Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2926

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
463292
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265e lid 1 sub b BWArt. 1:261 BWArt. 1:265d BWArt. 1:265h BWArt. 282 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gedeeltelijke gezagsuitoefening voor medische zorg en jeugd ggz bij uithuisgeplaatste minderjarige

De rechtbank Gelderland behandelde op 13 april 2026 het verzoek van Stichting Jeugdbescherming Gelderland (GI), vertegenwoordigd door het Landelijk Expertiseteam Jeugdbescherming (LET), om gedeeltelijke gezagsuitoefening over een negenjarige uithuisgeplaatste minderjarige te verkrijgen met betrekking tot medische behandelingen en specialistische jeugd ggz. De vader verzette zich tegen het verzoek en stelde onder meer dat het LET niet bevoegd was en dat er geen medische noodzaak bestond.

De rechtbank oordeelde dat het LET bevoegd en ontvankelijk was om namens de GI op te treden. Het zelfstandige tegenverzoek van de vader tot beëindiging van de ondertoezichtstelling en terugplaatsing werd niet in behandeling genomen wegens gebrek aan connexiteit met het verzoek van de GI.

De rechtbank stelde vast dat inschrijving bij huisarts en tandarts noodzakelijk is voor het verkrijgen van medische zorg en dat de overdracht van het medische dossier daaronder valt. Gezien de gedragsproblemen van de minderjarige en de noodzaak tot diagnostiek en mogelijke behandeling bij specialistische jeugd ggz, achtte de rechtbank gedeeltelijke gezagsuitoefening door de GI gerechtvaardigd.

De inbreuk op het gezag van de vader werd als proportioneel beoordeeld, mede vanwege diens weigering toestemming te geven en de onwenselijke ouderbetrokkenheid bij medische zorg. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het verzoek van de GI toegewezen voor de duur van de uithuisplaatsing.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot gedeeltelijke gezagsuitoefening toe en belast de GI met het gezag over medische behandelingen en jeugd ggz voor de duur van de uithuisplaatsing.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Arnhem
Zaaknummer: C/05/463292 / JE RK 26-184
Datum uitspraak: 13 april 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een gedeeltelijke gezagsuitoefening
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland(de GI),
gevestigd in Arnhem,
voor welke instelling het Landelijk Expertiseteam Jeugdbescherming (het LET JB, hierna
het LET) op dit moment is belast met de feitelijke uitvoering van de
beschermingsmaatregel,
over
[naam minderjarige zoon], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de zoon] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. F. van den Heuvel uit Arnhem,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
drs. [naam curator] , in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over [de zoon] en zijn zus [de dochter] ,
hierna te noemen: de bijzondere curator,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 februari 2026;
  • de volmacht van de GI aan het LET, ontvangen op 18 februari 2026;
  • het verweerschrift van de vader met bijlagen, ontvangen op 27 maart 2026.
1.2.
De zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 30 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de bijzondere curator;
- twee vertegenwoordigers van het LET.
1.3.
De rechtbank heeft [de zoon] naar zijn mening gevraagd. Hij heeft op 30 maart 2026 een gesprek gevoerd met de voorzitter en de griffier (via videobellen). Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [de zoon] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
De zaak is tijdens de zitting van 30 maart 2026 gelijktijdig behandeld met de zaken C/05/462563 / JE RK 26-112 en C/05/462575 / JE RK 26-113. Die zaken gaan over een verzoek gedeeltelijke gezagsuitoefening over [de dochter] , de zus van [de zoon] . Op die zaak heeft de rechtbank bij afzonderlijke beschikking van dezelfde datum beslist.
1.5.
De vader heeft op 30 maart 2026 direct na het sluiten van de mondelinge behandeling een wrakingsverzoek ingediend. Dit verzoek is door de wrakingskamer op
30 maart 2026 ter zitting behandeld. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek van de vader bij beslissing van 3 april 2026 afgewezen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de zoon] .
2.2.
[de zoon] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 11 januari 2024 is [de zoon] (na een eerdere ondertoezichtstelling die op 2 mei 2022 is geëindigd) opnieuw onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is telkens verlengd, voor het laatst bij beschikking van 9 januari 2026, tot 11 januari 2027.
2.4.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 23 september 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor [de zoon] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder tot 11 januari 2026. Bij beschikking van deze rechtbank van 9 januari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 11 juli 2026.

3.Het verzoek

3.1.
Het LET verzoekt - zoals ter zitting verduidelijkt - te bepalen dat het gezag over [de zoon] wordt uitgeoefend door de GI met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling. Het LET doet dit verzoek met betrekking tot de aanmelding bij een specialistische jeugd ggz, de daaruit volgende diagnostiek en indien geïndiceerd een (medicamenteuze) behandeling. Ook verzoekt het LET te bepalen dat het gezag over [de zoon] wordt uitgeoefend door de GI met betrekking tot de inschrijving bij de tandarts in de buurt van de groep, overdracht van het medische dossier, periodieke controles bij de tandarts en indien noodzakelijk behandeling. Tot slot verzoekt het LET te bepalen dat het gezag over [de zoon] wordt uitgeoefend door de GI met betrekking tot de inschrijving bij de huisarts in de buurt van de groep, overdracht van het medische dossier en - indien noodzakelijk - behandeling door de huisarts. Het LET verzoekt om te bevelen dat deze gedeeltelijke gezagstoekenning aan de GI aangetekend zal worden in het gezagsregister en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Het LET heeft het verzoek tijdens de zitting gehandhaafd en nader toegelicht. Sinds september vorig jaar is [de zoon] uithuisgeplaatst. Het LET acht het noodzakelijk dat [de zoon] bij de tandarts en huisarts in de buurt van de groep waar hij woont wordt ingeschreven. [de zoon] is nog niet bij de tandarts geweest sinds de uithuisplaatsing. Het LET vindt het noodzakelijk dat [de zoon] naar de tandarts en de huisarts kan. Het LET heeft geprobeerd dit met de vader te bespreken, maar de vader wilde geen toestemming geven. Ook is het noodzakelijk dat er diagnostiek volgt voor [de zoon] bij de jeugd ggz en dat er, indien geïndiceerd, een passende (medicamenteuze) behandeling volgt. Wederom kan dit alleen met toestemming van beide gezaghebbende ouders. De vader geeft deze toestemming niet. Deze noodzaak voor diagnostiek volgt uit het advies van de gedragswetenschapper van de groep van [de zoon] , maar volgt ook uit het feit dat [de zoon] lange tijd niet naar school is geweest en de gedragsproblemen die [de zoon] dagelijks laat zien op de groep. Het LET denkt dat deze gedragsproblemen te maken hebben met zijn emotieregulatie. [de zoon] wordt overweldigd door zijn emoties en het lukt hem onvoldoende om hier woorden aan te geven. [de zoon] heeft hier op de groep last van in relatie tot zijn groepsgenoten en de groepsleiding. Of en zo ja, welke behandeling noodzakelijk is, zal uit de diagnostiek moeten blijken.

4.De standpunten

De vader
4.1.
De vader heeft tijdens de zitting verweer gevoerd. De vader stelt zich allereerst op het standpunt dat het LET niet bevoegd is. Hij voert hiertoe aan dat op grond van de Jeugdwet de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel bij de GI is belegd en niet bij het LET. Het LET heeft niet kenbaar gemaakt op basis van welke wettelijke grondslag zij optreedt en of zij beschikt over een rechtsgeldig mandaat. Het mandaat dat door het LET is overgelegd is (te) algemeen van aard en volstaat daarom niet. Daarnaast heeft de vader opgeworpen dat als de GI formeel de verzoeker is, alle processtukken door de GI moeten worden ondertekend (hetgeen niet het geval is). De vader voert verder aan dat er geen wettelijke noodzaak is voor de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Er is geen sprake van een aantoonbare ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [de zoon] . Eventuele zorgen rechtvaardigen geen kinderbeschermingsmaatregel. De maatregelen zorgen er juist voor dat er aantoonbare schade is ontstaan, waaronder verstoring van de ouder-kindrelatie. Hij verzoekt de rechtbank dan ook de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing per direct te beëindigen en [de zoon] per direct bij hem terug te plaatsen. De vader heeft ten slotte aangevoerd dat er geen grond is voor gedeeltelijke gezagsoverheveling. Hij vindt dat de medische noodzaak ontbreekt. De vader heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij wel achter diagnostiek voor [de zoon] staat, maar dat deze plaats zal moeten vinden bij Karakter.
De moeder
4.2.
De moeder stemt in met de verzoeken van het LET. Zij vindt toewijzing van de verzoeken in het belang van [de zoon] . De moeder voegt hieraan toe dat in een eerdere gerechtelijke procedure ook al is bepaald dat er diagnostiek moet plaatsvinden bij [de zoon] . Die diagnostiek is nooit van de grond gekomen, omdat vader niet instemde. De noodzaak is voldoende vast komen te staan. Het verzoek dient daarom te worden toegewezen.
4.3.
De moeder heeft verder aangevoerd dat over de bevoegdheid van het LET al door de rechtbank is besloten. Wat betreft het verzoek van de vader dat ziet op de beëindiging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, wil de moeder in de gelegenheid worden gesteld hier adequaat verweer tegen te voeren mocht dit verzoek worden toegelaten.
De bijzondere curator
4.4.
De bijzondere curator heeft pas recent kennis gemaakt met de ouders en met [de zoon] . Hij heeft kort met [de zoon] gesproken over wat [de zoon] van het verzoek vond. [de zoon] heeft hem verteld dat als wordt besloten om de verzoeken toe te wijzen, [de zoon] ervan uitgaat dat hij dan niet snel terug naar huis kan.

5.De beoordeling

Ontvankelijkheid/bevoegdheid LET
5.1.
Door de vader wordt het standpunt ingenomen dat het LET niet bevoegd is om namens de GI op te treden, omdat een wettelijke grondslag en/of een rechtsgeldig mandaat ontbreekt. In de zaak omtrent de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing (die heeft geleid tot de beschikking van 9 januari 2026, C/05/459741 / JE RK 25-1188) heeft de vader dit verweer eveneens gevoerd. In de betreffende beschikking heeft de rechtbank (kort samengevat) overwogen dat er geen expliciete wettelijke grondslag vereist is voor de inschakeling van het LET voor de feitelijke uitvoering van de ondertoezichtstelling en dat het LET een rechtsgeldig door de GI verleende volmacht (en mandaat) had overgelegd. Gelet daarop is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het LET bevoegd was om de GI in rechte te vertegenwoordigen en er geen aanleiding bestond om het LET niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken. De rechtbank ziet in de onderhavige procedure geen aanleiding om hier anders over te oordelen en neemt deze overweging en beslissing dus over. De vader heeft ook niet uitgelegd op grond waarvan daarover anders geoordeeld zou moeten worden. Het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het LET, ook met betrekking tot het verzoek tot gedeeltelijke gezagsuitoefening, bevoegd is om namens de GI in deze procedure op te treden en dat zij ontvankelijk is in haar verzoek. De rechtbank gaat daarmee ook voorbij aan het standpunt van de vader dat de GI de verzoeken had moeten ondertekenen. De rechtbank komt dus toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Zelfstandig tegenverzoek beëindiging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing en directe terugplaatsing
5.2.
Door de vader is verzocht de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing te beëindigen en [de zoon] direct terug te plaatsen. Op grond van artikel 282 lid 4 Rv Pro mag een verweerschrift een zelfstandig verzoek bevatten, mits dit betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek. De rechtbank is van oordeel dat tussen de verzoeken van het LET en het verzoek van de vader onvoldoende connexiteit bestaat. Het verzoek van het LET heeft betrekking op de gedeeltelijke gezagsuitoefening voor een medische behandeling (artikel 1:265e BW), terwijl het verzoek van de vader betrekking heeft op de beëindiging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing (artikel 1:261 BW Pro en artikel 1:265d BW). Het zelfstandig verzoek van de vader wordt dan ook niet in behandeling genomen door de rechtbank.
Gedeeltelijke gezagsuitoefening
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat het gezag van de vader over [de zoon] gedeeltelijk wordt beperkt en in plaats daarvan wordt uitgeoefend door de GI (artikel 1:265e BW). De rechtbank wijst de verzoeken van het LET daarom toe. Dat betekent dat niet de vader, maar de GI tijdens de duur van de uithuisplaatsing bepaalde (hieronder gespecificeerde) beslissingen neemt over medische behandelingen voor [de zoon] . De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
Wettelijk kader
5.4.
De rechtbank kan op grond van artikel 1:265e lid 1 onder b BW op verzoek van de GI bepalen dat de GI gedeeltelijk het gezag van een ouder uitoefent over het geven van toestemming voor een medische behandeling als dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De rechtbank kan dit onder meer doen voor het geven van toestemming voor een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar of een minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Mede in het licht van artikel 8 EVRM Pro, waarin onder meer is bepaald dat een ieder recht heeft op eerbiediging van zijn privé- en familieleven, dient er daarom terughoudend met toepassing van artikel 1:265e BW worden omgegaan en zal er gekeken moeten worden of kan worden volstaan met minder ingrijpende alternatieven.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De door het LET verzochte gezagsoverheveling heeft niet alleen betrekking op medische behandelingen (in de zin van diagnostiek en eventuele behandelingen bij de ggz jeugdzorg en eventuele behandelingen bij de tandarts en huisarts), maar ook op de inschrijving van [de zoon] bij een tandarts en huisarts in de buurt van de groep van [de zoon] . Gelet daarop moet eerst worden vastgesteld of de verzochte toestemming voor inschrijving bij een tandarts of huisarts valt onder de reikwijdte van artikel 1:265e BW. In taalkundige zin is een inschrijving bij een huisarts of een tandarts geen medische behandeling, zoals bedoeld in artikel 1:265e BW. Bij een inschrijving kan echter wel gesteld worden dat een arts zich verbindt aan het geven van een medische behandeling in de toekomst aan de patiënt. Een inschrijving is daarmee een noodzakelijke voorwaarde om (in geval van reguliere medische zorg) tot een (langdurige) behandelrelatie te komen en medische behandelingen te kunnen geven en ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat pas zinvolle invulling aan artikel 1:265e BW kan worden gegeven als [de zoon] staat ingeschreven bij een tandarts en huisarts. De inschrijving bij de tandarts en de huisarts valt daarom naar het oordeel van de rechtbank onder de reikwijdte van artikel 1:265e BW. De rechtbank overweegt verder dat een huisarts en tandarts doorgaans sneller kunnen handelen en betere medische (basis) zorg kunnen leveren als de arts beschikt over het medische dossier van de patiënt. De rechtbank oordeelt daarom dat ook de overdracht van het medische dossier onder de reikwijdte van 1:265e BW valt.
5.6.
De rechtbank is van oordeel dat inschrijving van [de zoon] , een jongen van negen jaar oud, bij een tandarts in de buurt van zijn groep, overdracht van het medische dossier aan deze tandarts, de periodieke controles en indien nodig behandeling aan zijn gebit op dit moment noodzakelijk zijn om de ondertoezichtstelling goed uit te kunnen voeren. Daarnaast is het ook noodzakelijk dat [de zoon] wordt ingeschreven bij een huisarts in de buurt van de groep, dat het medische dossier wordt overgedragen aan deze huisarts en dat hij - indien nodig - wordt behandeld door de huisarts. Uit de stukken en de zitting is de rechtbank voldoende gebleken dat het noodzakelijk is dat [de zoon] wordt ingeschreven bij de tandarts en de huisarts in de buurt van zijn eigen woonomgeving zodat hij hier reguliere medische zorg kan ontvangen. Kinderen moeten periodiek naar de tandarts en - als er wat aan de hand is met hun gezondheid - naar een huisarts kunnen gaan voor het ontvangen van reguliere huisartsenzorg. [de zoon] is voor het laatst een half jaar geleden naar de tandarts geweest. Het is niet in belang van [de zoon] dat hij voor afspraken bij de tandarts of de huisarts naar de (omgeving van) de woonplaats van de vader moet reizen. Dit vergt niet alleen een behoorlijke reis voor [de zoon] , maar ook voor degene die hem moet brengen en ophalen. Voor de inschrijving bij de huisarts en de tandarts moeten beide ouders met gezag toestemming geven. Daarbij komt dat de vader vermoedelijk betrokken zal willen zijn bij eventuele controles en behandelingen bij de tandarts en huisarts bij hem in de buurt en die momenten waarschijnlijk zal aangrijpen om contact te zoeken met [de zoon] . Die betrokkenheid acht de rechtbank onwenselijk voor [de zoon] . De vader is zeer stellig in zijn overtuiging dat [de zoon] thuis moet wonen en de vader doet in dat verband zeer zorgelijke en dreigende uitspraken tegenover iedereen die bij de uithuisplaatsing betrokken is. Als [de zoon] naar de tandarts of de huisarts gaat, moet hij dit in alle rust kunnen doen en niet het risico lopen dat hij wordt belast met ouderproblematiek.
5.7.
Uit de stukken en de zitting is de rechtbank ook gebleken dat er een noodzaak bestaat dat [de zoon] zo spoedig mogelijk wordt behandeld voor zijn gedragsproblematiek. [de zoon] laat op de groep gedragsproblemen zien. Hij wordt overweldigd door zijn emoties en kan hier onvoldoende woorden aan geven. De gedragswetenschapper van de groep acht het noodzakelijk, gezien de mogelijke hechtings- en traumaproblematiek, dat specialistische ggz wordt ingezet. Om de juiste behandeling te starten dient eerst zicht te worden verkregen op het huidige functioneren van [de zoon] . De vader heeft de noodzaak voor diagnostiek niet betwist, maar weigert - ondanks meerdere pogingen van het LET om de vader het belang uit te leggen - toestemming te geven voor diagnostiek bij een andere jeugd ggz dan bij de vader in de buurt (Karakter). De rechtbank acht het daarom van belang dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI met betrekking tot de aanmelding van [de zoon] bij specialistische jeugd ggz, de daaruit volgende diagnostiek en indien geïndiceerd een (medicamenteuze) behandeling.
5.8.
De inbreuk die de verzochte maatregel maakt op het gezag van de vader is volgens de rechtbank gerechtvaardigd. In dit geval kan niet worden volstaan met een minder ingrijpende maatregel als bedoeld in artikel 1:265h BW. In dit geval is immers niet gesteld of gebleken dat er een concrete medische behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van [de zoon] af te wenden (zoals vereist voor toepassing van artikel 1:265h BW). Het is bovendien in het belang van [de zoon] dat na diagnostiek bij de jeugd ggz voortvarend gehandeld kan worden ten aanzien van een vervolgbehandeling (indien dat nodig blijkt). De vader is zeer uitgesproken in zijn stelling dat hij nergens aan zal meewerken en het is onwenselijk als de GI voor elke vervolgstap vervangende toestemming aan de rechtbank zou moeten verzoeken. Kortom: artikel 1:265e BW is in deze omstandigheden de meest passende wettelijke grondslag voor het verzoek van het LET.
Conclusie
5.9.
De rechtbank is - gelet op het voorgaande - van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat de GI gedeeltelijk wordt belast met het gezag over [de zoon] met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling voor de duur van de uithuisplaatsing (artikel 1:265e BW). De gedeeltelijke gezagsuitoefening heeft betrekking op de aanmelding van [de zoon] bij specialistische jeugd ggz, de daaropvolgende diagnostiek en indien geïndiceerd een (medicamenteuze) behandeling. De gedeeltelijke gezagsuitoefening heeft daarnaast betrekking op de inschrijving bij de tandarts in de buurt van de groep, overdracht van het medische dossier aan deze tandarts, de periodieke controles en behandeling van het gebit van [de zoon] indien noodzakelijk. Tot slot heeft het betrekking op de inschrijving bij de huisarts in de buurt van de groep, overdracht van het medische dossier aan deze huisarts en indien noodzakelijk behandeling. De inbreuk die deze maatregel maakt op het gezag van de vader is naar het oordeel van de rechtbank gerechtvaardigd, gelet op het belang van [de zoon] hierbij.
5.10.
Aangezien overheidsingrijpen als gezagsoverheveling niet verder dan strikt noodzakelijk is kan worden toegewezen en de moeder volledig instemt met de koers van de GI, zal de kinderrechter alleen ten aanzien van de gezagsuitoefening door de vader het verzoek toewijzen.
5.11.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1] Een apart verzoek daarvoor is niet nodig. Daarom wijst de rechtbank het verzoek van het LET op dit punt af.
5.12.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
belast Stichting Jeugdbescherming Gelderland met het gezag over [de zoon] (voor zover dat wordt uitgeoefend door de vader) met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling voor de duur van de uithuisplaatsing, te weten voor:
- de aanmelding bij specialistische jeugd ggz, de daaropvolgende diagnostiek en indien geïndiceerd een (medicamenteuze) behandeling;
- de inschrijving bij de tandarts in de buurt van de groep, overdracht van het medische dossier aan deze tandarts, periodieke controles en indien noodzakelijk behandeling;
- de inschrijving bij de huisarts in de buurt van de groep, overdracht van het medische dossier aan deze huisarts en indien noodzakelijk behandeling;
6.2.
verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Raat (voorzitter), A.E.H. Bovy en C.H. Kan, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.