Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2814

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
12000820
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:672 lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opzegtermijn bij oproepovereenkomst met minimale arbeidsduur onvoldoende bepaald

Werkneemster trad in februari 2024 in dienst bij Het Kuikentje op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die meerdere malen werd verlengd, waarbij de laatste een oproepovereenkomst betrof met een minimale maandelijkse arbeidsduur van 91 uur. In augustus 2025 werd deze minimale arbeidsduur schriftelijk bevestigd, maar een maximale arbeidsduur of andere opzegtermijn werd niet vastgelegd.

Werkneemster zegde haar arbeidsovereenkomst op 9 oktober 2025 mondeling op en bevestigde dit per e-mail, waarbij zij uitging van een opzegtermijn van vier dagen conform artikel 7:672 lid 5 BW Pro. Werkgever stelde dat de opzegtermijn twee maanden bedroeg conform de toepasselijke cao en sommeerde een schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging.

De kantonrechter oordeelde dat de omvang van de arbeid onvoldoende was bepaald, waardoor het oproepkarakter van de overeenkomst bleef bestaan en de wettelijke opzegtermijn van vier dagen van toepassing was. Werkneemster had de arbeidsovereenkomst derhalve rechtsgeldig en regelmatig opgezegd. Het verzoek van werkgever tot vergoeding wegens onregelmatige opzegging werd afgewezen en werkgever werd veroordeeld tot terugbetaling van het ingehouden bedrag op de eindafrekening en tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Werkneemster heeft de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig opgezegd met een opzegtermijn van vier dagen; het verzoek van werkgever tot schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: 12000820 \ HA VERZ 25-191
Beschikking van 25 maart 2026
in de zaak van
HET KUIKENTJE FACILITAIR B.V.
gevestigd te Arnhem
verzoekende partij
hierna te noemen: Het Kuikentje
gemachtigde: mr. A.O.C.A. van Schravendijk
tegen
[naam verweerder]
wonende te [woonplaats]
verwerende partij
hierna te noemen: [de verweerder]
procederend in persoon

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties van 3 december 2025;
- het verweerschrift, met nevenverzoeken en producties van 22 januari 2026;
- de mondelinge behandeling van 4 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is nader bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[de verweerder] treedt op 5 februari 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 1 mei 2024 in dienst van Het Kuikentje in de functie van groepshulp.
2.2.
Op de overeenkomst is de CAO Kinderopvang van toepassing. In artikel 3.7 lid 4 staat een tussentijds opzegbeding opgenomen met een opzegtermijn van twee maanden.
2.3.
De eerste overeenkomst wordt verlengd voor bepaalde tijd tot 1 januari 2025.
2.4.
Daarna wordt de overeenkomst verlengd tot 1 januari 2026. Deze overeenkomst is een oproepovereenkomst.
2.5.
In een stuk genaamd “wijziging arbeidsovereenkomst”, gedateerd 30 juni 2025 en ondertekend door beide partijen staat het volgende:
Naar aanleiding van het behalen van jouw diploma heb je ons verzocht om jouw arbeidsovereenkomst te wijzigen. Hierbij ontvang je de schriftelijke bevestiging van de gemaakte afspraken. Jouw arbeidsovereenkomst wordt aangepast zoals hieronder:
 Met ingang van 01-06-2025 wordt jouw functie gewijzigd in pedagogisch medewerker. Dit betreft een wijziging in artikelen 1.1 en 1.2 van de arbeidsovereenkomst;
 Met ingang van 01-06-2025 zal jouw bruto uurloon € 16,52 bedragen. Dit betreft een wijziging in artikel 2.1.
Overige artikelen van je arbeidsovereenkomst blijven ongewijzigd.
2.6.
In een stuk genaamd “wijziging arbeidsovereenkomst”, gedateerd 28 augustus 2025 en ondertekend door beide partijen staat het volgende:
Zoals afgesproken ontvang je hierbij de schriftelijke bevestiging van de gemaakte afspraken. Jouw arbeidsovereenkomst wordt aangepast zoals hieronder:
1. Met ingang van 01-09-2025 tot het einde van je huidige arbeidsovereenkomst per 01-01-2026 garanderen we je een minimale maandelijkse arbeidsduur van 91 uur;
2. Eventuele verlof of ziekte uren in genoemde periode bij 1 zullen met de 91 uur per maand meetellen;
3. Je wordt op het kinderdagverblijf en op de buitenschoolse opvang van Kinderopvang Het Kuikentje op maandag, dinsdag en donderdag op alle groepen als flexkracht ingezet;
Overige artikelen van je arbeidsovereenkomst blijven ongewijzigd.
2.7.
Op 30 september 2025 vraagt [de verweerder] aan Het Kuikentje haar een werkgeversverklaring te verstrekken in het kader van een hypotheekaanvraag.
2.8.
In de werkgeversverklaring van 1 oktober 2025 staat het vakje
“nee, geen voortgezet of vernieuwd dienstverband”aangekruist bij de vraag
“Wordt bij gelijkblijvend functioneren en ongewijzigde bedrijfsomstandigheden de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij beëindiging daarvan opgevolgd door een voortgezette of vernieuwde arbeidsovereenkomst?”
2.9.
In de begeleidende e-mail waarbij de werkgeversverklaring aan [de verweerder] is gestuurd staat:
Zoals mondeling toegelicht aan jou en ook aan jou man aan de telefoon, kunnen we geen intentieverklaring geven dat je huidige tijdelijke arbeidsovereenkomst verlengd gaat worden naar een vast contract per 1 januari. Als we dit doen zoals jij en jouw man hebben verzocht en wij jou binnen twee maanden toch geen contractsverlenging bieden, dan is het aannemelijk dat wij hiermee fraude plegen, want het is niet aannemelijk dat de bedrijfsomstandigheden en/of jouw functioneren binnen zo’n korte periode zullen wijzigen.
Onze beslissing betreft het aanzeggen van je huidige tijdelijke arbeidsovereenkomst is echter nog niet genomen. We hebben je eerder al verteld dat wij eind november dit gaan doen.
2.10.
Bij e-mail van 6 oktober 2025 schrijft [de verweerder] dat zij de werkgeversverklaring niet kan gebruiken voor een hypotheekaanvraag omdat “er eigenlijk zwart op wit staat dat zij ontslagen gaat worden/niet verlengd gaat worden”. [de verweerder] schrijft verder dat zij hier graag over gebeld wil worden.
2.11.
Op 9 oktober 2025 zegt [de verweerder] haar arbeidsovereenkomst mondeling op. Bij e-mail van 10 oktober 2025 bevestigt zij dit:
Jammer dat het gesprek gisteren zo is gelopen en dit niet op een respectvolle manier konden worden afgesloten.
Zoals ik al meerdere keren heb aangegeven is een werkgeversverklaring voor mij nu erg belangrijk en daarom heb ik er, zoals gisteren ook aangegeven, voor gekozen om te stoppen bij Het Kuikentje.
Omdat ik een oproepcontract heb, en dus 4 dagen opzegtermijn, heb ik gisteren mijn laatste dag gehad.
Ik wil daarom per direct mijn ontslag indienen.
2.12.
Op de eindafrekening heeft Het Kuikentje een bedrag van € 2.154,65 in mindering gebracht. Bij begeleidende brief van 27 oktober 2025 schrijft de gemachtigde van Het Kuikentje dat [de verweerder] bij de opzegging niet de juiste opzegtermijn heeft gehanteerd. [de verweerder] moet om die reden een schadevergoeding betalen ter hoogte van het loon over de correcte opzegtermijn van 31 december 2025. Een bedrag van € 2.154,65 verrekent Het Kuikentje bij eindafrekening. Voor het bedrag van € 2.188,70 sommeert Het Kuikentje [de verweerder] tot betaling daarvan over te gaan.
2.13.
Bij e-mail van 15 november 2025 schrijft [de verweerder] dat haar opzegtermijn 4 dagen is en verzoekt zij tot uitbetaling van het openstaande loon.
2.14.
Nadien hebben partijen nog geprobeerd er in der minne uit te komen, maar dat is niet gelukt.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Het Kuikentje verzoekt, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, dat de kantonrechter:
voor recht verklaart dat [de verweerder] de arbeidsovereenkomst met Het Kuikentje op 10 oktober 2025 onregelmatig heeft opgezegd door geen of een te korte opzegtermijn in acht te nemen;
voor recht te verklaart dat [de verweerder] door haar onregelmatige opzegging een vergoeding aan Het Kuikentje verschuldigd is geworden van € 4.343,35;
voor recht te verklaart dat de door Het Kuikentje toegepaste verrekening met het nettobedrag van de eindafrekening effect heeft gesorteerd, waardoor zij niets meer aan [de verweerder] verschuldigd is;
[de verweerder] veroordeelt tot betaling binnen twee dagen na deze beschikking aan Het Kuikentje van een bedrag van € 2.188,70, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 oktober 2025 tot aan de dag van volledige betaling;
met veroordeling van [de verweerder] in de kosten van dit geding.
3.2.
Aan het verzoek heeft Het Kuikentje - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat [de verweerder] de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd door niet de juiste opzegtermijn te hanteren.
3.3.
[de verweerder] voert aan dat zij een oproepovereenkomst had en daarom een opzegtermijn van 4 dagen had. Zij heeft de arbeidsovereenkomst regelmatig opgezegd en stelt de volgende nevenverzoeken in:
- voor recht verklaring dat geen sprake is van een onregelmatige opzegging;
- voor recht verklaring dat [de verweerder] geen schadevergoeding is verschuldigd, dan wel de schadevergoeding te matigen;
- te bepalen dat aan [de verweerder] een billijke schadevergoeding wordt toegekend;
- Het Kuikentje te veroordelen tot uitbetaling van het ingehouden en niet verrekende loon, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- Het Kuikentje te veroordelen in de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen staat vast dat [de verweerder] haar arbeidsovereenkomst heeft willen opzeggen. De vraag die partijen verdeeld houdt is tegen welke opzegtermijn dit had gemoeten.
4.2.
Het Kuikentje stelt dat [de verweerder] de arbeidsovereenkomst op grond van de toepasselijke cao tussentijds had kunnen opzeggen met inachtneming van de opzegtermijn van twee maanden tegen 1 januari 2026. Door slechts een opzegtermijn van 4 dagen te hanteren heeft zij de overeenkomst onregelmatig opgezegd.
4.3.
[de verweerder] voert aan dat zij als oproepkracht werkte en dus een opzegtermijn heeft van 4 dagen. Bij de wijziging van 28 augustus 2025 ging zij ervan uit dat de overige bepalingen in de arbeidsovereenkomst in stand bleven en dat zij een opzegtermijn van 4 dagen had. Het Kuikentje heeft nooit een andere opzegtermijn benoemd. Ook heeft Het Kuikentje na de opzegging door [de verweerder] niet gereageerd. Het Kuikentje heeft [de verweerder] uit het rooster gehaald en haar een eindafrekening gestuurd. [de verweerder] mocht er daarom redelijkerwijs van uitgaan dat Het Kuikentje instemde met de opzegging.
4.4.
De kantonrechter stelt voorop dat opzegging een eenzijdige rechtshandeling is waarbij instemming van de wederpartij niet is vereist. Tijdens het gesprek op 9 oktober 2025 heeft [de verweerder] dan ook rechtsgeldig haar arbeidsovereenkomst opgezegd. De kantonrechter overweegt vervolgens als volgt.
4.5.
[de verweerder] doet terecht een beroep op artikel 7:672 lid 5 BW Pro. Op 28 augustus 2025 hebben partijen slechts een minimale maandelijkse arbeidsduur afgesproken, maar geen maximale. De omvang van de arbeid is daarom onvoldoende bepaald. Daarmee is het oproepkarakter van de overeenkomst – in tegenstelling tot wat Het Kuikentje stelt – niet komen te vervallen. In de arbeidsovereenkomst of de cao is verder ook geen opzegbeding voor oproepovereenkomsten opgenomen. [de verweerder] is dus terecht uitgegaan van een opzegtermijn van 4 dagen en heeft op 9 oktober 2025 haar arbeidsovereenkomst mogen opzeggen tegen 13 oktober 2025. De verzoeken van Het Kuikentje zijn daarom niet toewijsbaar en zullen worden afgewezen. Nu geen sprake is van een onregelmatige opzegging wordt het verzoek van [de verweerder] om een verklaring voor recht te geven op dat punt toegewezen.
4.6.
Ook het verzoek van [de verweerder] om voor recht te verklaren dat zij geen vergoeding wegens onregelmatige opzegging verschuldigd is wordt toegewezen. In dat kader heeft Het Kuikentje ten onrechte een vergoeding van € 2.154,65 ingehouden op de eindafrekening en zal daarom worden veroordeeld om dit bedrag aan [de verweerder] te betalen.
4.7.
Voor zover [de verweerder] heeft bedoeld een billijke vergoeding te verzoeken, wordt dit verzoek afgewezen, omdat voor toewijzing daarvoor geen grondslag aanwezig is.
4.8.
Het Kuikentje is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de verweerder] worden begroot op:
- verletkosten
50,00
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
158,50

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat [de verweerder] de arbeidsovereenkomst met Het Kuikentje niet onregelmatig heeft opgezegd;
5.2.
verklaart voor recht dat [de verweerder] geen vergoeding wegens onregelmatige opzegging aan Het Kuikentje is verschuldigd;
5.3.
veroordeelt Het Kuikentje tot betaling aan [de verweerder] van een bedrag van € 2.154,65 bruto;
5.4.
veroordeelt Het Kuikentje in de proceskosten van € 158,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Het Kuikentje niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.M. van Breevoort en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.