Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2819

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
ARN 25/1661
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 5.2 planregels uitwerkingsplanArt. 8.0a BklArt. 22.1 OwArt. 4.6 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning voor weegbruggen milieustraat

De zaak betreft een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Elburg voor het realiseren van twee weegbruggen op een milieustraat op een bedrijventerrein. Omringende bedrijven, gevestigd nabij de milieustraat, hebben beroep ingesteld tegen deze vergunning. De rechtbank beoordeelt of het college de vergunning terecht heeft verleend als buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ondanks strijdigheid met het bestemmingsplan.

Het college had aanvankelijk een binnenplanse vergunning verleend, maar na bezwaar van eisers en advies van de commissie bezwaarschriften werd deze herroepen en vervangen door een vergunning op grond van het toetsingskader voor buitenplanse activiteiten. Het college motiveerde dat de weegbruggen noodzakelijk zijn voor een objectieve afrekening van afvalstromen en dat het belang van de gemeente en haar inwoners zwaarder weegt dan de planologische regels.

Eisers voerden aan dat de vergunning niet mogelijk is zonder wijziging van het bestemmingsplan en dat de bouwregels imperatief zijn. De rechtbank oordeelt dat het college beleidsruimte heeft om belangen af te wegen en dat de vergunning niet onevenredig nadelig is. Eisers hebben hun betoog onvoldoende onderbouwd. De rechtbank concludeert dat het college de vergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen en verklaart het beroep ongegrond. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de weegbruggen wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1661

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] U.A.;

[eiser 1] B.V.;
[eiser 2] B.V.;
[eiser 3] B.V.;
[eiser 4] B.V.;
[eiser 5] B.V.;
[eiser 6] B.V.,
allen gevestigd in [plaats], eisers
(gemachtigde: mr. L. Bolier),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Elburg

(gemachtigden: mr. A. van der Werf en P. Seitz).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de gemeente Elburg

(gemachtigde: mr. A. Weelink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van twee weegbruggen in de milieustraat [naam milieustraat] in [plaats]. Eisers zijn het niet met die vergunning eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Het beroep is ongegrond en eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft op 29 augustus 2024 aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van twee weegbruggen. Met de beslissing op bezwaar van 18 maart 2025 is het bezwaar van eisers gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en een nieuwe vergunning (op een andere grondslag) verleend.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen dit nieuwe besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. [1] Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van het college en de gemachtigde van de derde-partij. Namens eisers was niemand op de zitting aanwezig. De gemachtigde van eisers heeft de rechtbank kort voorafgaand aan de zitting bericht dat hij niet zou verschijnen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. De derde-partij heeft op het bedrijventerrein, aan de [locatie] in [plaats], [2] de milieustraat [naam milieustraat] (hierna: de milieustraat) gerealiseerd. Deze is met ingang van 1 januari 2025 operationeel. In dat kader heeft de derde-partij voor het realiseren van twee weegbruggen een vergunning aangevraagd voor de omgevingsplanactiviteit [3] en voor de technische bouwactiviteit. [4] In eerste instantie heeft het college het bouwplan als een binnenplanse omgevingsplanactiviteit op 29 augustus 2024 vergund. In de beslissing van 18 maart 2025 heeft het college het bezwaar van eisers gegrond verklaard. In navolging van het advies van de commissie heeft het college geconcludeerd dat het realiseren van de weegbruggen niet binnenplans vergund kon worden. Het college heeft het primaire besluit daarom herroepen en op grond van het toetsingskader voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) een nieuwe vergunning verleend.
3.1.
Eisers, die allemaal gevestigd zijn op het bedrijventerrein in de directe omgeving van de milieustraat, zijn het niet eens met deze vergunning. Hun beroep richt zich alleen tegen de vergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
3.2.
De derde-partij heeft in haar reactie naar voren gebracht dat de gemeente een zorgplicht heeft als het gaat om het inzamelen van huishoudelijk afval. De milieustraat is onderdeel van de gehele afvalinzamelstructuur van de gemeente. Als uitgangspunt geldt dat de afrekening van de aangevoerde afval/grondstoffen betaald moet worden door degene die het afval aanlevert. Dat gebeurt op basis van gewicht om een en ander zo eerlijk mogelijk te laten verlopen. Om dit objectief te kunnen toepassen zijn weegbruggen dus noodzakelijk. Het belang van eisers weegt niet op tegen het belang van de gemeente en haar inwoners bij een goed functionerende voorziening.
Wettelijk kader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente vanaf dat moment direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. [5] Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden alsook de bestemmingsplannen die na 2024 zijn vastgesteld, maar waarvan het ontwerp vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd.
4.1.
Voor het perceel [locatie] in [plaats] was voor 1 januari 2024 het uitwerkingsplan ‘[naam bestemmingsplan]’ (hierna: het bestemmingsplan) van kracht. Dit plan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Elburg (hierna: het omgevingsplan). Volgens het omgevingsplan geldt op het perceel de bestemming ‘Bedrijventerrein’.
4.2.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow) is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt onder meer een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan.
4.3.
Artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit Kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.4.
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een bouwplan dat niet vergund kan worden met een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. De weegbrug kent een ondergrondse component die niet enkel als fundering is aan te wijzen maar die integraal onderdeel uitmaakt van het bouwwerk; zodoende is het bouwwerk in strijd met artikel 5.2 van de planregels van het uitwerkingsplan ‘[naam bestemmingsplan]’ waarin is bepaald dat ondergrondse bouwwerken niet zijn toegestaan. Het geschil ziet dus op de vraag of het college de realisatie van de twee weegbruggen als buitenplanse omgevingsplanactiviteit heeft kunnen vergunnen.
Heeft het college in redelijkheid de omgevingsvergunning kunnen verlenen?
5. Eisers stellen dat het realiseren van twee weegbruggen niet als buitenplanse omgevingsplanactiviteit vergund had kunnen worden. Zij betogen dat sprake is van imperatief geformuleerde bouwregels in het bestemmingsplan [6] die daaraan in de weg staan, omdat het perceel waarop de milieustraat zich bevindt groter is dan is toegestaan en niet voldoet aan het minimale bebouwingsvereiste. Afwijking is volgens eisers niet eerder mogelijk dan na aanpassing van het bestemmingsplan.
5.1.
De vraag die in het kader van deze procedure moet worden beantwoord, is of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toestaan van twee weegbruggen voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de gronden of de besluitvorming in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van de verleende omgevingsvergunning onevenredig zijn in verhouding tot de met de omgevingsvergunning te dienen doelen. [7]
5.2.
De rechtbank stelt vast dat het college in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties heeft besloten dat het belang van de derde-partij, dat gelegen is in het realiseren van de weegbruggen en het gebruik hiervan, zwaarder weegt dan het vasthouden aan de vastgestelde planologische kaders van het omgevingsplan. Daarbij heeft het college, door het advies van de commissie bezwaarschriften over te nemen, meerdere aspecten meegewogen, zoals het bestaan van een onherroepelijke omgevingsvergunning voor de milieustraat, de verwachting dat het ondergrondse deel van de weegbrug zodanig beperkt is dat de waterhuishouding niet verstoord zal raken, het gegeven dat de weegbruggen worden ingepast in het bestaande stratensysteem op het terrein en dat het gebruik van de weegbruggen niet leidt tot uitstoot van schadelijke stoffen of extra geluidsbelasting.
5.3.
De rechtbank stelt daarnaast vast dat eisers weliswaar betogen dat een vergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit niet kan worden verleend, maar dat zij dit betoog op geen enkele manier toelichten of nader onderbouwen. De enkele zin die eisers hier in het beroepschrift aan wijden, namelijk:
“De vraag is echter of dat kon worden ‘opgelost’ via een buitenplanse afwijkings-procedure. Cliënten menen van niet.”
is onvoldoende voor het oordeel dat de besluitvorming niet in overeenstemming is met het recht. Het college heeft de omgevingsvergunning mogen verlenen.
5.4.
Het betoog van eisers dat er niet eerder een vergunning kan worden verleend dan nadat het bestemmingsplan is gewijzigd, in de zin dat de bouwregels uit artikel 3.2.1 onder b en onder c, van de planregels daar niet meer aan in de weg kunnen staan, slaagt niet. Daargelaten de vraag of deze bouwregels in de onderhavige situatie van toepassing zijn, oordeelt de rechtbank dat niet valt in te zien waarom het bestemmingsplan eerst gewijzigd zou moeten worden. Een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is juist bedoeld om van strijdige planregels in een omgevingsplan af te mogen wijken. Omdat de rechtbank hiervoor heeft overwogen dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen, is de noodzaak voor aanpassing van bestaande planregels dus niet aanwezig.
Voor zover eisers menen dat de milieustraat zelf in strijd is met het omgevingsplan, valt dat buiten de omvang van dit geding omdat dat een kwestie van handhaving is.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op de zitting is ook het beroep van eisers tegen een omgevingsvergunning voor het plaatsen van hekwerken en het realiseren van een in- en uitweg bij de milieustraat (zaaknummer ARN 25/1158) behandeld. Hierin doet de rechtbank apart uitspraak.
2.Kadastraal bekend als gemeente Elburg, sectie [sectie] nummer [nummer].
3.Als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
4.Als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
5.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
6.Artikel 3.2.1 aanhef en onder c en d, van de planregels van het bestemmingsplan
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5429.