Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3171

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
05.243675.21
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2:22 SvArt. 6:6:31 SvArt. 48 BjjArt. 77ta SrArt. 1 Wet op de identificatieplicht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging PIJ-maatregel en vaststelling voorwaarden voor voorwaardelijke beëindiging

De rechtbank Gelderland behandelde op 21 april 2026 de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de PIJ-maatregel tegen betrokkene, die sinds januari 2022 deze maatregel ondergaat wegens poging tot zware mishandeling en wederspannigheid.

De rechtbank nam kennis van diverse rapporten, waaronder het Pro Justitia rapport en het advies van een jeugdinrichting, en hoorde deskundigen en partijen tijdens de zitting. De deskundigen verschilden van mening over het recidiverisico en de noodzaak van verlenging. De JJI adviseerde verlenging vanwege de noodzaak van een forensisch beveiligde omgeving en intensieve begeleiding, terwijl de NIFP-rapporteurs en de raadsman van betrokkene vonden dat verlenging niet meer in zijn belang was.

De rechtbank oordeelde dat de veiligheid van anderen en het belang van een gunstige ontwikkeling van betrokkene geen verlenging vereisen. De PIJ-maatregel eindigt daarom voorwaardelijk per 31 maart 2026. De rechtbank stelde algemene en bijzondere voorwaarden vast, waaronder verblijf in een beschermde woonvorm, psychiatrische behandeling, medicatiegebruik, abstinentie van middelen en toezicht door de reclassering.

Deze voorwaarden waarborgen dat betrokkene onder intensieve begeleiding blijft en dat terugval wordt voorkomen. De rechtbank benadrukte dat aanpassing van de voorwaarden mogelijk is indien nodig. De beslissing werd genomen door drie kinderrechters en griffier, waarbij twee rechters niet konden ondertekenen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel af en stelt voorwaarden vast voor de voorwaardelijke beëindiging per 31 maart 2026.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats: Arnhem
Parketnummer : 05/243675-21
Datum uitspraak: 21 april 2026
Beslissing op de vordering tot verlenging plaatsing inrichting voor jeugdigen van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken (ex artikel 6:2:22 jo Pro 6:6:31 Wetboek van Strafvordering)
in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[betrokkene] (hierna: [betrokkene] ), geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ,

wonend aan [adres] ,
raadsman: mr. V.S.J. Chorus, advocaat in Nuth.

De procedure

De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft bij vonnis van 27 december 2021 aan [betrokkene] de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de PIJ-maatregel) opgelegd. [betrokkene] is bij dit vonnis veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling en wederspannigheid.
De termijn van de maatregel is ingegaan op 11 januari 2022.
Bij beslissing van deze rechtbank van 6 februari 2024 is de PIJ-maatregel verlengd met achttien maanden. Deze beslissing is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigd op 25 juli 2024. Bij beslissing van deze rechtbank van 15 juli 2025 is de PIJ-maatregel verlengd met negen maanden. Ook deze beslissing is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigd op 27 november 2025.
De officier van justitie heeft op 13 februari 2026 een vordering ingediend tot verlenging van de PIJ-maatregel met twaalf maanden.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van de processtukken, waaronder:
- het Pro Justitia rapport van 29 januari 2026 van dr. N. Duits (psychiater) en M. Aalbers-Passier (GZ-psycholoog);
- het advies van [instelling 1] van 13 februari 2026;
- een afschrift van de aantekeningen over de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van [betrokkene] .
Tijdens de zitting van 7 april 2026 zijn gehoord:
- [betrokkene] ;
- zijn raadsman;
- mevrouw [coordinator] , behandelcoördinator bij [instelling 1] ;
- mevrouw H.H. van Boven, GZ-psycholoog bij [instelling 2] ;
- mevrouw N. Aalbers-Passier, GZ-psycholoog NIFP;
- de heer N. Duits, psychiater NIFP (via een video-verbinding);
- de officier van justitie.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tijdens de zitting zijn vordering gewijzigd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat een verlenging van de PIJ-maatregel niet meer in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [betrokkene] is. De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd de vordering af te wijzen en voorwaarden vast te stellen voor de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel.

Het standpunt van betrokkene

[betrokkene] heeft de rechtbank verteld dat het goed met hem gaat bij [instelling 2] . Het liefst zou hij bij [oom] willen wonen, zodat hij elke dag het graf van zijn vader kan bezoeken. Maar voor dit moment is [betrokkene] tevreden over zijn woonplek bij [instelling 2] .
De raadsman heeft gesteld dat er geen reden is om de PIJ-maatregel te verlengen. Er zijn genoeg mogelijkheden om [betrokkene] buiten de JJI de juiste begeleiding en behandeling te bieden en zijn situatie te monitoren. Over een jaar kan bekeken worden of [betrokkene] mogelijk toch bij [oom] kan gaan wonen. Ten aanzien van de te stellen voorwaarden in het kader van de voorwaardelijke beëindiging heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het advies van [instelling 1]

Uit het adviesrapport van [instelling 1] komt naar voren dat [betrokkene] op 21 januari 2026 is uitgestroomd naar [instelling 2] . Dit was niet de voorkeursplek van [betrokkene] . Vanwege een lange wachtlijst bij [instelling 1] , locatie [locatie] , is gekozen voor een carrouselconstructie waarbij [betrokkene] in eerste instantie is uitgestroomd naar [instelling 2] . Door [instelling 1] is de garantie gegeven dat [betrokkene] alsnog kan doorstromen naar [locatie] zodra daar een plek voor hem is en hij daaraan toe is. [betrokkene] verblijft nu met een machtiging op grond van artikel 48 van Pro de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) bij [instelling 2] .
De eerste weken na de verhuizing naar [instelling 2] hebben voor [betrokkene] in het teken gestaan van wennen aan de nieuwe medebewoners, de begeleiding en het dagprogramma. [betrokkene] stelt zich begeleidbaar op en reageert goed op de nieuwe structuur. [betrokkene] is inmiddels gestart met dagbesteding op het terrein van [instelling 2] . Het recidiverisico binnen de huidige kaders met intensieve begeleiding en het bestaande risicomanagement wordt als matig ingeschat. Deze inschatting is wel volledig afhankelijk van de voortdurende monitoring, duidelijke begrenzing, ondersteuning bij emotieregulatie en dagelijkse begeleiding bij planning, medicatie-inname en sociale interacties. Zodra deze kaders wegvallen, stijgt het risico direct en fors.
[betrokkene] had zijn behandelplafond binnen de JJI bereikt, maar is nog steeds sterk afhankelijk van externe structuur en nabijheid om stabiel te kunnen functioneren. Het verblijf bij [instelling 2] is niet gericht op verdere gedragsverandering, maar op het beheersbaar houden van het recidiverisico en het voorkomen van ontregeling totdat een passende vervolgplek beschikbaar is. Zonder voortzetting van de PIJ-maatregel kan de artikel 48-plaatsing bij [instelling 2] niet in stand blijven. Die plaatsing is essentieel om [betrokkene] in een forensisch beveiligde, kleinschalige en voorspelbare omgeving verder te begeleiden en in kleine stappen te werken aan resocialisatie.
Een verlenging van de PIJ-maatregel biedt de benodigde juridische en organisatorische ruimte om het vervolgtraject zorgvuldig vorm te geven. Hiermee wordt gewaarborgd dat [betrokkene] op een veilige en verantwoorde manier kan werken aan zijn resocialisatie binnen [instelling 2] en uiteindelijk kan doorstromen naar [instelling 1] , locatie [locatie] . Alleen met een verlenging van de PIJ-maatregel kan [betrokkene] de intensieve zorg en bescherming blijven ontvangen die noodzakelijk zijn om stabiliteit te behouden en terugval in risicovol gedrag te voorkomen. De maatregel biedt daarnaast een vangnet bij incidenten, zodat [betrokkene] zo nodig kan terugkeren naar een JJI als dit noodzakelijk mocht blijken. Gelet hierop wordt geadviseerd de PIJ-maatregel met twaalf maanden te verlengen.

Het Pro Justitia rapport

Het advies van de NIFP-rapporteurs komt niet overeen met het advies van de JJI. De rapporteurs zijn van mening dat een plaatsing van [betrokkene] bij [instelling 2] op grond van artikel 48 Bjj Pro eerder in het traject had moeten plaatsvinden. De plaatsing bij [instelling 2] sluit niet aan bij de wensen van [betrokkene] . Dit vergroot het risico op verzet van [betrokkene] . Uit het dossier wordt onvoldoende duidelijk waarom een eventuele plaatsing in de regio Apeldoorn (in de buurt van [oom] ) met de juiste waarborgen op het gebied van medicamenteuze behandeling en ondersteuning in verband met zijn verstandelijke beperking als niet haalbaar wordt gezien. Daar waar de JJI het geweldsrisico op hoog inschat, komen de rapporteurs met de HCR-20v3 en SAPROF tot een meer genuanceerd beeld van het risico op toekomstig geweld. Zij schatten deze kans bij medicatietrouw een stuk lager in.
De rapporteurs vinden een verlenging van de PIJ-maatregel niet meer in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [betrokkene] . Zij adviseren om de maatregel voorwaardelijk te beëindigen. Bij een beëindiging is van belang dat een gedegen psychiatrische en medicamenteuze behandeling wordt georganiseerd, gericht op de paranoïde psychose van [betrokkene] . Dit kan mogelijk plaatsvinden via een FACT-team met psychiatrisch verpleegkundige ondersteuning. Het vermijden van middelenmisbruik is hierbij cruciaal. Daarnaast is een beschermde woonvorm nodig, in combinatie met eenvoudig werk en een gestructureerde vrijetijdsbesteding. Van belang is dat [betrokkene] wordt begeleid door de reclassering. Daarnaast wordt geadviseerd om [oom] te betrekken in het traject.

De toelichting van de deskundigen tijdens de zitting

Mevrouw [coordinator] heeft namens de JJI aangegeven dat zij bij het schrijven van het advies in de veronderstelling was dat [betrokkene] zonder verlenging van de PIJ-maatregel niet langer bij [instelling 2] kon verblijven. Om die reden is geadviseerd de maatregel te verlengen. De mogelijkheid tot terugplaatsing is genoemd in het advies, omdat [betrokkene] kort na zijn verhuizing was weggelopen bij [instelling 2] . Dit had te maken met het overlijden van zijn vader. Op dit moment is de mogelijkheid van terugplaatsing niet meer nodig. De JJI kan zich vinden in een voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel als daarmee de plaatsing van [betrokkene] bij [instelling 2] kan worden voortgezet. Mocht de rechtbank besluiten tot een voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel, dan zal de reclassering worden betrokken.
Mevrouw Van Boven heeft bevestigd dat [betrokkene] ook zonder de plaatsing op grond van artikel 48 Bjj Pro bij [instelling 2] kan verblijven. Voor het verblijf bij [instelling 2] is een verlenging van de PIJ-maatregel niet noodzakelijk. Bij [instelling 2] is een psychiater beschikbaar die aan de hulpvraag van [betrokkene] kan voldoen.
De heer Duits heeft benadrukt dat het van cruciaal belang is dat de behandeling van de paranoïde psychotische stoornis van [betrokkene] blijvend aandacht krijgt. [betrokkene] moet medicatie blijven gebruiken, om te voorkomen dat hij angstig en achterdochtig wordt. De wisselwerking van de paranoïde psychose en licht verstandelijke beperking is complex. Bij [instelling 2] is veel kennis op het gebied van LVB, maar er is ook een consulterend psychiater nodig om samen met de deskundigen met kennis van LVB de situatie van [betrokkene] blijvend te monitoren. Daarnaast is het van belang dat [oom] in het traject wordt betrokken. [oom] is ontzettend belangrijk voor [betrokkene] als steunfiguur.
Mevrouw Aalbers-Passier heeft in aanvulling op het schriftelijke rapport opgemerkt dat bij een voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel de volgende voorwaarden zouden moeten worden geformuleerd: gespecialiseerde psychiatrische behandeling en begeleiding, monitoring van medicatiegebruik, abstinent blijven van verdovende middelen en meewerken aan behandeling en verblijf binnen een beschermde woonvorm. Het is noodzakelijk dat de reclassering weer betrokken wordt in het traject van [betrokkene] . De reclassering kan alle beschikbare informatie integreren en een vertaling maken naar de huidige situatie van [betrokkene] . Eerder was Reclassering Nederland betrokken. Het is voor [betrokkene] van belang dat Reclassering Nederland opnieuw wordt betrokken, zodat kan worden voortgeborduurd op de eerdere betrokkenheid.

De beoordeling door de rechtbank

Voor een verlenging van de PIJ-maatregel is vereist dat:
- de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen;
- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de maatregel eist;
- de verlenging van de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van betrokkene.
De rechtbank stelt vast dat [betrokkene] sinds 21 januari 2026 bij [instelling 2] woont. [betrokkene] vindt het fijn bij [instelling 2] en door de deskundigen wordt bevestigd dat het hier goed met hem gaat.
De rechtbank vindt dat een verlenging van de PIJ-maatregel niet meer noodzakelijk is. De veiligheid van anderen, de algemene veiligheid van personen of goederen, en het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [betrokkene] , eisen niet langer dat de PIJ-maatregel wordt verlengd. De rechtbank wijst daarom de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel af, zodat de maatregel van rechtswege voorwaardelijk is geëindigd op 31 maart 2026. Als de voorwaardelijk beëindigde maatregel daarna niet opnieuw wordt verlengd en zich geen situaties voordoen waardoor de termijn tijdelijk wordt stopgezet (bijvoorbeeld weglopen), dan eindigt de maatregel onvoorwaardelijk op 31 maart 2027.
Bij de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel gelden van rechtswege op grond van artikel 77ta, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) de volgende algemene voorwaarden:
  • dat [betrokkene] zich tijdens de voorwaardelijke beëindiging niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • dat [betrokkene] voor het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en medewerking verleent aan het toezicht door de reclasseringsinstelling.
De rechtbank vindt het noodzakelijk dat naast de van rechtswege geldende algemene voorwaarden ook de bijzondere voorwaarden zullen gelden, zoals geadviseerd door de deskundigen. De rechtbank zal deze voorwaarden vastleggen in deze beschikking.
De rechtbank wijst er voor de volledigheid op dat als het komende jaar naar voren komt dat de vastgestelde bijzondere voorwaarden aanpassing behoeven, hiervoor een vordering van de officier van justitie of verzoek namens [betrokkene] kan worden ingediend.

De beslissing

De rechtbank:
1. wijst de vordering van de officier van justitie af, zodat van rechtswege de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel met ingang van 31 maart 2026 voor de duur van een jaar gaat lopen;
2. stelt vast dat op grond van artikel 77ta, eerste lid Sr van rechtswege als
algemene voorwaardenhebben te gelden:
- dat [betrokkene] zich tijdens de voorwaardelijke beëindiging niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- dat [betrokkene] voor het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en zijn medewerking verleent aan het toezicht door de reclasseringsinstelling;
3. stelt vast dat naast de algemene voorwaarden, als
bijzondere voorwaardenhebben te gelden:
  • [betrokkene] werkt mee aan het toezicht door Reclassering Nederland. Deze medewerking houdt onder andere in dat:
  • [betrokkene] zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
  • [betrokkene] houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om betrokkene te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
  • [betrokkene] werkt mee aan huisbezoeken;
  • [betrokkene] geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
  • [betrokkene] vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
  • [betrokkene] werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht;
- [betrokkene] verblijft bij [instelling 2] , of een andere instelling voor beschermd wonen, te bepalen door de reclassering. [betrokkene] houdt zich aan de huisregels, het dagprogramma en het verlofplan dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld. Ook werkt [betrokkene] mee aan een doorplaatsing naar [locatie] als daar plaats is en hij daar volgens de reclassering in overleg met zijn behandelaars aan toe is;
- [betrokkene] werkt mee aan behandeling en begeleiding door een psychiater en/of FACT team en/of psychiatrisch verpleegkundige. De behandeling en begeleiding zijn gericht op de paranoïde psychotische stoornis van [betrokkene] . Het innemen van medicijnen of het gebruiken van depotmedicatie kan onderdeel zijn van de behandeling;
- [betrokkene] gebruikt geen alcohol en drugs en werkt mee aan urineonderzoek en/of ademonderzoek (blaastest) om dit verbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak [betrokkene] wordt gecontroleerd.
Deze beslissing is gegeven door mr. P.J.C. Cremers, voorzitter en kinderrechter, mr. M. Rietveld en mr. M.W. Stoet, kinderrechters in tegenwoordigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-
van Dijck, griffier, en uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting van deze rechtbank op
21 april 2026.
mr. M.W. Stoet en mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck zijn buiten staat deze beslissing te ondertekenen.