Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3143

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
05/392374-24; 05/213051-24 (tul); 16/090461-25; 05/097183-25 (gev. ttz.)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 36f SrArt. 57 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie opgelegd voor mishandeling ouders, afpersing en scooterdiefstallen

De rechtbank Gelderland heeft verdachte, geboren in 2009, veroordeeld voor zeven feiten waaronder mishandeling van zijn vader en moeder, meerdere afpersingen onder bedreiging met een schroevendraaier en mes, en diefstal van bromfietsen. De feiten vonden plaats tussen december 2024 en maart 2025 in Winterswijk, Velp, Arnhem en Veenendaal.

Verdachte bekende de mishandelingen van zijn ouders en de diefstallen, terwijl de afpersingen wettig en overtuigend bewezen werden door verklaringen van slachtoffers en verdachte zelf. De rechtbank oordeelde dat sprake was van medeplegen bij de afpersingen en diefstallen, waarbij verdachte actief deelnam en samenwerkte met medeverdachten.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, het hoge recidiverisico en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder ADHD, middelengebruik en gedragsproblemen. Gezien deze factoren werd een jeugddetentie van 250 dagen opgelegd, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden gericht op begeleiding en behandeling.

Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan twee benadeelden voor materiële schade aan scooters, met wettelijke rente en hoofdelijkheid met medeverdachte. De voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 70 uur uit oktober 2024 werd tenuitvoer gelegd wegens recidive. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven en beslag op een draad werd onttrokken aan het verkeer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 250 dagen jeugddetentie, deels voorwaardelijk, met schadevergoedingen en bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/392374-24; 05/213051-24 (tul); 16/090461-25; 05/097183-25 (gev. ttz.)
Datum uitspraak : 4 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven aan [adres] [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. R.R. Wijnakker, advocaat te Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op terechtzittingen achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Onder
parketnummer 05/097183-25is aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 8 december 2024 te Winterswijk
zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, [vader] ,
heeft mishandeld door hem te slaan in het gezicht en/of te slaan tegen het lichaam
en/of in het gezicht te krabben;
2
hij op of omstreeks 8 december 2024 te Winterswijk
zijn moeder, [moeder] ,
heeft mishandeld door haar tegen het lichaam te schoppen en/of aan haar haren te
trekken.
Onder
parketnummer 05/392374-24is aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 9 december 2024 te Velp, gemeente Rheden
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van 20 euro, in elk geval enig
goed, dat geheel of ten dele aan die [aangever 1] en/of een derde
toebehoorde(n)
door die [aangever 1] dreigend een schroevendraaier voor te houden en
tegen hem te roepen: "ik wil geld" althans woorden van gelijke aard en/of strekking
en vervolgens die [aangever 1] heeft/hebben gedwongen om via zijn
telefoon die 20 euro over te maken en vervolgens wederom een schroevendraaier
voor te houden en die [aangever 1] heeft/hebben toegevoegd: "je moet meer geld
overmaken, ik heb ook een mes en ik steek je anders neer" althans woorden van
gelijke aard/strekking
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 december 2024 te Velp, gemeente Rheden
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
20 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld
en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 1]
, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of
gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere
deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van
het gestolene te verzekeren, door die [aangever 1] dreigend een
schroevendraaier voor te houden en tegen hem te roepen: "ik wil geld" althans
woorden van gelijke aard en/of strekking en vervolgens die [aangever 1]
heeft/hebben gedwongen om via zijn telefoon die 20 euro over te maken en
vervolgens wederom een schroevendraaier voor te houden en die [aangever 1]
heeft/hebben toegevoegd: "je moet meer geld overmaken, ik heb ook een mes en ik
steek je anders neer" althans woorden van gelijke aard/strekking
2
hij op of omstreeks 8 december 2024 te Arnhem
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[aangever 2] heeft gedwongen tot de afgifte van 115 euro en/of een jas (merk Ralph
Lauren), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever 2] en/of een
derde toebehoorde(n)
door die [aangever 2] in te sluiten met hun scooters en/of vervolgens hem toe te roepen: 'ik
wil je geld, ik wil je jas" althans woorden van gelijke aard en/of strekking en daarbij
vanuit verdachtes jaszak een op een mes gelijkend voorwerp dreigend aan die [aangever 2]
te tonen;
3
hij op of omstreeks 9 december 2024 te Arnhem,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een bromfiets (kenteken [kenteken 1] type Killerbee), althans een goed heeft verworven,
voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,
terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden
krijgen van dit goed wist(en) dat het een door misdrijf verkregen goed betrof
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks periode van 8 december 2024 tot en met 9 december 2024 te
Arnhem, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een bromfiets (kenteken [kenteken 1] , type Killerbee), in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of
zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen;
4
hij in of omstreeks de periode van 8 december 2024 tot en met 9 december 2024 te
Arnhem,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een bromfiets (kenteken [kenteken 2] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden
heeft gehad en/of heeft overgedragen,
terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden
krijgen van dit goed wist(en) dat het een door misdrijf verkregen goed betrof
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 7 december 2024 tot en met 9 december 2024 te
Arnhem
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een bromfiets (kenteken [kenteken 2] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten
dele aan [aangever 4] dan wel aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen.
Onder
parketnummer 16/090461-25is aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 maart 2025 te Veenendaal
tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,
een bromfiets (scooter, Turbho Rl-50), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele
aan [aangever 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader zich de
toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te
nemen bromfiets onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel
van braak/verbreking.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

In de zaak met parketnummer 05/097183-25 [1]
De rechtbank zal de feiten 1 en 2 vanwege de onderlinge samenhang hieronder gezamenlijk bespreken.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van feit 2 is vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte ontkent dat de ten laste gelegde handelingen richting moeder (opzettelijk) hebben plaatsgevonden. Hij zou haar per ongeluk kunnen hebben aangeraakt toen zij in de worsteling met vader tussen hen in wilde komen.
Beoordeling door de rechtbank
Op 8 december 2024 heeft op het station in Winterswijk een confrontatie plaatsgevonden tussen [verdachte] (verdachte) en zijn vader, [vader] , en zijn moeder, [moeder] . Daarbij is op enig moment door [verdachte] geweld gebruikt. Aanleiding voor de confrontatie was het weglopen van verdachte bij leefgroep [verblijfplaats 1] waar hij volgens de afspraken zou moeten verblijven. [2] Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij zijn vader heeft mishandeld door hem te slaan en te krabben. [3]
Met betrekking tot de mishandeling van zijn moeder, die zou hebben plaatsgevonden op het moment dat vader [verdachte] in de houdgreep vast had, vindt de rechtbank het volgende van belang.
Moeder [moeder] heeft verklaard dat toen ze [verdachte] aansprak dat hij rustig moest worden, hij haar haren vast pakte en met zijn rechterhand hard hieraan trok. Ze voelde pijn aan haar hoofd. Zowel zij als haar man pakten vervolgens ook haar haren vast om zo min mogelijk pijn te ervaren. Ze raakten op de grond. [verdachte] had haar haren op dat moment nog steeds vast. Daarna kreeg ze nog een trap van [verdachte] tegen haar linkerbeen. Deze trap deed pijn. [4]
Vader [vader] heeft hierover verklaard dat hij zag dat [verdachte] [moeder] met kracht schopte en aan haar haren trok. Het aan de haren trekken ging zo hard dat [moeder] naar de grond werd getrokken. [5]
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de aangifte van [vader] en de bekennende verklaring van verdachte, oordeelt de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van zijn vader door hem te slaan en te krabben (feit 1).
De rechtbank is ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zijn moeder heeft mishandeld door aan haar haren te trekken en haar te trappen (feit 2). De verklaring van moeder wordt immers ondersteund door de verklaring van vader, die hiervan niet alleen getuige is geweest, maar daarbij ook expliciet benoemt dat het schoppen met kracht gebeurde en [moeder] hard aan haar haren naar beneden werd getrokken. De rechtbank heeft geen reden aan deze verklaringen te twijfelen. Deze verklaringen staan haaks op de verklaring van verdachte dat het per ongeluk gebeurde, zodat de rechtbank niet meegaat in die verklaring van verdachte.
In de zaak met parketnummer 05/392374-24 [6]
Ten aanzien van feit 1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier aanknopingspunten biedt voor het scenario dat het geldbedrag vrijwillig is afgestaan en er later, toen werd gevraagd om meer geld, pas werd gedreigd. Er is toen echter geen geld meer afgestaan. Het is dan ook bij een poging gebleven.
Beoordeling door de rechtbank
Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat hij op 9 december 2024 in Velp (gemeente Rheden) door twee jongens onder bedreiging van een schroevendraaier is gedwongen tot betaling van twintig euro door middel van een overschrijving door zijn bankapp. Nadat hij het geld had overgemaakt, werd door een van de jongens gezegd dat hij meer geld moest overmaken. Toen hij dat weigerde zei de jongen dat hij een mes bij zich had en dat als hij niet zou betalen, hij lek zou worden neergestoken. De andere jongen hield op dat moment nog steeds een schroevendraaier vast. [7]
Het bankrekeningnummer waar het geld door het slachtoffer naar is overgemaakt bleek na onderzoek op naam van [medeverdachte] te staan. [8]
Verdachte heeft op 4 maart 2025 bij de politie verklaard dat hij en [medeverdachte] de man hebben bedreigd. De man zou eerst interesse hebben gehad in één van de scooters die [medeverdachte] en verdachte onder zich hadden, maar later had de man toch geen interesse meer. [medeverdachte] werd toen boos en zei dat de man geld moest overmaken. Dat wilde de man niet doen. Ze hebben die man daarna bedreigd zodat hij geld zou overmaken. Ze waren pissig omdat ze op dat moment ook hadden kunnen slapen. De man heeft uiteindelijk geld overgemaakt naar de rekening van [medeverdachte] . Vervolgens werd [medeverdachte] boos, omdat hij meer geld wilde hebben. Hij (verdachte) heeft niks tegen de man gezegd, maar liet de schroevendraaier aan de man zien ter intimidatie. [medeverdachte] heeft ook nog tegen de man gezegd dat hij ( [medeverdachte] ) een mes bij zich had en als er geen geld zou worden overgemaakt, de man zou worden neergestoken. [9]
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de primair ten laste gelegde afpersing wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verklaring van het slachtoffer dat hij door twee personen onder bedreiging van een schroevendraaier werd gedwongen tot het overmaken van een geldbedrag, wordt ondersteund door het gegeven dat er daadwerkelijk een betaling heeft plaatsgevonden op de rekening van medeverdachte [medeverdachte] en de verklaring van verdachte zoals die bij de politie is afgelegd en hiervoor is opgenomen.
Dat verdachte later op zitting zijn verklaring heeft bijgesteld in die zin dat de eerste betaling vrijwillig zou zijn gedaan en er daarna pas, toen [medeverdachte] meer geld wilde, door hen is gedreigd (terwijl er toen geen betaling meer heeft plaatsgevonden), doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de eerder genoemde verklaring, nu deze na het feit vrijwillig is afgelegd en aansluit bij de aangifte. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw dat het bij een poging zou zijn gebleven.
De rechtbank is voorts van oordeel dat sprake is van medeplegen. Verdachte heeft actief bijgedragen aan de uitvoering door het slachtoffer te intimideren en de dreiging kracht bij te [woonplaats] door de schroevendraaier te tonen. Toen het slachtoffer bij verdachte en medeverdachte wegrende om hulp te zoeken bij een auto die kwam aanrijden, is verdachte ook samen met medeverdachte op scooters weggereden. De gezamenlijke uitvoering van het plan inclusief de actieve bijdrage van verdachte kwalificeert als een bewuste en nauwe samenwerking.
Ten aanzien van feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde Pro lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , p. 9-10; en
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 februari 2026.
Ten aanzien van feit 3
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde diefstal.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de rol van verdachte (het op de uitkijk staan) geen nauwe en bewuste samenwerking oplevert.
Beoordeling door de rechtbank
Op 8 december 2024 is in Arnhem de bromfiets (kenteken [kenteken 1] , type Killerbee) van [benadeelde] gestolen. [10] Verdachte heeft ter zitting de diefstal bekend. [medeverdachte] en verdachte wilden gaan ‘joyriden’. Hij heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte] de scooter heeft gestolen. [medeverdachte] zag de scooter staan, waarna ze samen in de buurt hebben gekeken of het rustig was. Verdachte stond vervolgens op de uitkijk, terwijl [medeverdachte] de scooter stal. Verdachte heeft [medeverdachte] een kabeltje aangegeven waarmee de scooter gestart kon worden. [medeverdachte] heeft het kabeltje ook gebruikt om de scooter mee te starten. Daarna zijn ze samen op de scooter weggereden. [11]
De rechtbank overweegt dat uit de ter zitting afgelegde verklaring van verdachte volgt dat hij samen met een ander de bromfiets heeft gestolen. Gelet hierop kan de primair ten laste gelegde heling niet wettig en overtuigend worden bewezen, nu heling het verwerven of voorhanden hebben van een door een ander gepleegd misdrijf veronderstelt. De rechtbank zal verdachte daarom van het primair ten laste gelegde vrijspreken.
De rechtbank acht op grond van diezelfde verklaring, in samenhang met de overige bewijsmiddelen, de subsidiair ten laste gelegde diefstal wel wettig en overtuigend bewezen. Ook is de rechtbank van oordeel dat sprake is van medeplegen. Verdachte en zijn mededader zijn samen naar de plaats delict gegaan, hebben gezamenlijk de situatie verkend en zijn vervolgens samen weggereden met de gestolen bromfiets. Verdachte heeft daarbij een actieve bijdrage geleverd door op de uitkijk te staan en aldus aan te geven of de situatie veilig was en door aan [medeverdachte] een kabeltje te verstrekken waarmee de bromfiets kon worden weggenomen. Verdachte en medeverdachte zijn samen op de scooter weggereden. Deze gezamenlijke uitvoering berustte op een voorafgaand gezamenlijk plan en overstijgt daarmee de rol van een medeplichtige, zoals door de raadsvrouw is gesteld. Het voorgaande handelen van verdachte levert een bewuste en nauwe samenwerking en dus medeplegen op.
Ten aanzien van feit 4
De rechtbank overweegt dat uit de ter zitting afgelegde verklaring van verdachte volgt dat hij samen met een ander de bromfiets heeft gestolen. Gelet hierop kan de primair ten laste gelegde heling niet wettig en overtuigend worden bewezen, nu heling het verwerven of voorhanden hebben van een door een ander gepleegd misdrijf veronderstelt. De rechtbank zal verdachte daarom van het primair ten laste gelegde vrijspreken.
De rechtbank acht op grond van diezelfde verklaring, in samenhang met de overige bewijsmiddelen, de subsidiair ten laste gelegde diefstal in vereniging gepleegd wel wettig en overtuigend bewezen. Omdat er sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde Pro lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , p. 31-32; en
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 februari 2026.
In de zaak met parketnummer 16/090461-25 [12]
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde Pro lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] , p. 7-8; en
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 februari 2026.

3.Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen ten laste gelegde onder:
 parketnummer 05/097183-25 de feiten 1 en 2;
 parketnummer 05/243167-25 feit 1 primair, feit 2, feit 3 subsidiair en feit 4 subsidiair; en
 parketnummer 16/090461-25,
heeft begaan, te weten dat:
(in de zaak met parketnummer 05/097183-25)
1
hij op
of omstreeks8 december 2024 te Winterswijk
zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, [vader] ,
heeft mishandeld door hem te slaan in het gezicht en
/ofte slaan tegen het lichaam
en
/ofin het gezicht te krabben;
2
hij op
of omstreeks8 december 2024 te Winterswijk
zijn moeder, [moeder] ,
heeft mishandeld door haar tegen het lichaam te schoppen en
/ofaan haar haren te
trekken.
(in de zaak met parketnummer 05/392374-24)
1
primair
hij op
of omstreeks9 december 2024 te Velp, gemeente Rheden
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door
geweld en/ofbedreiging met geweld
[aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van 20 euro
, in elk geval enig
goed,dat geheel of ten dele aan die [aangever 1]
en/of een derde
toebehoorde
(n)
door die [aangever 1] dreigend een schroevendraaier voor te houden en
tegen hem te roepen: "ik wil geld" a
lthans woorden van gelijke aard en/of strekking
en vervolgens die [aangever 1]
heeft/hebben gedwongen om via zijn
telefoon die 20 euro over te maken en vervolgens wederom een schroevendraaier
voor te houden en die [aangever 1]
heeft/hebben toegevoegd: "je moet meer geld
overmaken, ik heb ook een mes en ik steek je anders neer"
althans woorden van
gelijke aard/strekking;
2
hij op
of omstreeks8 december 2024 te Arnhem
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door
geweld en/ofbedreiging met geweld
[aangever 2] heeft gedwongen tot de afgifte van 115 euro en
/ofeen jas (merk Ralph
Lauren)
, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever 2]
en/of een
derdetoebehoorde
(n
)
door die [aangever 2] in te sluiten met hun scooters en
/ofvervolgens hem toe te roepen: 'ik
wil je geld, ik wil je jas"
althans woorden van gelijke aard en/of strekkingen daarbij
vanuit verdachtes jaszak een op een mes gelijkend voorwerp dreigend aan die [aangever 2]
te tonen;
3
subsidiair
hij op
of omstreeks periode van8 december 2024
tot en met 9 december 2024te
Arnhem,
althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,
een bromfiets (kenteken [kenteken 1] , type Killerbee),
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele aan [benadeelde] ,
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of
zijn mededader(s)toebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen;
4
subsidiair
hij
in of omstreeks de periode van 7 december 2024 tot en met 9op 8december 2024 te
Arnhem
tezamen en in vereniging met een
ofmeer ander
en,
althans alleen,
een bromfiets (kenteken [kenteken 2] ),
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten
dele aan [aangever 4] d
an wel aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s)toebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen.
(in de zaak met parketnummer 16/090461-25)
hij op
of omstreeks23 maart 2025 te Veenendaal
tezamen en in vereniging met een ander,
althans alleen,
een bromfiets (scooter, Turbho Rl-50),
in elk geval enig goed,die geheel of ten dele
aan [aangever 5] , i
n elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededadertoebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en
/ofzijn mededader
zich de
toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/ofdie weg te
nemen bromfiets onder
zijn/haar/hun bereik
heeft/hebben gebracht door middel
van braak
/verbreking.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
In de zaak met parketnummer 05/097183-25:
ten aanzien van feit 1:
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat;
ten aanzien van feit 2:
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn moeder.
In de zaak met parketnummer 05/392374-24:
ten aanzien van de feiten 1 en 2, telkens:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
ten aanzien van de feiten 3 subsidiair en 4 subsidiair, telkens:
diefstal door twee of meer verenigde personen.
In de zaak met parketnummer 16/090461-25:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.Overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 05/097183-25 feit 1 en feit 2, parketnummer 05/243167-25 feit 1 primair, feit 2, feit 3 subsidiair en feit 4 subsidiair en 16/090461-25 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot:
  • een jeugddetentie van 250 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
  • met aan het voorwaardelijk deel verbonden de bijzondere voorwaarden: verblijven bij en meewerken aan de begeleiding vanuit [instantie] , meewerken aan (verslavings)behandeling, meewerken aan ambulante behandeling vanuit Rubix Zorg, meewerken aan dagbesteding (werk/school) en meewerken aan de begeleiding door de jeugdreclassering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft, onder verwijzing naar de adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering, verzocht geen deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, maar een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf. Hiertoe is aangevoerd dat de inzet moet zijn dat verdachte moet werken als hij de fout in gaat.
Beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van onder andere de volgende stukken:
  • het uittreksel Justitiële Documentatie van 19 december 2025 (het strafblad)
  • de rapporten psychologisch onderzoek Pro Justitia door drs. M.F. Petit, GZ-psycholoog van 3 mei 2025 en 14 augustus 2025 en
  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 20 januari 2026.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan zeven ernstige misdrijven. Zo heeft verdachte op 8 december 2024 zijn ouders mishandeld. Dit gebeurde nadat verdachte van de leefgroep, waar hij volgens de afspraken moest verblijven, was weggelopen en zijn ouders hem vonden op het station. Verdachte wilde niet terug naar de groep en liet dat op een agressieve en allesbehalve respectvolle manier blijken. Later die dag heeft verdachte samen met een ander twee bromfietsen gestolen en vervolgens het slachtoffer [aangever 2] onder bedreiging van een schroevendraaier afgeperst. [aangever 2] moest zijn jas en geld af staan. Kort hierna, in de nacht van 8 op 9 december 2024, heeft verdachte samen met een ander ook nog het slachtoffer [aangever 1] op dezelfde wijze afgeperst. Ook [aangever 1] moest geld afstaan. Daarnaast heeft verdachte samen met een ander op 23 maart 2025 wederom een bromfiets gestolen. Dit deden zij omdat ze de trein hadden gemist en niet met de bus wilde terugreizen.
De rechtbank vindt dit stuk voor stuk ernstige strafbare feiten. Verdachte lijkt zich geen moment bewust te zijn geweest welke gevolgen zijn handelingen voor anderen hebben. Door het handelen van verdachte zijn bij de slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid ontstaan en zijn de slachtoffers van de diefstallen ook nog eens geconfronteerd met financiële schade. Daarbij vindt de rechtbank het bijzonder kwalijk dat deze feiten zijn gepleegd terwijl verdachte (telkens) in een schorsing van de voorlopige hechtenis liep. Dit getuigt van onvoldoende verantwoordelijkheid en normbesef.
De persoon van verdachte
De psycholoog en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) hebben uitvoerige rapporten over verdachte en zijn ontwikkelingen het afgelopen jaar opgesteld. Hieruit komt het volgende naar voren. Onderzoek wijst uit dat bij [verdachte] is sprake van ADHD, een normoverschrijdende-gedragsstoornis, een stoornis in gebruik van cannabis en ouder-kindrelatieproblemen. Op alle domeinen worden zorgen gezien. [verdachte] is een jongen die in de situatie waar hij woont met regelmaat zelfbepalend gedrag laat zien door regels niet op te volgen en bijvoorbeeld weg te lopen. [verdachte] heeft forse schulden en heeft voornamelijk contact met antisociale jongeren. [verdachte] rookt 3 tot 5 joints per dag, heeft weinig probleembesef en kijkend naar de huidige delicten heeft hij voornamelijk spijt voor de gevolgen voor zichzelf. [verdachte] is impulsief en overziet de gevolgen van zijn gedrag onvoldoende. Het risico op recidive wordt als hoog ingeschat.
De RvdK is samen met de jeugdreclassering van mening dat een andere koers nodig is dan het afgelopen jaar is geprobeerd. Gesloten jeugdzorg heeft niet de kaders, structuur en behandeling geboden die waren gehoopt. [verdachte] liep veelvuldig weg en stond niet open voor behandeling in de [kliniek] zoals door de psycholoog is geadviseerd. Ook het forensisch zorgprogramma van Rubix Zorg zoals dat eerder door de RvdK is geadviseerd heeft [verdachte] vroegtijdig beëindigd. Mogelijk dat wanneer [verdachte] meer vrijheid heeft (wat de wens is van [verdachte] ), er voor zorgt dat er meer samenwerking en inzicht komt. Daarbij is het belangrijk dat er hulpverlening wordt ingezet die gericht is op middelengebruik, maar ook om juiste keuzes te leren maken. Dit kan in ambulante vorm zijn vanuit bijvoorbeeld Rubix Zorg die eerder betrokken is geweest. Voor het middelengebruik zal een instantie zoals IrisZorg moeten worden benaderd. Het is nog onbekend wat triggers voor [verdachte] zijn en wat maakt dat hij uit beeld verdwijnt en dan antisociaal gedrag laat zien. Hier moet zicht op komen. Daarnaast is het hebben van een zinvolle structurele dagbesteding belangrijk. Dit kan in de vorm van werk en/of school. Ouders moeten betrokken worden bij het gehele traject omdat alle gezinsleden de wens hebben dat [verdachte] ooit weer thuis komt wonen.
Beschermend te noemen is dat [verdachte] inmiddels lijkt in te zien dat hij zijn leven anders moet en wil vormgeven en aangeeft hier hulp bij nodig te hebben. [verdachte] is gemotiveerd om te gaan werken en het nieuwe schooljaar met een opleiding te starten.
Al met al wordt geadviseerd een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van het voorarrest en een taakstraf in de vorm van een geheel voorwaardelijke werkstraf met als bijzondere voorwaarden:
  • meewerken aan begeleiding gericht op middelengebruik en openheid van zaken hierover geven;
  • inzicht geven in social media gebruik;
  • meewerken aan dagbesteding in vorm van werk of school; en
  • meewerken aan ambulante behandeling bij Rubixzorg (ter zitting aangevuld door de RvdK).
De straf
Vanwege de ernst en hoeveelheid bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank uitsluitend een jeugddetentie passend. In verband met het hoge recidiverisico vindt de rechtbank het echter van belang dat verdachte nog één laatste kans krijgt om zich actief in te zetten voor het huidige hulpverleningstraject. Met een fors voorwaardelijk gedeelte wil de rechtbank verdachte ervan doordringen dat zijn keuzes gevolgen hebben en dat hij ook verantwoordelijkheid dient te nemen voor zijn eigen handelen.
De rechtbank legt daarom aan verdachte op een jeugddetentie van 250 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk. De tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten wordt hierop nog in mindering gebracht. Dit betekent dat verdachte dus niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis. Aan het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie verbindt de rechtbank een proeftijd van twee jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals gevorderd door de officier van justitie, aangevuld met de door de RvdK geadviseerde voorwaarde om inzicht te krijgen in het social media-gebruik van verdachte.
Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis zal gelet op het voorgaande worden opgeheven.
Ten aanzien van het beslag
De rechtbank zal beslissen dat de in beslag genomen draad (G3351745) waarmee de feiten 3 en 4 van parketnummer 05-392374-24 zijn begaan wordt onttrokken aan het verkeer omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
7a. De beoordeling van de civiele vorderingen
De volgende benadeelde partijen hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend:
  • [aangever 3] vordert in de zaak met parketnummer 05/392374-24 feit 3 € 902,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente; en
  • [aangever 5] vordert in de zaak met parketnummer 19/090461-25 € 615,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.
Verder verzoeken de benadeelde partijen om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [aangever 3] geheel kan worden toegewezen. Ten aanzien van [aangever 5] kan de vordering worden toegewezen met uitzondering van de ophaalkosten (ad € 55,00). De toe te wijzen bedragen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente. De officier van justitie vordert hierbij eveneens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel (zonder vervangende gijzeling). Ten aanzien van beide vorderingen verzoekt de officier van justitie deze hoofdelijk toe te wijzen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat [aangever 5] niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard vanwege een gebrek aan onderbouwing. Ten aanzien van de vordering van [aangever 3] heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
[aangever 3]
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de schadeposten niet inhoudelijk zijn betwist. De schadeposten zijn (verder) voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot een hoogte van € 902,00 kan worden toegewezen.
[aangever 5]
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Hoewel de vordering van de benadeelde partij niet nader is onderbouwd, acht de rechtbank op grond van de verklaringen en de in het dossier opgenomen foto’s aannemelijk dat aan de scooter als gevolg van de diefstal schade is toegebracht. De rechtbank zal deze schade schatten op € 300,00. Voor het overige deel zal de vordering van de benadeelde partij worden afgewezen.
Wettelijke rente
Verdachte is ten aanzien van benadeelde [aangever 3] vanaf 8 december 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. Verdachte is ten aanzien van benadeelde [aangever 5] vanaf 23 maart 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Hoofdelijkheid
De rechtbank overweegt ten aanzien van beide vorderingen dat verdachte en zijn medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Gelet op de leeftijd van verdachte zal geen gijzeling worden opgelegd indien verdachte niet zou betalen.
7b. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling (parketnummer 05/213051-24)
De kinderrechter heeft verdachte op 14 oktober 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 70 uren, subsidiair 35 dagen jeugddetentie.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 57, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 300, 304, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 05/243167-25 onder 3 primair en 4 primair ten laste gelegde;
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 250 dagen;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, te weten 120 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de hierna te melden voorwaarden:
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  • verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling, te weten de afdeling Jeugdreclassering van Jeugdbescherming Gelderland;
  • verdachte zal verblijven bij en mee zal werken aan de begeleiding door [instantie] in [verblijfplaats 2] ;
  • verdachte zal meewerken aan dagbesteding die of onderwijs dat de Jeugdreclassering noodzakelijk acht;
  • verdachte zal meewerken aan begeleiding gericht op middelengebruik en hierover openheid van zaken geeft, voor zover de Jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
  • verdachte zal meewerken aan een (verslavings)behandeling die de Jeugdreclassering noodzakelijk acht;
  • verdachte mee zal werken aan ambulante behandeling door Rubix Zorg, voor zover de Jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
  • verdachte de jeugdreclassering inzicht zal geven in zijn telefoongebruik, indien en zolang de jeugdreclassering dat nodig acht. Verdachte mee zal werken aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en toegang zal verschaffen tot zijn telefoon(s). Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. De controles worden uitgevoerd door de jeugdreclassering, maximaal drie keer per jaar, waarbij de persoonlijke levenssfeer van verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van verdachte;
 stelt als overige voorwaarden dat:
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;
 geeft opdracht aan Jeugdbescherming Gelderland, afdeling Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan.
 heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Ten aanzien van het beslag
 beveelt de onttrekking aan het verkeer van 1 STK draad (G3351745) in de zaak met parketnummer 05/392374-24.
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] (05/392374-24 feit 3)
  • veroordeelt verdachte in verband met parketnummer 05/392374-24 feit 3 (hoofdelijk) tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 3] van € 902,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 3] , een bedrag te betalen van € 902,00 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kan 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [aangever 5] (19/090461-25)
 veroordeelt verdachte in verband met parketnummer 19/090461-25 (hoofdelijk) tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 5] van € 300,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 5] voor het overige af;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 5] , een bedrag te betalen van € 300,00 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kan 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling
 beveelt de tenuitvoerlegging van de op 14 oktober 2024 door de kinderrechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een werkstraf van 70 uren, subsidiair 35 dagen jeugddetentie (parketnummer 05/213051-24).
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld (voorzitter en kinderrechter), mr. S. Jansen en mr. T.M.A. Arts, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. L.H.M. van Keulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 maart 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024574747, gesloten op 18 maart 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Processen-verbaal van aangifte van [vader] , p. 18-22 en [moeder] , p. 14-15, de uitdraai BCS-portaal, p. 5 en de verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 11 februari 2026.
3.Verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 11 februari 2026.
4.Proces-verbaal van aangifte [moeder] , p. 14-15.
5.Proces-verbaal van aangifte van [vader] , p. 18-22.
6.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024577207, gesloten op 11 december 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
7.Proces-verbaal van aangifte [aangever 1] , p. 14-15.
8.Proces-verbaal van bevindingen, p. 53.
9.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 4 maart 2025, p. 3 (aanvullend).
10.Proces-verbaal van aangifte [aangever 3] namens [benadeelde] , p. 29-30.
11.Verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 11 februari 2026.
12.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie Midden-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0900-2025092562, gesloten op 24 maart 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.