Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3030

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
AWB - 25_1034
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Onderdeel 8 van artikel 3 van Bijlage II bij het Bor
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek tegen bijgebouw en gebruik in strijd met bestemming

Eiseres verzocht het college handhavend op te treden tegen het veranderen van een overkapping in een bijgebouw door het toevoegen van een vierde wand en tegen het vermeende recreatieve gebruik van dit bijgebouw. Het college wees het handhavingsverzoek af, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank stelde vast dat de oorspronkelijke overkapping in 2010 vergunning is verleend en dat de vierde wand in 2016 vergunningvrij is geplaatst onder het toen geldende bestemmingsplan. Het college mocht concluderen dat het bijgebouw binnen het bestemmingsvlak 'Recreatiewoning' lag en dat het overgangsrecht van toepassing is, waardoor handhaving niet mogelijk is.

Verder was er onvoldoende bewijs dat het bijgebouw recreatief werd gebruikt. De toezichthouder had weliswaar onscherpe foto's gemaakt, maar eiseres bracht geen concrete informatie aan die het recreatieve gebruik aannemelijk maakte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek tot vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat geen overtreding is vastgesteld en het college terecht niet handhavend heeft opgetreden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1034

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.J. van Boxtel),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe

(gemachtigden: B.A. Straatman en E. te Loo).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2] .

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een handhavingsverzoek tegen de aanwezigheid van een bijgebouw op het perceel [locatie] [huisnummer 1] in [plaats 1] . Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college van handhavend optreden heeft kunnen afzien.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat van een overtreding geen sprake is en het college dus terecht niet handhavend heeft opgetreden. Het beroep is ongegrond en eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. De rechtsvoorganger van eiseres, [persoon A] (destijds de eigenaar van het aangrenzende perceel aan de [locatie] [huisnummer 2] ), heeft op 25 augustus 2019 een handhavingsverzoek gedaan in verband met de aanwezigheid van meerdere bijgebouwen op het perceel van derde-partij. Voor wat betreft het bijgebouw waar het in deze zaak over gaat, heeft het college dat verzoek op 5 november 2021 afgewezen. In de bezwaarfase is [persoon A] niet-ontvankelijk verklaard. In de uitspraak van rechtbank Gelderland van 12 juli 2024 [1] heeft de bestuursrechter het beroep van [persoon A] tegen dit besluit ongegrond en het beroep van eiseres tegen dit besluit gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd. Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 16 januari 2025 is het college gebleven bij zijn besluit om niet handhavend op te treden tegen het bijgebouw.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd. Nadien heeft eiseres op 21 november 2025 nog nadere stukken ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college en de derde-partij.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?
3. Het perceel van derde-partij is gelegen aan de [locatie] [huisnummer 1] in [plaats 3] . [2] Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Epe' dat is vastgesteld op 23 maart 2017. Voor een deel van het perceel geldt de enkelbestemming 'Recreatie-Recreatiewoning' en voor het overige is de grond bestemd als 'Bos'. Op het gedeelte van het perceel met de enkelbestemming 'Recreatie-Recreatiewoning' staat een recreatiewoning.
3.1.
Op 19 februari 2010 heeft het college een lichte bouwvergunning verleend voor een overkapping met drie wanden op het terrein ten noorden van de recreatiewoning. Later is, een vierde wand toegevoegd, waardoor een bijgebouwtje is ontstaan dat in het dossier en hierna wordt aangeduid als Bijgebouw B.
(uitsnede van situering, zoals opgenomen bij het controleverslag van de gemeente van 15 januari 2020)
3.2.
Eiseres wil dat het college handhavend optreedt tegen het veranderen van de overkapping in een bijgebouw. Daarnaast vreest eiseres dat Bijgebouw B in strijd met de geldende bestemming wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden.
Is de plaatsing van de vierde wand vergunningvrij?
4. Eiseres betoogt dat het toevoegen van de vierde wand niet vergunningvrij is, omdat een deel van de wand is gelegen op het als 'Bos' bestemde deel van het perceel. Binnen die bestemming mag volgens eiseres niet worden gebouwd. Om die reden is volgens eiseres voor het bijplaatsen van de wand een vergunning nodig om af te mogen wijken van het bestemmingsplan. Tijdens de zitting is namens de gemachtigde van eiseres nog aangevoerd dat onduidelijk is op welke plek mocht worden gebouwd volgens de in 2010 verleende vergunning.
4.1.
Het college erkent dat Bijgebouw B gedeeltelijk staat op gronden die nu de bestemming 'Bos' hebben, maar stelt zich op het standpunt dat de derde-partij eerder wel vergunningvrij een vierde wand aan de overkapping heeft kunnen toevoegen. Daartoe voert het college aan dat deze wand al is geplaatst toen het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2005’ nog van toepassing was. Ter onderbouwing wijst het college op de ingediende luchtfoto’s van 5 april 2015 en 26 augustus 2016, waarop onder meer een bruine vierde wand te zien is met daarin twee witte raampartijen. Op grond van het toen geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2005’ viel de overkapping met drie wanden destijds binnen het voor ‘Recreatie-Recreatiewoning’ bestemde perceeldeel, omdat volgens het college moet worden uitgegaan van de op die kaart aanwezige buitenkant van de lijn van het bestemmingsvlak. Van strijdigheid met het bestemmingsplan was toen dan ook geen sprake. Doordat deze grens van het bestemmingsvlak bij de vaststelling van het nu geldende bestemmingsplan niet goed is overgenomen staat Bijgebouw B nu voor een klein gedeelte op grond met de bestemming 'Bos'. Op grond van het overgangsrecht bij het bestemmingsplan mag Bijgebouw B echter blijven staan en kan daartegen niet alsnog handhavend worden opgetreden.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat in 2010 een lichte bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een overkapping met drie wanden. In die vergunning is bepaald dat vergunninghouder de exacte plaats van het bouwwerk zelf mag bepalen. Voor zover eiseres heeft betoogd dat de exacte locatie van de overkapping onduidelijk is, valt dit buiten de reikwijdte van deze procedure. De in 2010 verleende vergunning ligt hier namelijk niet ter beoordeling voor. De rechtbank ziet daarnaast geen grond voor het oordeel dat het bouwwerk destijds op de verkeerde plek is neergezet. Hierbij acht de rechtbank van belang dat door de toezichthouder van de gemeente op 27 april 2010 is vastgesteld dat de werkzaamheden met betrekking tot deze bouwvergunning zijn uitgevoerd en daarbij is verklaard dat geen tekortkomingen zijn geconstateerd.
4.3.
De rechtbank stelt verder vast dat het college heeft toegelicht dat het bijplaatsen van een vierde wand is vrijgesteld van een vergunningplicht voor de activiteit ‘bouwen’ [3] en dat eiseres dit niet heeft bestreden.
4.4.
Tijdens de zitting is daarnaast komen vast te staan dat de vierde wand in 2016, dus voorafgaand aan de vaststelling van het gewijzigde bestemmingsplan op 23 maart 2017, is gerealiseerd. Dat betekent dat voor de beoordeling van de vraag of de vierde wand kon worden geplaatst zonder vergunning om af te mogen wijken van het bestemmingsplan, het toen geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2005’ bepalend is. Uit de daarbij horende plankaart blijkt dat ook toen al sprake was van een combinatie van de bestemmingen ‘Recreatiewoning’ en ‘Bos’ op het perceel, waarbij de vorm van de bestemmingsvlakken ongeveer gelijk is aan het nieuwe bestemmingsplan. De begrenzing van het bestemmingsvlak was echter anders. Waar de grens voor 2017 werd aangeduid met een dikke lijn, is dat sinds 2017 een dunne lijn.
Uitsnede plankaart Bestemmingsplan Uitsnede plankaart Bestemmingsplan
Buitengebied 2005 Buitengebied Epe (vastgesteld in 2017)
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat het college, gezien dit verschil in lijndikte, heeft kunnen concluderen dat Bijgebouw B in 2016 volledig was gesitueerd binnen het bestemmingsvlak met de bestemming ‘Recreatiewoning’. Daarbij gaat de rechtbank uit van de buitenkant van de dikke lijn die het bestemmingsvlak begrenst. Steun voor deze uitleg kan worden gevonden in de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2003. [4] Eiseres heeft weliswaar betwist dat Bijgebouw B binnen dat bestemmingsvlak valt, maar heeft dit niet onderbouwd. Bij gebreke daarvan ziet de rechtbank niet in waarom de uitleg van het college onjuist zou zijn en daar niet van uit kon worden gegaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Wordt bijgebouw B gebruikt in strijd met het bestemmingsplan?
5. Eiseres betoogt dat de controlerapportages van de toezichthouders van 15 augustus 2024 en 22 augustus 2024 niet de conclusie kunnen dragen dat Bijgebouw B niet gebruikt wordt als (tweede) recreatieve woning. De foto’s ter onderbouwing zijn enkel van de buitenkant genomen, zijn onscherp en bevatten geen tijdsaanduiding.
5.1.
Het college is in de beslissing op bezwaar ingegaan op het vermeende strijdige gebruik van bijgebouw B als tweede recreatiewoning. Primair brengt het college naar voren dat eiseres de overtreding onvoldoende concreet heeft onderbouwd. Het college vindt het verzoek van eiseres te onbepaald. In aanvulling op de al uitgevoerde controlerapportages heeft het college nog twee nieuwe controlerapportages overgelegd waaruit blijkt dat Bijgebouw B niet als slaapvertrek of recreatiewoning wordt gebruikt.
5.2.
De rechtbank stelt voorop dat voor alle partijen duidelijk is geworden dat gebruik van Bijgebouw B voor recreatieve doeleinden niet is toegestaan. Niet gebleken is daarnaast dat Bijgebouw B daarvoor wel gebruikt wordt. Hoewel de door de toezichthouder genomen foto’s, die bij de beslissing op bezwaar zijn gevoegd niet scherp zijn, is wel te zien dat in de ruimte een fiets staat. [5] Daarnaast is ook op 19 mei 2021 een controle door de toezichthouder uitgevoerd. De toezichthouder heeft toen vastgesteld dat geen sprake is van een slaapverblijf en dat het aanzicht en de vormgeving van Bijgebouw B exact hetzelfde is als bij de controle in januari 2020. Het college heeft bovendien al eerder, bij het verweerschrift hangende de bezwaarprocedure de volgende foto’s van de binnenkant van Bijgebouw B overgelegd:
5.3.
Weliswaar zijn deze foto’s door de derde-partij overgelegd, maar eiseres heeft niet duidelijk gemaakt waarom het college daar niet van uit heeft kunnen gaan. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres helemaal geen informatie heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat Bijgebouw B wel recreatief wordt gebruikt. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college terecht heeft geconcludeerd dat Bijgebouw B niet wordt gebruikt in strijd met het bestemmingsplan en dat ook in zoverre geen sprake is van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden.
Overige beroepsgronden
6. Eiseres is in het beroepschrift nog ingegaan op subsidiaire standpunten van het college die ook zouden maken dat handhaving niet aan de orde is. Aangezien de rechtbank met het college van oordeel is dat geen sprake is van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van deze subsidiaire verweren en de daartegen gerichte beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ARN 23/510.
2.Kadastraal bekend als gemeente Epe en Oene, sectie [sectie], nummer [nummer].
3.Op grond van onderdeel 8 van artikel 3 van Pro Bijlage II bij het Bor.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AO0884.
5.Foto’s gemaakt op 15 augustus 2024.