Hierbij was geen sprake van geweld. Zodoende is sprake van een te ver verwijderd verband tussen de strafbare feiten waarvoor verdachte onder parketnummer 21-004360-22 is veroordeeld en het ten laste gelegde feit.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu deze al ten uitvoer is gelegd.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38z, 45, 243 en 244 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 26 (zesentwintig) maanden;
  • bepaalt dat deze een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
- verdachte zich voor de duur van 18 maanden, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de behandelende organisatie nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een forensische zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is ingegaan en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De klinische opname is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag, schuldenproblematiek, en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag, schuldenproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
- verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door IrisZorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van betrokkene dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie, diagnostiek of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname
voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
- verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- verdachte gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltesten. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met het slachtoffer: [aangever] , geboren op [geboortedag] -2009;
- verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt binnen een straal van 1 kilometer van de Korenmarkt in Arnhem;
- verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltesten. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van voornoemde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht
dadelijk uitvoerbaarzijn;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt een
gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelop grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op;
Beslissingen ten aanzien van het beslag
 beveelt de tenuitvoerlegging van de op 20 juli 2023 door de het hof voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een
gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand(parketnummer 21-004081-22);
 verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het hof van 7 augustus 2024 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand af (parketnummer
21-004360-22);
Beslissingen op de vordering van de benadeelde partij [aangever]
  • veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 6.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 6.500,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.) Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 57 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H.W. Martens (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en
mr. S.W. van Kasbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 april 2026.
Mr. S.H.W. Martens en mr. S.W. van Kasbergen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PLO600-2025456408, gesloten op 14 januari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte door. [aangever] , p. 25-26.
3.De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 2 december 2025.
4.Proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris op 24 september 2025, blad 2.
5.Proces-verbaal van verhoor verdachte op 23 september 2025, p. 118.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 28-29.
7.Proces-verbaal van bevindingen, p. 31.
8.Proces-verbaal getuige [getuige 2] , p. 46.
9.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 48-49.
10.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 44.
11.NFI-rapportage d.d. 19 december 2025, p. 101-103.
12.Proces-verbaal van bevindingen, p. 28.