Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2817

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
465155 KG RK 26-303 / 465364 KG RK 26-327 /465366 KG RK 26-328
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters wegens vermeende partijdigheid en procesbeslissing

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen drie rechters van de rechtbank Gelderland, stellende dat de rechtbank partijdig zou zijn en de wet niet zou hebben gediend. Het verzoek betrof meerdere zaken en was mede gebaseerd op het feit dat een aanhoudingsverzoek van verzoeker was geweigerd, waardoor hij onvoldoende gelegenheid zou hebben gehad om processtukken te laten bestuderen.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoeker toegelicht dat het wrakingsverzoek niet persoonlijk tegen de rechters was gericht, maar voortkwam uit zijn frustraties over het procesverloop. De rechters hebben het verzoek afgewezen en toegelicht dat een procesbeslissing, zoals het weigeren van een aanhoudingsverzoek, geen grond kan zijn voor wraking.

De wrakingskamer heeft geoordeeld dat er geen concrete feiten zijn die wijzen op vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De rechters hebben verzoeker voldoende gelegenheid gegeven zijn standpunten toe te lichten en de complexiteit van de zaken rechtvaardigt het uitstellen van een mondelinge uitspraak.

Daarom is het wrakingsverzoek afgewezen en is tegen deze beslissing geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens gebrek aan objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid en omdat het verzoek betrekking heeft op een procesbeslissing.

Uitspraak

beslissing
RECHTBANK GELDERLAND, locatie Arnhem
Wrakingskamer
zaaknummer: 465155 KG RK 26-303 / 465364 KG RK 26-327 /
465366 KG RK 26-328
Beslissing van 3 april 2026
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
wonende te [woonplaats]
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. R. Raat, mr. A.E.H. Bovy en mr. C.H. Kan
rechters in deze rechtbank
hierna te noemen: de rechters.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal van 30 maart 2026 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
  • de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 30 maart 2026.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
  • verzoeker;
  • de rechters.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de zaken:
C/05/463292 / JE RK 26-184, C/05/462563 / JE RK 26-112 en C/05/462575 / JE RK 26-113.
2.2.
Verzoeker heeft volgens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Verzoeker vindt dat de rechtbank partijdig is en de wet niet heeft gediend. Verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling in de bodemzaak om aanhouding gevraagd zodat alle bij de zaak betrokken partijen de door hem ingediende processtukken (grondig) konden lezen, maar zijn verzoek om aanhouding is geweigerd. Verzoeker heeft dit verzoek na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting gedaan. Verzoeker is van mening dat de ontvankelijkheid en de juridische noodzaak van de verzoeken tot gedeeltelijke gezagsoverheveling onvoldoende zijn getoetst.
2.3.
De rechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben mondeling op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna, voor zover nodig, besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en dat moet doen zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
Verzoeker heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat zijn wrakingsverzoek niet persoonlijk tegen de rechters bedoeld is, maar dat zijn verzoek met name voortvloeit uit de door hem ervaren onmacht en frustraties over het verloop van het gehele proces en de daarbij betrokken instanties.
3.3.
Hierin kan echter geen grond voor wraking van de rechters worden gevonden.
3.4.
Voor zover verzoeker zijn verzoek heeft gegrond op de beslissing van de rechters om zijn aanhoudingsverzoek af te wijzen, constateert de wrakingskamer dat sprake is van een procesbeslissing van de rechters. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat een procesbeslissing als zodanig nooit een grond kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is. Het is dus niet aan de wrakingskamer om te beoordelen of de rechters terecht het aanhoudingsverzoek hebben afgewezen en of de rechters daarbij de door verzoeker genoemde omstandigheden goed hebben meegewogen. Ook voor de motivering van een procesbeslissing geldt in het algemeen dat dit geen grond kan zijn voor wraking. Dit kan alleen anders zijn als de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid. Naar het oordeel van de wrakingskamer is daar geen sprake van.
3.5.
Verzoeker heeft ten slotte toegelicht dat hij vreest dat niet (afdoende) op zijn verweer wordt ingegaan of dat dit onvoldoende wordt meegewogen. De wrakingskamer ziet voor deze vrees geen aanknopingspunten. De rechters hebben toegelicht dat de mondelinge behandeling 90 minuten heeft geduurd en dat verzoeker voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn stellingen (nader) toe te lichten. Daarnaast hebben de rechters toegelicht dat zij hebben afgezien van een mondelinge uitspraak omdat, zoals ook in het proces-verbaal staat, de zaken juridisch complex zijn en er van de kant van verzoeker verschillende verweren zijn aangevoerd waarover de rechters nog moeten nadenken voordat zij op de inhoud van de geschillen beslissen. Omdat dus geen concrete feiten zijn gebleken waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechters of de objectief gerechtvaardigde vrees kan afleiden, wordt het verzoek afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. I.D. Jacobs, voorzitter, mr. S. Boot en mr. M. van Harten, leden in tegenwoordigheid van de griffier [...] en in openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. M. van Harten op 3 april 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.