Verzoeker exploiteert een bedrijf dat kleiduifschieten op locatie verzorgt en heeft een ontheffing aangevraagd voor het gebruik van laserkleiduifgeweren. De minister heeft deze aanvraag op 24 februari 2026 afgewezen, waarna verzoeker bezwaar maakte en een voorlopige voorziening verzocht.
De voorzieningenrechter beoordeelde dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, omdat onduidelijk is of de laserkleiduifgeweren onder categorie I of III van de Wet wapens en munitie vallen. Ook is onduidelijk of de Werkgroep Advies Wet Wapens en Munitie correct is benoemd en is er ruimte voor een contra-expertise in de bezwaarprocedure.
Verder is vastgesteld dat het spoedeisend belang aanwezig is, omdat het vervoersverbod voor de wapens handhaving mogelijk maakt en de bedrijfsvoering van verzoeker ernstig wordt belemmerd. De belangenafweging leidt ertoe dat het belang van verzoeker zwaarder weegt dan dat van de minister.
De voorzieningenrechter schorst daarom het bestreden besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar en veroordeelt de minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.