Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2992

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
11634810 \ CV EXPL 25-2725
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling geldlening ondanks betalingsonmacht en afwijzing misbruik van recht

Op 15 april 2024 leende de eiser een bedrag van €3.000 aan de gedaagde, met maandelijkse aflossingen van €500 vanaf augustus 2024. De gedaagde betaalde slechts €240 tussen maart en oktober 2025, waardoor een bedrag van €2.010 open bleef staan.

De gedaagde erkende haar betalingsachterstand maar voerde aan dat zij door het stopzetten van haar uitkering en lopende bezwaarprocedure tegen een WIA-uitkeringsafwijzing niet in staat was te betalen. De kantonrechter oordeelde dat betalingsonmacht binnen de risicosfeer van de gedaagde valt en haar betalingsverplichtingen niet opheft.

Verder stelde de gedaagde dat de eiser misbruik van procesrecht maakte door de procedure te starten ondanks haar financiële situatie, en dat de eiser in schuldeisersverzuim verkeerde. Deze verweren werden verworpen omdat de vordering gegrond was en de eiser geen belemmering vormde voor nakoming.

In reconventie vorderde de gedaagde een verbod op vermeende onrechtmatige uitlatingen van de eiser, maar kon dit onvoldoende onderbouwen. De kantonrechter wees deze vordering af.

De gedaagde werd veroordeeld tot betaling van €2.010 plus wettelijke rente en proceskosten, met het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van €2.010 plus wettelijke rente en proceskosten, met afwijzing van haar verweren en reconventionele vordering.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11634810 \ CV EXPL 25-2725
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[naam eiser in conventie / verweerder in reconventie],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de eiser in conventie] ,
gemachtigde: mr. P.J.C. Bolton,
tegen
[naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de gedaagde in conventie] ,
gemachtigde: mr. G.A.M.F. Galjé-Deckers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het incidenteel vonnis van 22 oktober 2025,
  • de conclusie van repliek in conventie,
  • de conclusie van dupliek in conventie met producties 3 en 4,
  • de conclusie van dupliek in reconventie.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
Op 15 april 2024 heeft [de eiser in conventie] een geldbedrag geleend aan [de gedaagde in conventie].
Partijen hebben de afspraken rondom de lening in een overeenkomst vastgelegd. In artikel 1.1. en artikel 4.1. van de overeenkomst is, voor zover relevant, het volgende vastgelegd:
“De Leninggever leent aan de Leningnemer het bedrag van € 3.000,00 (zegge: drieduizend), hierna: ‘de hoofdsom’ op 15 april 2024.”
“De Leningnemer is verplicht tegelijk met de rentebepaling op de hoofdsom een bedrag van 500,00 per maand af te lossen. Deze aflossing vindt voor het eerst plaats op de eerste dag van augustus 2024. De lening zal volledig zijn afgelost op 31 januari 2025.”
2.2.
Tussen september 2024 en december 2024 verzoekt [de eiser in conventie] meermaals om terugbetaling van de lening. In de periode tussen 25 maart 2025 tot en met 27 oktober 2025 betaalt [de gedaagde in conventie] vervolgens een bedrag van in totaal € 240,00 aan [de eiser in conventie] . Het overige bedrag van € 2.010,00 blijft echter onbetaald.

3.De verdere beoordeling

in conventie
De lening
3.1.
[de eiser in conventie] vordert dat [de gedaagde in conventie] wordt veroordeeld tot terugbetaling van het nog openstaande bedrag van € 2.250,00 van de geldlening. [de gedaagde in conventie] erkent dat zij in gebreke is gebleven met het terugbetalen van de lening. Hiermee is komen vast te staan dat zij niet aan de voor haar uit de overeenkomst van geldlening voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan. Dit betekent dat de vordering van [de eiser in conventie] in beginsel toewijsbaar is, tenzij de verweren van [de gedaagde in conventie] slagen.
3.2.
Ten eerste voert [de gedaagde in conventie] aan dat zij de lening graag wil terugbetalen maar dat zij hier momenteel niet toe in staat is. Er is sprake van betalingsonmacht doordat haar uitkering is gestopt. Tegen het besluit om haar aanvraag voor een WIA-uitkering af te wijzen loopt momenteel een bezwaarprocedure. Dat het onbetaald laten van de maandelijkse aflossingstermijn een gevolg is (geweest) van betalingsonmacht in plaats van onwil is, hoe vervelend ook, een omstandigheid die in de risicosfeer van [de gedaagde in conventie] ligt. Dat er sprake is van betalingsonmacht ontslaat haar daarom niet van haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van geldlening.
3.3.
Daarnaast voert [de gedaagde in conventie] aan dat [de eiser in conventie] misbruik van procesrecht maakt. Volgens [de gedaagde in conventie] is [de eiser in conventie] bewust de procedure gestart zodat zij een klacht kon indienen bij de modelleninstantie, terwijl zij wist van de financiële situatie van [de gedaagde in conventie] en dus dat zij in die zin niets heeft aan een veroordelend vonnis. Ook heeft [de gedaagde in conventie] meermaals haar wil om te betalen kenbaar gemaakt. Van misbruik van procesrecht is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad in beginsel pas sprake als het instellen van een vordering achterwege had moeten blijven vanwege de evidente ongegrondheid van die vordering of in verband met de betrokken belangen van de wederpartij. Voor het oordeel dat een partij misbruik maakt van haar procesbevoegdheid geldt dan ook een strenge maatstaf. [de gedaagde in conventie] erkent de gegrondheid van de vordering, zij erkent immers dat zij [de eiser in conventie] nog betaling verschuldigd is. Volgens [de gedaagde in conventie] mocht [de eiser in conventie] deze procedure desondanks niet voeren, omdat [de gedaagde in conventie] haar financiële situatie heeft uitgelegd en zij heeft toegezegd te betalen zodra dit mogelijk was. De genoemde omstandigheden brengen naar oordeel van de kantonrechter niet mee dat deze procedure overbodig, kansloos of ongegrond is. Het verweer van [de gedaagde in conventie] slaagt daarmee niet.
3.4.
Tot slot voert [de gedaagde in conventie] aan dat [de eiser in conventie] in schuldeisersverzuim verkeert. Door de acties van [de eiser in conventie] is [de gedaagde in conventie] in de put geraakt, waardoor zij momenteel niet kan werken. Hierdoor kan zij geen inkomsten genereren om de lening aan [de eiser in conventie] terug te betalen. De kantonrechter volgt [de gedaagde in conventie] daarin niet. Schuldeisersverzuim ziet op de situatie dat de nakoming van een overeenkomst verhinderd wordt, doordat de schuldeiser de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of er een ander beletsel voor nakoming opkomt van de zijde van de schuldeiser. In dit geval is het niet zo dat [de eiser in conventie] de betalingen van [de gedaagde in conventie] verhinderd, immers was er al langer sprake van betalingsonmacht. Volgens [de gedaagde in conventie] ligt de reden hiervoor bij het niet toekennen van een WIA-uitkering maar dit is niet een omstandigheid waar [de eiser in conventie] invloed op heeft. Uit het feit dat [de gedaagde in conventie] een aanvraag voor een WIA-uitkering heeft gedaan, vloeit ook voort dat zij dus al langere tijd niet in staat is om te werken en inkomsten te genereren. Het beroep op schuldeisersverzuim slaagt daarom niet.
3.5.
Nu de verweren van [de gedaagde in conventie] niet slagen, zal de kantonrechter de vordering tot terugbetaling van de lening toewijzen. Gelet op de betalingen die [de gedaagde in conventie] heeft gedaan in de periode van 27 maart 2025 tot en met 27 oktober 2025, wordt de vordering toegewezen tot een bedrag van € 2.010,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2025 tot de dag van volledige betaling.
in reconventie
Uitlatingen [de eiser in conventie]
3.6.
[de gedaagde in conventie] vordert dat het [de eiser in conventie] wordt verboden om verhalen over haar te verspreiden, op straffe van verbeurte van direct opeisbare boete van € 1.500,00 per overtreding. [de gedaagde in conventie] stelt daartoe dat [de eiser in conventie] uitlatingen over haar aan derden doet die onjuist zijn. Het gaat dan om uitlatingen richting personen in haar omgeving (zowel in persoon als op social media) maar ook uitlatingen richting de modelleninstantie.
Hierdoor wordt [de gedaagde in conventie] lastiggevallen en heeft de modelleninstantie besloten dat [de gedaagde in conventie] niet langer mee mag doen aan de verkiezingen en dat haar eerder verkregen titel wordt ingetrokken. [de eiser in conventie] ontkent uitdrukkelijk bemoeienis met het besluit van de modelleninstantie en voert aan dat er geenszins kwade opzet is in de afbeeldingen die op social media zijn geplaatst.
3.7.
Het is aan [de gedaagde in conventie] om gemotiveerd te stellen en zo nodig te bewijzen dat [de eiser in conventie] onrechtmatig uitlatingen over haar doet of heeft gedaan. Op 16 december 2024 heeft [de gedaagde in conventie] al eens per brief [de eiser in conventie] verzocht om te stoppen met het doen van uitlatingen. Ter nadere onderbouwing van haar stellingen overlegt [de gedaagde in conventie] de beslissing van de modelleninstantie en een aantal social media berichten van [de eiser in conventie] . De kantonrechter oordeelt dat [de gedaagde in conventie] haar vordering hiermee onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. Uit het overgelegde besluit van de modelleninstantie blijkt niet wie klachten bij hen heeft neergelegd, wel staat er dat het gaat om meerdere mensen. Of [de eiser in conventie] één van deze personen is geweest, kan niet worden vastgesteld. Dat de modelleninstantie de beslissing heeft genomen dat [de gedaagde in conventie] niet langer mag deelnemen en dat een eerdere titel wordt ingetrokken, is niet aan [de eiser in conventie] te verwijten. Zij maakt immers geen onderdeel uit van de modelleninstantie en het is onvoldoende duidelijk dat [de eiser in conventie] (onterecht) een klacht heeft neergelegd.
Mocht [de eiser in conventie] wel een melding hebben gemaakt, was zij in ieder geval niet de enige partij en reden voor de modelleninstantie om de genoemde beslissing te nemen. Wat betreft de social media berichten zijn deze suggestief en lijken deze te wijzen naar de situatie tussen partijen. Echter wordt nergens de naam van [de gedaagde in conventie] benoemd in de berichten en deze zijn daarmee onvoldoende om te kunnen spreken van onrechtmatige uitlatingen door [de eiser in conventie] . Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter de vordering van [de gedaagde in conventie] dan ook afwijzen.
in conventie en reconventie
De proceskosten
3.8.
[de gedaagde in conventie] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [de eiser in conventie] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [de gedaagde in conventie] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.
De proceskosten van [de eiser in conventie] in conventie worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
Totaal
632,50
De proceskosten van [de eiser in conventie] in reconventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
Totaal
434,00
Uitvoerbaar bij voorraad
3.9.
De veroordelingen in dit vonnis worden, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1.
veroordeelt [de gedaagde in conventie] tot betaling aan [de eiser in conventie] van € 2.010,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 19 maart 2025 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [de gedaagde in conventie] in de proceskosten van € 632,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [de gedaagde in conventie] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [de gedaagde in conventie] ook de kosten van betekening betalen,
4.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
4.4.
wijst de vorderingen van [de gedaagde in conventie] af,
4.5.
veroordeelt [de gedaagde in conventie] in de proceskosten van € 434,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en reconventie
4.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
68348 61525