Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2997

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
ARN 25_4302
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22.1 OmgevingswetArt. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetArt. 8:69a Algemene wet bestuursrechtArt. 54.12 bestemmingsplan Kern Buren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling tijdelijke omgevingsvergunning kamergewijze verhuur voor vluchtelingen in eengezinswoning

De rechtbank Gelderland behandelde het beroep van omwonenden tegen een tijdelijke omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren. De vergunning betrof het gebruik van een eengezinswoning voor drie eenpersoonshuishoudens, specifiek voor de opvang van vluchtelingen met verblijfsvergunning.

Eisers voerden aan dat de vergunning in strijd was met het omgevingsplan, dat de woning oneigenlijk werd gebruikt en dat er sprake was van overlast door geluid, vuilnis en verkeersdrukte. De rechtbank oordeelde dat het college terecht gebruik heeft gemaakt van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid en dat het gebruik van de woning geen onevenredige aantasting van het woon- en leefmilieu oplevert. Ook was er geen sprake van onaanvaardbare verkeers- en parkeeroverlast.

De rechtbank wees erop dat de woning sinds november 2025 wordt gebruikt voor de huisvesting van drie vluchtelingen, en dat welzijnsorganisaties betrokken zijn bij het toezicht. Hoewel eisers overlast ervaarden, achtte de rechtbank dit onvoldoende voor vernietiging van de vergunning. Ook de betwisting over minimale woonoppervlakte faalde vanwege het relativiteitsvereiste.

Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de vergunning in stand blijft en eisers geen proceskostenvergoeding ontvangen. De uitspraak werd gedaan door rechter Verhoeven op 17 april 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de tijdelijke omgevingsvergunning voor kamergewijze verhuur wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4302

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres 1],

[eiseres 2],
[eiser 1],
[eiser 2],
[eiser 3],
[eiser 4],
[eiseres 3],
[eiser 5] en [eiseres 4],
[eiser 6],
[eiser 7] en [eiseres 5], en
[eiseres 6],
allen uit [plaats], eisers
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren

(gemachtigden: ing. G. Oostra en J.M.B. ter Berg).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Stichting KleurrijkWonen, gevestigd in Tiel, (gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de tijdelijke omgevingsvergunning tot 1 maart 2040 voor het gebruik van de woning aan de [locatie] in [plaats] voor drie eenpersoonshuishoudens. Eisers wonen in de omgeving en zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college een tijdelijke omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het kamergewijze gebruik van de woning. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of het college gebruik heeft kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Het college heeft op 27 februari 2025 de omgevingsvergunning verleend ten behoeve van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. [1]
2.1.
Bij beslissing van 28 augustus 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de omgevingsvergunning gebleven.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres 1] en haar partner [persoon A], [eiser 4], en [eiser 6] namens eisers, ing. G. Oostra en J.M.B. ter Berg namens het college, en [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] namens de derde-partij.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Het college heeft een tijdelijke omgevingsvergunning verleend om de woning tot 1 maart 2040 te gebruiken voor drie eenpersoonshuishoudens. Tijdens de zitting heeft de derde-partij toegelicht dat de woning sinds 26 november 2025 wordt gebruikt voor de huisvesting van drie vluchtelingen met een verblijfsvergunning, en met name voor alleenstaande mannen die een verzoek om gezinshereniging hebben gedaan. Het college heeft een taakstelling om vluchtelingen te huisvesten binnen de gemeente Buren. Eisers wonen in de directe omgeving van de woning en ervaren overlast.
Procesbelang
4. Op de zitting van de rechtbank is met partijen gesproken of allen die beroep hebben ingesteld als belanghebbende kunnen worden aangemerkt en of zij allen procesbelang hebben. Met partijen is besproken dat in ieder geval de direct naastgelegen buren van nummer [huisnummer] belanghebbend zijn en procesbelang hebben. Vaststaat dat eisers gezamenlijk één beroepschrift hebben ingediend. Om praktische overwegingen gaat de rechtbank daarom niet meer in op de belanghebbendheid en het procesbelang van de overige instellers van het beroep. [2]
4.1.
De rechtbank beoordeelt de omgevingsvergunning aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
Heeft het college gebruik kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid?
4.2.
Eisers betogen dat de omgevingsvergunning in strijd met het omgevingsplan is verleend, en dat de woning oneigenlijk wordt gebruikt bij splitsing. Ook betogen eisers dat er geen rekening wordt gehouden met de belangen van de omwonenden en dat er geen rekening is gehouden met het verkeersbesluit. Tijdens de zitting hebben eisers toegelicht dat zij met name overlast ervaren van geluid, opstootjes en vuilnis in de voortuin. Verder hebben zij toegelicht dat zij qua verkeer met name overlast ervaren van de drie auto’s van de drie bewoners die de parkeerdruk in de wijk opvoeren.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college op een goede manier gebruik heeft gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid van het bestaande gebruik van de woning als eengezinswoning. De beroepsgrond slaagt niet, en de rechtbank legt haar oordeel hierna uit.
Het omgevingsplan
4.4.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. [3] Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Vóór 1 januari 2024 was het bestemmingsplan “Kern Buren” (het bestemmingsplan) van kracht.
4.5.
Volgens het bestemmingsplan is het perceel van de woning bestemd voor “Wonen”, met dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 4”. Het perceel heeft een specifieke bouwaanduiding – bhr. Deze bouwaanduiding regelt dat woningen in de bouwwijze twee-aaneen of aaneengebouwd zijn toegestaan. Volgens artikel 29.1 onder d van de planregels is kamerverhuur enkel toegestaan als de gronden als zodanig zijn aangeduid. Volgens artikel 54.12 van de planregels kan het college afwijken van het bestaande gebruik ten behoeve van een andere functie als:
“f. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het woon- en leefmilieu;
g. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de verkeersveiligheid;
h. er geen onevenredige verkeers- en parkeeroverlast voor de omgeving ontstaat;
i. parkeren plaatsvindt op eigen terrein, tenzij aangetoond wordt dat er voldoende parkeergelegenheid is in de directe omgeving;
j. geen buitenopslag plaatsvindt.”
4.6.
Het college heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van het genoemde artikel 54.12 van de planregels om het gebruik van de eengezinswoning voor drie eenpersoonshuishoudens mogelijk te maken. De rechtbank toetst daarom of het college goed heeft afgewogen dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het woon- en leefmilieu en geen onevenredige verkeers- en parkeeroverlast voor de omgeving ontstaat.
Woon- en leefmilieu
4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college zich terecht op het standpunt dat het gebruik voor drie eenpersoonshuishoudens in de eengezinswoning geen onevenredige aantasting van het woon- en leefmilieu oplevert. Het college heeft voldoende toegelicht dat de woonfunctie en de ruimtelijke uitstraling van de woning ongewijzigd blijft en dat het aantal van drie eenpersoonshuishoudens het maximum is. De rechtbank oordeelt dat drie personen in de woning niet bovenmatig veel is en valt te vergelijken met het gebruik als eengezinswoning zoals het college ook heeft overwogen. In de nabije omgeving zijn geen vergelijkbare initiatieven. Daardoor is er geen sprake van een opeenstapeling van het kamergewijs gebruik van dit soort woningen. Ook is de welzijnsorganisatie Welzijn Rivierstroom betrokken bij het welzijn van de bewoners, en houdt de derde-partij toezicht op het wonen.
4.8.
De rechtbank begrijpt dat het voor eisers vervelend is dat zij overlast ervaren en naar eigen zeggen meldingen hebben gedaan die volgens hen niet zijn opgepakt. Daar staat tegenover dat de derde-partij stelt na 2 december 2025 geen meldingen meer ontvangen te hebben. Daar lijkt een misverstand te zijn ontstaan dat het beste opgelost kan worden door met elkaar in gesprek te gaan. De derde-partij heeft tijdens de zitting uitdrukkelijk aangegeven eventuele overlast te willen oplossen en toekomstige meldingen direct te behandelen.
Verkeers- en parkeeroverlast
4.9.
Wat betreft de verkeers- en parkeeroverlast stelt het college zich terecht op het standpunt dat er geen sprake is van een onaanvaardbare toename van verkeersbewegingen of parkeeroverlast door de kamergewijze huisvesting. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op het advies van de verkeerskundige. De verkeerskundige heeft geconcludeerd dat de verkeerssituatie vergelijkbaar is met de situatie dat de woning bewoond zou worden door een gemiddeld gezin met opgroeiende kinderen. Verder kan in de directe omgeving worden geparkeerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het advies van de verkeerskundige kunnen volgen. Dat eisers stellen dat de bewoners alle drie een auto zouden hebben, maakt het niet anders. Het college stelt terecht dat het ook in een gezin met kinderen kan zijn dat er meerdere auto’s bij één gezin horen. Gelet op de beperking van het aantal bewoners in de woning en het gegeven dat er geen vergelijkbaar gebruik van woningen in de directe omgeving is, oordeelt de rechtbank dat het college een goede afweging van de verkeerssituatie heeft gemaakt en heeft kunnen concluderen dat er voldoende parkeergelegenheid is in de directe omgeving.
Voldoet de woning aan de technische eisen van een minimale woonoppervlakte?
5. Eisers betogen dat de splitsing van de woning strijdig is met de technische eisen die gesteld worden aan de minimale woonoppervlakte.
5.1.
De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel, als deze regel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. [4]
5.2.
Voor zover het Besluit bouwwerken leefomgeving normen stelt voor de minimale vloeroppervlakte van woonruimtes, zijn die normen bedoeld om de gebruikers van de woonruimtes te beschermen. Eisers zijn geen eigenaar of gebruiker van de woning. De normen over de minimale woonoppervlakte strekken dus niet ter bescherming van de belangen van eisers. Het relativiteitsvereiste staat daarom in de weg aan deze beroepsgrond. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 54.12 van het bestemmingsplan “Kern Buren” dat van rechtswege onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan van de gemeente Buren.
2.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3080 onder 4.
3.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
4.Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht.