Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2831

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
12071534
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tankstation wegens niet-betaling brandstof door bestuurder, niet kentekenhouder aansprakelijk

SODA trad op namens een tankstation en vorderde betaling van € 257,30 van de kentekenhouder van een auto waarvan de bestuurder zonder te betalen brandstof had getankt. De kentekenhouder betwistte aansprakelijkheid omdat zij niet de bestuurder was, maar haar zoon, die de NAW-gegevens tijdig had doorgegeven en de betaling zou regelen.

De rechtbank oordeelde dat er geen overeenkomst tussen het tankstation en de kentekenhouder was, omdat de zoon de bestuurder was. Ook was er geen onrechtmatige daad van de kentekenhouder, aangezien zij de gegevens van de bestuurder tijdig had verstrekt. SODA kon onvoldoende aantonen dat de schade het gevolg was van het handelen van de kentekenhouder.

Daarom werden de vorderingen, inclusief rente en incassokosten, afgewezen. SODA werd veroordeeld in de proceskosten van € 50,00. De uitspraak bevestigt dat de kentekenhouder niet aansprakelijk is voor wanbetaling door een andere bestuurder mits tijdige gegevensverstrekking.

Uitkomst: De vorderingen van SODA worden afgewezen omdat de kentekenhouder niet aansprakelijk is voor de niet-betaalde brandstof door de bestuurder.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 12071534 \ CV EXPL 26-272
Vonnis van 10 april 2026
in de zaak van
STICHTING SERVICEORGANISATIE DIRECTE AANSPRAKELIJKHEID (SODA), VOORHEEN GENAAMD STICHTING OVERLASTDONATIE AMSTERDAM (SODA),
te Amersfoort,
eisende partij,
hierna te noemen: SODA,
gemachtigde: Yards Deurwaardersdiensten BV,
tegen
[naam gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Hierna is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.

2.De feiten

2.1.
SODA verricht diensten tot het beperken van schade ten gevolge van onder meer wanprestatie en onrechtmatige gedragingen en treedt in gerechtelijke procedures op namens benadeelden. Dit doet zij onder meer voor houders van tankstations.
2.2.
In deze hoedanigheid treedt SODA op namens tankstation [tankstation] in [vestigingsplaats] (hierna: het tankstation).
2.3.
Op 5 september 2024 heeft de bestuurder van de auto met kenteken [kentekennummer] bij het tankstation getankt voor een totaalbedrag van € 75,04. Dit bedrag is niet betaald aan de kassa.
2.3.
De auto met kenteken [kentekennummer] staat op naam van [de gedaagde] .
2.4.
Het tankstation heeft haar vordering ter incasso overgedragen aan SODA (cessie).

3.Het geschil

3.1.
SODA vordert – samengevat – dat de kantonrechter [de gedaagde] primair en subsidiair veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 257,30 (hoofdsom van € 206,04, rente tot 19 augustus 2025 van € 11,26 en een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten) en meer subsidiair tot betaling van een bedrag aan schade dat de kantonrechter redelijk acht. Ook vordert SODA rente over de hoofdsom vanaf 19 augustus 2025 en de veroordeling van [de gedaagde] in de proceskosten en nakosten.
3.2.
SODA legt aan de primaire vordering ten grondslag dat [de gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten is in de verplichting om meteen te betalen voor de afgenomen brandstof. Subsidiair legt SODA aan de vordering ten grondslag dat [de gedaagde] onrechtmatig tegenover het tankstation heeft gehandeld door zonder te betalen het tankstation te verlaten. Daardoor heeft het tankstation schade geleden die [de gedaagde] moet vergoeden, aldus SODA. De hoofdsom van € 206,04 bestaat uit directe schade van € 75,04 voor de afgenomen brandstof en een forfaitair bedrag aan vermogensschade van € 131,00. De rente over de hoofdsom moet [de gedaagde] betalen, omdat ze te laat is met het vergoeden van de schade. Verder is [de gedaagde] € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd, omdat zij moest worden aangemaand, aldus SODA.
3.3.
[de gedaagde] betwist de vordering van SODA. Zij erkent dat de bestuurder van haar auto bij het tankstation heeft getankt zonder te betalen, maar zij betwist dat zij dat was. De man op de foto’s die SODA heeft overgelegd is haar zoon. Omdat haar zoon geen geld had om de benzine te betalen, heeft hij bij de kassa zijn NAW-gegevens achtergelaten. Dit volgt volgens [de gedaagde] ook uit het beeldmateriaal dat SODA in haar bezit heeft. Daarnaast hebben [de gedaagde] en haar zoon beiden contact opgenomen met de deurwaarder om de NAW-gegevens (van haar zoon) door te geven. Haar zoon zou de betaling regelen. Volgens [de gedaagde] is de wanbetaling van haar zoon niet haar verantwoordelijkheid. Daarnaast is [de gedaagde] het niet eens met de bijkomende kosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen [de gedaagde] en het tankstation is geen overeenkomst tot stand gekomen, omdat niet [de gedaagde] , maar haar zoon met haar auto heeft getankt. De vordering kan dus niet worden toegewezen op de primaire grondslag.
4.2.
SODA wordt ook niet gevolgd in haar (subsidiaire) standpunt dat [de gedaagde] als kentekenhouder uit hoofde van onrechtmatige daad verantwoordelijk is voor de schade omdat zij de gegevens van de bestuurder niet tijdig bekend heeft gemaakt. Vast staat dat [de gedaagde] in ieder geval bij conclusie van dupliek de NAW-gegevens van haar zoon heeft doorgegeven. Van aansprakelijkheid van [de gedaagde] kan in dat verband pas sprake zijn als deze handelwijze (het laat verstrekken van de gegevens van de bestuurder) als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Daargelaten of dit het geval is – SODA heeft in dit verband gewezen op eerdere rechtspraak waarin een vergelijking is gemaakt met artikel 181 van Pro de Wegenverkeerswet – geldt dat de door SODA gestelde schade ook het gevolg moet zijn van deze (onrechtmatige) handelwijze van [de gedaagde] . Dat heeft SODA onvoldoende over het voetlicht weten te brengen. SODA heeft niet gesteld dat het voor haar op basis van de door [de gedaagde] uiteindelijk verschafte gegevens niet mogelijk is om de bestuurder van de auto te traceren, zodat er vanuit wordt gegaan dat dit voor SODA wél mogelijk is en SODA dus de feitelijk bestuurder van de auto alsnog kan aanspreken tot betaling van de benzine en andere kosten. Bovendien is onweersproken gebleven dat de bestuurder zich na het tanken bij de kassa heeft gemeld, zoals ook blijkt uit de door SODA in het geding gebrachte foto’s. Weliswaar verschillen partijen van mening over de reden waarom de bestuurder dat heeft gedaan. Volgens SODA vertelde deze persoon dat hij niet kon betalen, had hij een grote mond tegen de kassamedewerker en is hij vervolgens vertrokken zonder te betalen (productie 2 bij dagvaarding). Volgens [de gedaagde] heeft haar zoon bij de kassa wat spullen en zijn adresgegevens achtergelaten. Wat hier ook van zij, het tankstation had de bestuurder toen in ieder geval kunnen vragen om zijn persoonsgegevens en hem vervolgens een rekening kunnen sturen. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat de schade (het onbetaald blijven van de tankrekening met bijkomende kosten) het gevolg is van het handelen van [de gedaagde] . Zij is hiervoor dan ook niet aansprakelijk. De subsidiaire vordering wordt om die reden ook afgewezen. De kantonrechter ziet daarnaast ook geen grondslag voor toekenning van een redelijk schadebedrag (meer subsidiaire vordering).
4.3.
Omdat de door SODA gevorderde hoofdsom wordt afgewezen, worden de nevenvorderingen ook afgewezen.
4.4.
SODA wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de gedaagde] worden begroot op:
- verletkosten
50,00
Totaal
50,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van SODA af,
5.2.
veroordeelt SODA in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als SODA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op
10 april 2026.
62956/560