Uitspraak
1.De procedure
- het incidenteel vonnis van 22 oktober 2025,
- de conclusie van repliek in conventie,
- de conclusie van dupliek in conventie met producties 3 en 4,
- de conclusie van dupliek in reconventie.
2.De feiten
3.De verdere beoordeling
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Gelderland
Op 15 april 2024 leende de eiser een bedrag van €3.000 aan de gedaagde, met maandelijkse aflossingen van €500 vanaf augustus 2024. De gedaagde betaalde slechts €240 tussen maart en oktober 2025, waardoor een bedrag van €2.010 open bleef staan.
De gedaagde erkende haar betalingsachterstand maar voerde aan dat zij door het stopzetten van haar uitkering en lopende bezwaarprocedure tegen een WIA-uitkeringsafwijzing niet in staat was te betalen. De kantonrechter oordeelde dat betalingsonmacht binnen de risicosfeer van de gedaagde valt en haar betalingsverplichtingen niet opheft.
Verder stelde de gedaagde dat de eiser misbruik van procesrecht maakte door de procedure te starten ondanks haar financiële situatie, en dat de eiser in schuldeisersverzuim verkeerde. Deze verweren werden verworpen omdat de vordering gegrond was en de eiser geen belemmering vormde voor nakoming.
In reconventie vorderde de gedaagde een verbod op vermeende onrechtmatige uitlatingen van de eiser, maar kon dit onvoldoende onderbouwen. De kantonrechter wees deze vordering af.
De gedaagde werd veroordeeld tot betaling van €2.010 plus wettelijke rente en proceskosten, met het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van €2.010 plus wettelijke rente en proceskosten, met afwijzing van haar verweren en reconventionele vordering.