Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3176

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
12096817 \ VV EXPL 26-15
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:228 BWArt. 7:230a BWArt. 6:248 lid 1 BWArt. 25 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontruiming kampeerplaats wegens ontbreken zwaarwegende grond opzegging

De zaak betreft een kort geding tussen een familiecamping en een huurder van een kampeerplaats die sinds medio 2019 de plaats huurt. De camping vordert ontruiming omdat de huurovereenkomst volgens haar per 31 december 2025 is geëindigd. De huurder is echter ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres van de camping en is de kampeerplaats niet verlaten.

De kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst een overeenkomst voor onbepaalde tijd betreft, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat jaarlijks een nieuwe overeenkomst is gesloten. Voor opzegging is een zwaarwegende grond vereist vanwege de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede gezien het langdurige verblijf en de sociale binding van de huurder met de kampeerplaats.

De camping heeft geen voldoende zwaarwegende grond voor opzegging gesteld en de e-mail van 5 november 2025 kan niet als geldige opzegging worden beschouwd. Ook de stellingen over planologische verboden en gemeentelijke handhaving zijn onvoldoende onderbouwd. De vordering tot ontruiming wordt daarom afgewezen.

De vordering tot betaling van een schadevergoeding wordt eveneens afgewezen omdat het tarief niet is onderbouwd en de huurder bereid is te betalen na facturering. De camping wordt veroordeeld in de proceskosten, die uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming en schadevergoeding wordt afgewezen wegens ontbreken van een zwaarwegende grond voor opzegging van de huurovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12096817 \ VV EXPL 26-15
Vonnis in kort geding van 17 maart 2026
in de zaak van
de vennootschap onder firma
[naam eisend vennootschap] V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: mr. K.M.G. Verkleij,
tegen
[naam gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
gemachtigde: mr. Ö. Kenç.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 27 februari 2026 met producties 1 tot en met 9,
  • de producties 1 tot en met 8 van de zijde van [de gedaagde] .
1.2.
Op 3 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden.
Namens [de eiser] waren de heren [vertegenwoordiger eiser 1] en [vertegenwoordiger eiser 2] aanwezig. [de eiser] is bijgestaan door haar gemachtigde. [de gedaagde] was in persoon aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en de gemachtigde van [de gedaagde] heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt tijdens de mondelinge behandeling.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
[de eiser] is een familiecamping gelegen in [vestigingsplaats] en zij exploiteert een kampeerterrein met ongeveer 90 kampeerplaatsen voor caravans, campers en tenten.
2.2.
[de gedaagde] huurt sinds medio 2019 één kampeerplaats bij [de eiser] . Gedurende de afgelopen jaren is [de gedaagde] diverse malen van kampeerplaats gewisseld. Op dit moment maakt [de gedaagde] gebruik van de kampeerplaats met nummer [nummer] (hierna: de kampeerplaats).
2.3.
Begin 2025 is [de gedaagde] ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) op het adres van [de eiser] .
2.4.
Bij e-mail van 5 november 2025 schrijft [de eiser] aan [de gedaagde] het volgende:
“Hierbij nog even voor de duidelijkheid. Uw staanplaats nr 4 wordt per 31 december 2025 beëindigd. U moest dan de staanplaats leeg achter gelaten hebben.”
2.5.
Tot op heden heeft [de gedaagde] de kampeerplaats niet verlaten.

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert (samengevat) en na wijziging dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
[de gedaagde] veroordeelt om binnen drie kalenderdagen na betekening van het vonnis, de kampeerplaats volledig te ontruimen en ontruimd te houden en deze kampeerplaats ter vrije en algehele beschikking te stellen van [de eiser] onder afgifte van de sleutel waarmee de slagboom van het terrein van [de eiser] kan worden geopend,
[de gedaagde] veroordeelt om aan [de eiser] een schadevergoeding te betalen gelijk aan de dagprijs van een kampeerplaats van 25,00 inclusief btw per kalenderdag, te rekenen vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van de feitelijke en volledige ontruiming,
[de gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis tot de dag van volledige betaling.
3.2.
[de eiser] legt aan haar vordering, samengevat, ten grondslag dat de huurovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd (namelijk één kalenderjaar) en daarmee van rechtswege is geëindigd op 31 december 2025. Doordat [de gedaagde] de kampeerplaats niet heeft verlaten, verblijft hij sinds 1 januari 2026 zonder recht of titel op de kampeerplaats. Voor zover zou worden geoordeeld dat het een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd betreft, stelt [de eiser] dat zij de huurovereenkomst tijdig en op rechtsgeldige wijze heeft opgezegd.
3.3.
[de gedaagde] voert primair aan dat [de eiser] geen spoedeisend belang heeft en verzoekt om [de eiser] niet-ontvankelijk te verklaren. Voor zover zou worden geoordeeld dat [de eiser] wel ontvankelijk is, voert [de gedaagde] aan dat tussen partijen een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd geldt en dat de eisen van redelijkheid en billijkheid een voldoende zwaarwegende grond vereisen om de huurovereenkomst op te zeggen. Volgens [de gedaagde] heeft [de eiser] geen zwaarwegende grond aangevoerd voor opzegging, zodat de huurovereenkomst niet door opzegging is geëindigd. Voor de gevorderde ontruiming bestaat dan ook geen aanleiding.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de eiser] daarbij een voldoende spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Spoedeisend belang
4.2.
[de eiser] stelt dat [de gedaagde] sinds 1 januari 2026 zonder recht of titel op de kampeerplaats verblijft en dat hiermee inbreuk wordt gemaakt op haar eigendomsrecht. [de eiser] heeft er belang bij dat zij weer vrijelijk kan beschikken over de kampeerplaats en dat de kampeerplaats weer gebruikt wordt overeenkomstig haar bestemming. De kantonrechter is van oordeel dat uit de aard van de vordering en de gestelde inbreuk op het eigendomsrecht van [de eiser] het spoedeisend belang in voldoende mate voortvloeit. Hetgeen hiertegen door [de gedaagde] is aangevoerd maakt dit niet anders. Dit is echter anders ten aanzien van de vordering onder (ii), zie hierna.
Vordering tot ontruiming van de kampeerplaats
4.3.
Bij de beoordeling stelt de kantonrechter het volgende voorop. De huurovereenkomst tussen [de eiser] en [de gedaagde] heeft betrekking op de huur van onbebouwde grond (de kampeerplaats waarop de caravan van [de gedaagde] staat). Dit betekent dat op de beëindiging van de huurovereenkomst de algemene regeling van artikel 7:228 BW Pro van toepassing is. Van de toepasselijkheid van een bijzonder huurregime (woonruimte of bedrijfsruimte) is geen sprake. Ook de ontruimtingsbescherming van artikel 7:230a BW mist toepassing.
4.4.
Anders dan door [de eiser] bepleit, is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hoewel [de eiser] stelt dat ieder jaar opnieuw een moment van instemming was, blijkt dit niet uit de overgelegde stukken en wordt dit ook betwist door [de gedaagde] . [de gedaagde] voert namelijk aan dat de huurovereenkomst ieder jaar stilzwijgend werd voortgezet tussen partijen. Ook ter zitting is door [de eiser] verklaard dat de huurovereenkomst ook in 2026 zou zijn voortgezet, als [de gedaagde] zich niet had ingeschreven in het BRP op het adres van [de eiser] . Hoewel [de eiser] ieder jaar een reserveringsbevestiging voor het daaropvolgende kalenderjaar aan [de gedaagde] toestuurde en jaarlijks factureerde, is niet aannemelijk geworden dat onder de gegeven omstandigheden tussen partijen ieder jaar een nieuwe huurovereenkomst van bepaalde tijd voor één jaar is overeengekomen.
4.5.
De opzegging van de huurovereenkomst van onbebouwde grond voor onbepaalde tijd is in beginsel mogelijk met een opzegtermijn van tenminste één maand (artikel 7:228 lid 2 BW Pro). Op grond van artikel 6:248 lid 1 BW Pro kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval echter meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is als daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen ook in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Uitgangspunt is wel dat de huurovereenkomst daadwerkelijk moet worden opgezegd door de verhuurder.
4.6.
De kantonrechter is van oordeel dat in dit concrete geval de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een zwaarwegende grond vereist is om de huurovereenkomst tussen partijen op te zeggen. Hierbij is van belang dat [de gedaagde] al gedurende zeven jaar op de kampeerplaats van [de eiser] verblijft en dat zijn (sociale) leven zich voor een deel afspeelt op en rondom de kampeerplaats. [de gedaagde] heeft onweersproken verklaard dat hij reeds enkele jaren zo’n drie à vier dagen per week op de kampeerplaats verblijft. Dit in verband met zijn werk dat in de omgeving van de kampeerplaats plaatsvindt. De overige tijd verbleef [de gedaagde] bij zijn toenmalige partner. Nadat die relatie eindigde, heeft hij gedurende een deel van het jaar 2025 permanent verbleven op de kampeerplaats, zo heeft [de gedaagde] ter zitting verklaard. Sinds [de gedaagde] een nieuwe relatie heeft, verblijft hij weer zo’n drie à vier dagen per week op de kampeerplaats en de overige tijd bij zijn partner. Ook heeft [de gedaagde] in maart 2025 geïnvesteerd is een klein niet permanent bijgebouw op de kampeerplaats, die hij gebruikt als opslagruimte.
4.7.
De kantonrechter oordeelt dat binnen het bestek van dit kort geding niet is gebleken dat [de eiser] de huurovereenkomst heeft opgezegd onder opgave van een voldoende zwaarwegende grond. Door [de eiser] is gesteld dat zij in juli 2025 de huurovereenkomst met [de gedaagde] mondeling heeft opgezegd en daarvan op 5 november 2025 een bevestiging heeft gestuurd. Dit is door [de gedaagde] betwist. De e-mail van 5 november 2025 kan bezwaarlijk gelden als opzegging. Deze e-mail is summier en bevat feitelijk geen opzegging, laat staan een grond voor opzegging. Aangezien binnen het bestek van dit kort geding niet is komen vast te staan dat de huurovereenkomst door opzegging is geëindigd, is niet aannemelijk dat de bodemrechter de gevorderde ontruiming zal toewijzen. Bij die stand van zaken bestaat geen grond voor de onderhavige ontruimingsvordering. Die zal de kantonrechter daarom afwijzen.
4.8.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter nog als volgt over de ter zitting aangevoerde grond voor opzegging. [de eiser] stelt dat zij een zwaarwegend belang heeft bij het voorkomen van permanente bewoning op haar kampeerterrein. Permanent verblijf is zowel contractueel als planologisch gezien niet toegestaan volgens [de eiser] en zij riskeert met de inschrijving van [de gedaagde] dat de gemeente [gemeentenaam] handhavend zal optreden richting haar. De gemeente controleert ook met regelmaat hierop. Ook stelt [de eiser] dat [de gedaagde] tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen van de huurovereenkomst. Van het voorgaande legt [de eiser] geen onderbouwing over. Er is geen schriftelijke overeenkomst overgelegd waaruit blijkt dat [de gedaagde] wist en akkoord is gegaan met de regel dat hij niet permanent op de kampeerplaats mag verblijven. Ook is door [de eiser] het geldende bestemmingsplan niet overgelegd, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat ‘bewoning’ op de wijze waarop [de gedaagde] dat doet niet is toegestaan. [de gedaagde] heeft betwist dat hij in strijd handelt met enige planologische regel. Tot slot maakt [de eiser] onvoldoende aannemelijk dat de gemeente [gemeentenaam] handhavend zal optreden richting haar, zeker in het licht van het e-mailverkeer tussen de gemeente [gemeentenaam] en [de gedaagde] in januari 2025. Dat [de eiser] tijdens de mondelinge behandeling zegt dat de gemeente [gemeentenaam] inmiddels een ander standpunt heeft ingenomen hierover, maakt dit niet anders. Hiervan zijn immers geen nadere stukken overgelegd en dit is door [de gedaagde] betwist. Nu [de eiser] niet verder komt dan een aantal stellingen zonder nadere onderbouwing, is de kantonrechter van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de aangevoerde grond voor opzegging in een bodemprocedure zal leiden tot beëindiging van de huurovereenkomst.
Vordering tot betaling
4.9.
Bij deze stand van zaken kan [de gedaagde] gedurende het kalenderjaar 2026 gebruik blijven maken van de kampeerplaats. Hiervoor is [de gedaagde] ook huur verschuldigd. In zoverre bestaat grond voor toewijzing van het gevorderde onder (ii). Met dien verstande dat geen sprake is van betaling van een gebruiksvergoeding, maar van betaling van huur. Onder ambtshalve aanvulling van de rechtsgrond (artikel 25 Rv Pro) is de vordering – in beginsel - toewijsbaar.
4.10.
Echter, de kantonrechter zal deze vordering afwijzen. Hiertoe is het volgende redengevend. Door [de eiser] is haar vordering onderbouwd met de stelling dat [de gedaagde] het dagtarief van € 25,00 per kalenderdag verschuldigd is. Daarvoor bestaat echter geen grond. Voorshands is aannemelijk dat de lopende huurovereenkomst tegen het in 2026 geldende tarief voor een jaarplaats is voortgezet. [de eiser] heeft nagelaten inzichtelijk te maken wat dit tarief in 2026 bedraagt. Tot slot heeft [de eiser] niet aannemelijk gemaakt dat zij een voldoende concreet spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Aan [de gedaagde] is verzuimd een factuur te sturen voor het gebruik van de kampeerplaats en [de gedaagde] heeft bovendien ter zitting uitdrukkelijk verklaard tot betaling van de verschuldigde huursom over te gaan. Bij die stand van zaken gaat de kantonrechter ervan uit dat [de gedaagde] , na ontvangst van een daartoe strekkende factuur, het verschuldigde bedrag zal betalen aan [de eiser] .
De proceskosten
4.11.
[de eiser] zal in het ongelijk worden gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [de gedaagde] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [de eiser] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [de gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
Totaal
721,00
Uitvoerbaar bij voorraad
4.12.
De veroordeling in dit vonnis tot betaling van de proceskosten zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard (artikel 233 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.

5.De beslissing

De kantonrechter
rechtdoende als voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [de eiser] af,
5.2.
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 721,00,
5.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
68348 51588