Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2999

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
004752-26
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag en veroordeling poging zware mishandeling en mishandeling ex-partner

Op 5 januari 2026 heeft verdachte zijn ex-partner mishandeld door haar met kracht een duw te geven, haar over de grond te slepen, tegen haar kaak te slaan en met zijn vuist tegen haar keel te duwen, gevolgd door het klemmen van haar nek tussen zijn bovenbenen met kracht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling en mishandeling, maar spreekt hem vrij van poging tot doodslag omdat onvoldoende informatie over de duur van het geweld ontbreekt en het letsel niet wijst op een aanmerkelijke kans op overlijden.

Verdachte voerde noodweerexces aan, maar dit werd verworpen omdat hij de agressor was. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 100 dagen op, waarvan 58 voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals gedragsinterventie en contact- en locatieverbod. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld tot schadevergoeding van €2.222,97 plus €2.000 smartengeld aan het slachtoffer.

De rechtbank wijst een contactverbod met de minderjarige dochter van het slachtoffer af, omdat het bewezen handelen zich niet tegen haar richt. De strafrechtelijke maatregelen zijn gericht op bescherming van het slachtoffer en het voorkomen van herhaling.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging doodslag en veroordeeld tot 100 dagen gevangenisstraf, waarvan 58 voorwaardelijk, voor poging zware mishandeling en mishandeling van zijn ex-partner.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.004752.26
Datum uitspraak : 16 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1991 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres 1], [postcode 1] in [woonplaats].
Raadsman: mr. D. van der Beek, advocaat in Nijmegen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
2 april 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 5 januari 2026 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten zijn ex-partner, [slachtoffer], van het leven te beroven, een of meerdere malen,
- die [slachtoffer] met een vuist tegen de keel heeft geduwd en/of de keel heeft dichtgeknepen,
- die [slachtoffer] bij de keel heeft vastgepakt en/of vastgepakt heeft gehouden en/of
- de nek van die [slachtoffer] tussen de benen heeft geklemd en tegelijkertijd de bovenbenen heeft aangespannen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 januari 2026 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten zijn ex-partner, [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meerdere malen,
- die [slachtoffer] met een vuist tegen de keel heeft geduwd en/of de keel heeft dichtgeknepen,
- die [slachtoffer] bij de keel heeft vastgepakt en/of vastgepakt heeft gehouden en/of
- de nek van die [slachtoffer] tussen de benen heeft geklemd en tegelijkertijd de bovenbenen heeft aangespannen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 januari 2026 te [plaats] (zijn ex-partner) [slachtoffer] heeft mishandeld, door een of meerdere malen
- die [slachtoffer] met een vuist tegen de keel te duwen en/of de keel dicht te knijpen,
- die [slachtoffer] bij de keel vast te pakken en/of vastgepakt te houden,
- de nek van die [slachtoffer] tussen de benen te klemmen en tegelijkertijd de bovenbenen aan te spannen;
2
hij op of omstreeks 5 januari 2026 te [plaats] (zijn ex-partner) [slachtoffer] heeft mishandeld, door een of meerdere malen
- een duw tegen die [slachtoffer] te geven, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] tegen de trap is gevallen,
- die [slachtoffer] over de grond mee te slepen en/of
- die [slachtoffer] op/tegen de kaak, althans het gezicht, te slaan.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feit 1 subsidiair ten laste gelegde, de poging tot zware mishandeling, en aan feit 2, de mishandeling. Verdachte moet worden vrijgesproken van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte ontkent het tenlastegelegde. Hij heeft verklaard dat hij aangeefster een zacht tikje tegen de kin gaf, en aangeefster daarop van de trap viel, waardoor zij tussen zijn benen terechtkwam. Zij kneep hem in zijn ballen en verdachte bracht in reactie daarop zijn benen bij elkaar. Verdachte heeft toen ongeveer 2 seconden zijn benen om haar hoofd geklemd. Het letsel dat aangeefster heeft opgelopen, is misschien veroorzaakt toen zij van de trap viel waarbij zij mogelijk met haar kin tegen zijn knie is gevallen.
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal wordt vrijgesproken. Verdachte heeft geen (voorwaardelijk) opzet gehad op het toebrengen van de dood of zwaar lichamelijk letsel maar is juist mishandeld en heeft zichzelf enkel verweerd. Ook de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling kan niet worden bewezen. Het letsel van aangeefster komt door het gedoe over de telefoon en het glijden van de trap. Voor feit 2 geldt hetzelfde.
De beoordeling door de rechtbank
Aangeefster [slachtoffer], wonende in [plaats], heeft verklaard dat verdachte, haar
ex-partner, op 5 januari 2026 bij haar thuis was om bij hun dochter te zijn. Vanaf 17.45 uur vroeg zij hem meerdere keren om de woning te verlaten, maar verdachte gaf hier geen gehoor aan, waarna aangeefster de politie belde en in gesprek ging met de meldkamer. Tijdens dit telefoongesprek zat aangeefster op de trap. Verdachte ging verbaal tegen haar te keer, sloeg de telefoon uit haar handen en duwde haar, waardoor zij op de trap viel. Vervolgens duwde verdachte zijn vuist tegen haar keel. Aangeefster was bang dat zij ‘out’ zou gaan. Daarna heeft verdachte zijn bovenbenen om de nek van aangeefster geklemd, waarbij hij zijn bovenbenen aanspande. Aangeefster voelde zich bekneld. Later is zij ook door verdachte over de grond gesleept. Ook heeft verdachte haar geslagen op haar linker onderkaak. Zij heeft verdachte gebeten om los te komen.
Hierna had aangeefster pijn over bijna haar hele lichaam. Zij kon haar rechterarm nauwelijks omhoog doen, omdat verdachte haar zo hard bij haar rechterarm gepakt dat deze veel pijn deed. Ook had zij letsel op haar rechterhand, was haar linkerenkel kapot en dik en had zij schrammen op haar rug en linker heup. Ook haar keel en lip deden pijn. [2]
Op 5 januari 2026 omstreeks 18.17 uur kwamen verbalisanten naar aanleiding van de melding bij de woning van aangeefster aan. Voor de woning hoorden zij een mannenstem die op hen overkwam als iemand die flink schreeuwde. Toen aangeefster de deur opendeed zagen zij dat zij zichtbaar geëmotioneerd was en wat krassen/bloed in haar gezicht had. Aangeefster keek hen angstig aan en schudde met haar hoofd toen de verbalisant vroeg of alles in orde was. [3] Daarbij huilde ze, trilden haar handen en was het voor de verbalisant heel duidelijk dat aangeefster doodsbang was voor verdachte. [4]
Op 6 januari 2026 is door het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (LOEF) een forensisch-medisch onderzoek uitgevoerd bij aangeefster. Aangeefster gaf aan dat zij na de geweldpleging het gevoel had dieper te moeten ademen. Ook had zij keelpijn, waarbij slikken moeilijk en pijnlijk was, en had ze last van (pijnlijk) hoesten. Ze zag lichtflitsen en had last van oorsuizen. Verder gaf ze aan misselijk en duizelig te zijn en hoofdpijn te hebben.
Tijdens het forensisch-medisch onderzoek zijn de volgende uitwendige letsels bij aangeefster vastgesteld:
  • onderhuidse bloeduitstortingen onder de kaakrand aan de rechterzijde, op de rechterschouder, op beide bovenarmen, op de linkeronderarm, op de rechterborst en op het linkeronderbeen;
  • bloeduitstortingen in het slijmvlies van de onderlip;
  • oppervlakkige huidbeschadigingen op de rechtermiddelvinger, op de rechterwreef en op de linkerenkel;
  • krasverwondingen rechts op de rug en op de rechterbil;
  • roodheid links op de rug;
De radioloog zag op de MRI-scan onderhuidse zwellingen onder de kaakrand aan de rechterzijde en in lichtere mate ook aan de linkerzijde, bij de linkerslaap en aan de achterzijde van de linkerschouder. [5]
De forensisch arts dr. G. Reijnen heeft in een aanvullend rapport gerapporteerd dat
bloeduitstortingen en onderhuidse zwellingen ontstaan door een stompe krachtsinwerking, zoals door stoten, slaan, schoppen of samendrukken. Krasletsel wordt veroorzaakt door een puntig voorwerp over de huid te bewegen of met het lichaam langs een puntig voorwerp te bewegen. Krasletsel bevindt zich op het niveau van de huid.
Op de MRI-scan was zowel links als rechts onder de kaaklijn een onderhuidse zwelling zichtbaar. De meer prominente zwelling rechts op de MRI-scan komt overeen met de uitwendig zichtbare bloeduitstorting (dat wil zeggen dat het hetzelfde “letsel” betreft). Dergelijke zwellingen kunnen ontstaan door een samendrukkende kracht op de hals maar ook door een directe stomp botsende inwerkende kracht op de hals, zoals slaan, schoppen of stoten.
Het letsel in de hals bestaat uit twee zwellingen rondom de kin. Deze zwellingen zitten dermate dicht bij elkaar dat ze kunnen passen bij het dichtduwen van de keel met de vuist (de blauwe puntjes ter hoogte de kin zitten minder dan een vuistbreedte uit elkaar).
Als een vuist centraal op de keel wordt gezet en het weefsel van de keel tussen de vuist en de
kaakrand wordt samengeduwd, kunnen zwellingen ontstaan zoals waargenomen op de MRI-
scan.
De zwellingen links en rechts op de onderkaak kunnen zijn ontstaan door een samendrukkende kracht. Het klemmen van de nek tussen de bovenbenen, is een vorm van een samendrukkende kracht. De bevindingen in het halsgebied kunnen hier dus bij passen. [6]
Dr. G. Reijnen heeft ter terechtzitting verklaard dat voor de bloeduitstortingen en zwellingen in het halsgebied van aangeefster een aanzienlijke krachtsinwerking nodig is. [7]
Feit 1
De rechtbank stelt op basis van voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte met kracht zijn vuist tegen de keel van aangeefster heeft geduwd en vervolgens dat hij zijn bovenbenen om haar nek heeft geklemd en met kracht heeft aangespannen. De verklaring van aangeefster hierover wordt op belangrijke punten ondersteund door de forensisch-medische onderzoeksbevindingen. De verklaring van verdachte dat hij ongeveer twee seconden het hoofd van aangeefster tussen zijn benen heeft geklemd en dat het letsel misschien is ontstaan toen aangeefster van de trap viel en met haar kin tegen zijn knie is gekomen, past hier niet bij omdat voor het aangetroffen letsel een aanzienlijke krachtsinwerking moet hebben plaatsgevonden.
Dat verdachte aangeefster daarnaast ook bij de keel heeft vastgepakt (gehouden), is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan omdat aangeefster dat niet heeft verklaard. Van dat deel van de tenlastelegging zal verdachte worden vrijgesproken.
De vervolgvraag is hoe het handelen van verdachte juridisch gekwalificeerd moet worden. Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag moet sprake zijn van (voorwaardelijk) opzet op het veroorzaken van de dood. Het dossier bevat te weinig informatie over de duur van het (samen)drukkend geweld door verdachte om de hals/keel van aangeefster om te kunnen vaststellen of als gevolg van het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans bestond dat aangeefster zou komen te overlijden. Het is hier immers de duur van het dichtdrukken van de bloedvaten in de hals of het dichtdrukken van de keel die een aanmerkelijke kans op de dood door zuurstoftekort in de hersenen kan laten ontstaan. Aangeefster heeft niets verklaard over hoe lang het duurde. Zij is ook niet buiten bewustzijn geweest. Ook het ontstane letsel biedt geen duidelijke aanknopingspunten. Door de radioloog zijn bijvoorbeeld geen afwijkingen van de netvliezen in de ogen en in de neuskeelholte vastgesteld, die zouden kunnen passen bij een samendrukkende krachtsinwerking van enige tijd. De primair ten laste gelegde poging tot doodslag kan daarom niet worden bewezen. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het primair tenlastegelegde.
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of sprake is van een poging tot zware mishandeling.
In de hals bevinden zich kwetsbare delen van het lichaam zoals de luchtpijp, de zenuwen in het ruggenmerg, de nekwervels, het strottenhoofd, en het tongbeen. Op grond van het waargenomen letsel en de verklaring van aangeefster concludeert de rechtbank dat sprake is geweest van een aanzienlijke krachtsinwerking op die kwetsbare delen. Gelet op de kwetsbaarheid van die delen is de kans op zwaar lichamelijk letsel bij een dergelijke krachtsinwerking aanmerkelijk te noemen. Door zijn handelen heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen en heeft hij deze kans ook bewust aanvaard. De rechtbank acht dan ook de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
De rechtbank acht op basis van voornoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte aangeefster een duw heeft gegeven, waarna zij op de trap viel, hij aangeefster over de grond heeft gesleept en dat hij haar heeft geslagen tegen haar kaak. Aangeefster had hierdoor pijn en meerdere letsels. De rechtbank acht dan de tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Feit 1, subsidiair
hij op
of omstreeks5 januari 2026 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten zijn ex-partner, [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
een of meerdere malen,
- die [slachtoffer] met een vuist tegen de keel heeft geduwd
en/of de keel heeft dichtgeknepen,
-
die [slachtoffer] bij de keel heeft vastgepakt en/of vastgepakt heeft gehouden en/of
- de nek van die [slachtoffer] tussen de benen heeft geklemd en tegelijkertijd de bovenbenen heeft aangespannen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
hij op
of omstreeks5 januari 2026 te [plaats]
(zijn ex-partner
)[slachtoffer] heeft mishandeld, door
een of meerdere malen
- een duw tegen die [slachtoffer] te geven, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] tegen de trap is gevallen,
- die [slachtoffer] over de grond mee te slepen en
/of
- die [slachtoffer] op/tegen de kaak,
althans het gezicht,te slaan.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1, subsidiair:
poging tot zware mishandeling
feit 2:
mishandeling.

5.De strafbaarheid van de feiten / de verdachte

Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft met betrekking tot feit 1 een beroep op noodweer(exces) gedaan. Daartoe is aangevoerd dat aangeefster plotseling in de hand van verdachte beet en in zijn ballen kneep, waardoor verdachte zijn hand heeft teruggetrokken en zijn benen bij elkaar heeft gebracht om de aanranding te doen stoppen en erger te voorkomen.
De beoordeling door de rechtbank
Voor een succesvol beroep op noodweer is ten eerste vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of een anders lijf, eerbaarheid of goed. De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat juist verdachte de agressor is geweest waartegen aangeefster heeft geprobeerd zich te verdedigen. Het noodweerverweer wordt daarom verworpen.
De feiten zijn strafbaar en verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de feiten of de verdachte uitsluit.

6.De overwegingen ten aanzien van de straf en maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 100 dagen, waarvan 58 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk deel dienen de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd te worden verbonden, met als aanvulling een contactverbod met de dochter van aangeefster en verdachte, omdat Veilig Thuis (nog) niet betrokken is en het dochtertje ook bescherming verdient. De officier van justitie heeft gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Daarnaast heeft de officier van justitie een 38v-maatregel gevorderd, inhoudende een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor [plaats], voor de duur van
3 jaren. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze maatregel ook dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit een onvoorwaardelijke straf op te leggen van maximaal de duur van het voorarrest (42 dagen), eventueel aangevuld met een symbolisch voorwaardelijk deel. Verdachte wil vrij zijn en is bereid zich te houden aan de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd, behalve het gebiedsgebod, de enkelband en het contactverbod met zijn dochter. Ook verzoekt de verdediging, voor wat betreft een locatieverbod, verdachte toe te staan zich op de Provinciale weg Oost in [plaats] te bevinden, omdat dit een grote doorgaande weg is.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zijn ex-partner door met kracht zijn vuist tegen de keel van het slachtoffer te duwen en zijn bovenbenen met kracht om haar nek te klemmen. Ook heeft hij haar mishandeld door haar een duw te geven, waarna zij op de trap viel, haar over de grond te slepen en tegen haar kaak te slaan.
Het slachtoffer liep aan de geweldshandelingen meerdere verwondingen op, waaronder zwellingen in de hals en onderhuidse bloeduitstortingen onder de kaakrand, op de schouder, op beide bovenarmen, op de linker onderarm, op de rechterborst en op het linker onderbeen. Ook had zij oppervlakkige huidbeschadigingen op een vinger, wreef en enkel. Verdachte heeft hiermee de lichamelijke gezondheid en integriteit van het slachtoffer aangetast. Het had bovendien veel ernstiger voor het slachtoffer kunnen aflopen. Zij is in haar eigen huis door haar ex-partner aangevallen, een plek waar zij juist veilig zou moeten zijn. Uit de slachtofferverklaring blijkt ook dat de impact op het slachtoffer groot is. Zij heeft veel angst en ervaart nog dagelijks slapeloze nachten en herbelevingen.
Gelet op de aard en de ernst van de feiten kan niet anders dan worden volstaan met een gevangenisstraf.
Uit het strafblad van verdachte van 31 maart 2026 volgt dat verdachte in 2022 is veroordeeld voor een mishandeling en wederspannigheid. Er is dus sprake van recidive.
De reclassering schrijft in haar rapport van 26 maart 2026 dat verdachte bij zijn moeder woont, regelmatig bij vrienden verblijft en een WW-uitkering heeft. Riscofactoren ziet de reclassering met name op het gebied van psychosociaal functioneren en de houding van verdachte. Hij heeft geen hulpvragen en ondersteuning door de reclassering vindt verdachte niet nodig. Wel rapporteert de reclassering ook dat verdachte blijk geeft van enig inzicht in eigen functioneren en waar dit beter kan en dat verdachte wil werken aan een betere verstandhouding met het slachtoffer omdat hij zijn dochter graag wil blijven zien. Ondanks dat verdachte zelf geen hulpvraag heeft, wil hij daarom wel meewerken aan bijzondere voorwaarden, zoals een gedragsinterventie gericht op agressiebeheersing.
De reclassering adviseert een voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die thans ook aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zijn verbonden, met uitzondering van het locatiegebod.
Gelet op de ernst van de feiten, het gevaar wat verdachte hiermee heeft veroorzaakt en de impact van dit alles op het slachtoffer, zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen van 100 dagen, waarvan 58 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijk deel verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De rechtbank acht het van belang dat de elektronische monitoring de aankomende periode wordt gehandhaafd, omdat verdachte relatief kort in een schorsing loopt. De rechtbank bepaalt dat de tijd die verdachte nog elektronisch wordt gemonitord maximaal 6 maanden zal bedragen. Het locatieverbod zal zien op 300 meter rondom de woning van het slachtoffer.
De benadeelde partij en de officier van justitie hebben ook verzocht om een contactverbod met de dochter van het slachtoffer en verdachte. De rechtbank stelt vast dat het bewezenverklaarde handelen zich richt tegen het slachtoffer en niet tegen haar dochter. Daarom is er geen grondslag voor het opleggen van een contactverbod ter bescherming van de dochter. Het is daarbij ook niet aan de strafrechter om te beoordelen of het onthouden van contact van verdachte met zijn minderjarige dochter in het belang is van zijn dochter. Voor een dergelijke beoordeling, waarbij het belang van de minderjarige dochter voorop staat, leent het strafrecht zich niet. Er zal daarom wel een contactverbod met het slachtoffer worden opgelegd maar geen contactverbod met de minderjarige dochter.
Er is sprake van een ernstig feit en onbehandelde agressieproblematiek. Daarom moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdacht weer een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meerdere personen. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren. In verband daarmee zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven.
De rechtbank ziet geen reden om naast de bijzondere voorwaarden, mede inhoudende een contact- en locatieverbod, ook nog afzonderlijk een 38V-maatregel, inhoudende eenzelfde contact- en locatieverbod, op te leggen. Het is onvoldoende duidelijk geworden waarom het ter bescherming van de maatschappij noodzakelijk is om een 38V-maatregel op te leggen, terwijl middels een opgelegde bijzondere voorwaarde al wordt voorzien in een contact- en locatieverbod. Daar komt bij dat de reclassering geen rol kan spelen bij de tenuitvoerlegging van de 38V-maatregel.

7.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de bewezenverklaarde feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 222,97 aan materiële schade en € 2.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering tot immateriële schade niet-ontvankelijk worden moet verklaard dan wel dat de vordering fors moet worden gematigd. De vordering doet namelijk geen recht aan de werkelijke situatie en miskent de eigen schuld van de benadeelde partij.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De gevorderde schade bestaat uit kilometervergoeding en parkeerkosten gemaakt in het kader van de strafzaak. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
Door feiten 1 en 2 heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen, te weten zwellingen in de hals, onderhuidse bloeduitstortingen onder de kaakrand, op de schouder, bovenarmen, linker onderarm, rechterborst en het linker onderbeen, en oppervlakkige huidbeschadigingen op een vinger, wreef en enkel. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Het beroep op eigen schuld wordt verworpen. Dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend, kan gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen en beslist, immers niet worden vastgesteld.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat het ernstige geweldshandelingen betroffen in de woning van de benadeelde partij, waarbij de gevolgen voor haar nog ernstiger hadden kunnen zijn. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 2.000,- vaststellen.
Verdachte is vanaf 5 januari 2026 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair ten laste gelegde;
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
100 dagen;
  • bepaalt dat een
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
o verdachte zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
o verdachte deelneemt aan de gedragsinterventie BORG van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op agressiebeheersing, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
o verdachte, zolang de reclassering het noodzakelijk acht, op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [slachtoffer] geboren [geboortedatum 2] 1994, op dit moment woonachtig aan de [adres 2] in [plaats], tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact;
o verdachte, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, zich niet binnen een straal van 300 meter van de [adres 2], [postcode 2] in [plaats] zal bevinden. Verdachte werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht, met een maximale duur van 6 maanden. Verdachte verlaat Nederland niet zonder toestemming van de reclassering;
o verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
o verdachte meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van lijst II softdrugs. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
o indien tijdens het toezicht nodig wordt gevonden, dat verdachte meewerkt aan nader onderzoek gericht op zijn delictgedrag, persoonlijkheid en mogelijke beperkingen in zijn psychosociaal functioneren en/of houding. Hij werkt mee aan de daaruit voortkomende adviezen, ook als dit een behandeling inhoudt door een forensische zorgverlener en/of een gedragstraining, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener dan geeft voor de behandeling en/of de trainer wanneer het een gedragstraining betreft;
 stelt als overige voorwaarden dat verdachte;
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
 verklaart de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • veroordeelt verdachte in verband met het onder 1 subsidiair en onder 2 bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 2.222,97 aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 22 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.A.M. Janssen (voorzitter), mr. M.M. Klaasen en mr. R.M. Schoo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J. Schoen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 april 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026006826, gesloten op 12 maart 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], p. 6 en 7.
3.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 21.
4.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 53.
5.Forensisch-medische letselbeschrijving LOEFNFS2026-005 van 10 februari 2026, p. 39
6.Forensisch medische letselrapportage met benoeming door forensische arts dr. G. Reijnen van 25 maart 2026, p. 18 t/m 20.
7.De verklaring van dr. G. Reijnen afgelegd ter terechtzitting van 2 april 2026.