Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2795

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
26/1559
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 3:4 AwbArt. 3a OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 11a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens drugshandel niet evenredig

De burgemeester van Barneveld legde op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op tot sluiting van de woning van verzoekster voor drie maanden vanwege drugshandel in en vanuit de woning. De politie trof aanzienlijke hoeveelheden soft- en harddrugs aan, evenals aanwijzingen voor handel en overlast.

Verzoekster maakte bezwaar tegen de sluiting en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was en dat sluiting een geschikt en noodzakelijk middel is om de openbare orde te herstellen. Echter, gezien de persoonlijke en medische omstandigheden van verzoekster, waaronder ernstige psychische klachten en het risico op suïcide, is de maatregel niet evenredig.

De rechter stelde vast dat verzoekster niet betrokken was bij de drugshandel en dat de burgemeester onvoldoende had gemotiveerd dat de sluiting in deze omstandigheden evenredig is. Daarom werd het besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekster.

Uitkomst: Het besluit tot sluiting van de woning wordt geschorst wegens onvoldoende evenredigheid gezien de persoonlijke omstandigheden van verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/1559

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. A.J.C.M. de Graaff),
en

de burgemeester van Barneveld

(gemachtigde: mr. C.J. Tempelman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de last onder bestuursdwang van 17 maart 2026 tot sluiting van de woning aan de [locatie 1] in [plaats] voor de duur van drie maanden. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen. Zij voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat de burgemeester de woning niet mag sluiten. Dat is de reden om het verzoek toe te wijzen en het bestreden besluit te schorsen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
Hierna schetst de voorzieningenrechter eerst het procesverloop (onder 2) en de voorgeschiedenis (onder 3). Na de weergave van het toetsingskader (onder 4), beoordeelt hij de bevoegdheid (onder 4), de toepassing van de beleidsregels (onder 6) en de evenredigheid (onder 8). Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Bij besluit van 17 maart 2026 heeft de burgemeester besloten om op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Opiumwet, de woning aan de [locatie 1] in [plaats] voor de duur van drie maanden te sluiten, ingaande 31 maart 2026 om 10.00 uur.
2.1.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
2.2.
De burgemeester heeft de sluiting opgeschort tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster met haar gemachtigde en de gemachtigde van de burgemeester.

Voorgeschiedenis

3. Verzoekster huurt een woning aan de [locatie 1] in [plaats] van Woningstichting Barneveld.
3.1.
Op 12 december 2025 is naar aanleiding van meldingen over drugs in de woning van verzoekster een volgactie opgezet door de politie. Politiemedewerkers zagen een man de woning van verzoekster betreden en zes minuten later op de fiets vertrekken. De politiemedewerkers zijn de man gevolgd en hebben hem een stopteken gegeven. Hij liet hierna een gripzakje met 1,1 gram hasj en een gripzakje met 2,1 gram hennep zien. Politiemedewerkers zagen hierna de handelaar (ex-partner van verzoekster) de woning verlaten en op een scooter vertrekken richting [locatie 2]. De ex-partner stopte en maakte contact met twee personen. Hij overhandigde iets aan een van de personen en kreeg iets terug overhandigd. De politie heeft deze twee personen aangesproken en zij lieten een gripzakje met 7 gram hasj zien.
3.1.1.
Na deze twee heterdaad deals heeft de politie de woning van verzoekster betreden. De politie heeft het navolgende aangetroffen.
In de keukenkast in meerdere glazen potten:
- 91,8 gram hennep;
- 14 gram hasj in gripzakjes;
- 75 lege gripzakjes.
In het heuptasje van de ex-partner:
  • 37,8 gram hasj;
  • 7,2 gram hennep in 7 gripzakjes;
  • 14 gram hennep in 7 gripzakjes;
  • 15 stuks plastic, die worden gebruikt als verpakkingsmateriaal van drugs.
In de portemonnee van de ex-partner:
  • € 175,- contact geld;
  • 2,3 gram cocaïne in 5 kleine ponypacks;
  • 1,1 gram cocaïne in 2 grote ponypacks.
In de rugzak van de ex-partner:
  • 2,5 gram cocaïne in 5 grote ponypacks;
  • 1,4 gram cocaïne in 4 kleine ponypacks;
  • 10,1 gram hasj met 5 gripzakjes;
  • 200 vetvrije papiertjes;
  • 28 gripzakjes;
  • 1 weegschaal.
Bij de ex-partner werd 4,1 gram hasj aangetroffen in een transparant doosje. Ook had hij
twee telefoons in zijn bezit. Op de privé telefoon trof de politie berichten aan over de
(heterdaad) deal op het [locatie 2] op 12 december 2025. Op de zakelijke telefoon
werden diverse dealberichten aangetroffen. Deze telefoons zijn inbeslaggenomen.
3.1.2.
Binnen in de woning waren naast de ex-partner nog vier mannen aanwezig. Twee van deze personen hadden een wikkel met harddrugs (cocaïne) bij zich. Daarna kwam ook verzoekster ter plaatse.
3.1.3.
De woning van de ex-partner aan het [locatie 2] is ook binnengetreden en doorzocht. Hier trof de politie geen drugs aan, maar wel zaken die verband houden met de
handel in drugs, zoals wapens en illegaal zwaar vuurwerk.
3.1.4.
De aangetroffen middelen zijn door de politie gewogen en nader onderzocht. Hierbij zijn de middelen door de politie onder meer indicatief getest. Uit het onderzoek van de politie bleek dat er in de woning van verzoekster een totale hoeveelheid van 113 gram hennep, een totale hoeveelheid van 66 gram hasj en een totale hoeveelheid
van 7,3 gram cocaïne aanwezig was. Hennep en hasj komen voor op lijst 2 van de Opiumwet. Cocaïne komt voor op lijst 1 van de Opiumwet. De politie concludeert daarom dat er op 12 december 2025 in de woning aan de [locatie 1] te [plaats] een ruime handelshoeveelheid van 179 gram softdrugs en 7,3 gram harddrugs aanwezig was.
De ex-partner heeft verklaard dat de drugs die zijn gevonden in de woning van verzoekster van hem zijn. Hij verklaart dat hij de drugs in de woning heeft liggen omdat hij overdag altijd in deze woning verblijft.
3.1.5.
Daarnaast heeft de politie diverse verklaringen en constateringen die wijzen op een langere periode van handel in drugs direct vanuit de woning van verzoekster en in [plaats] via het vervoer op de grijze scooter van de handelaar. Ook is het de politie eerder
gebleken dat de ex-partner elke dag tussen ongeveer 12:00 en 20:00 uur in de woning van verzoekster verblijft. Hij komt met de scooter die hij bij de woning parkeert. In deze tijdsperiode zijn er korte momenten waarop hij de woning verlaat op de scooter en weer terugkomt.
3.2.
Op 12 januari 2026 heeft de burgemeester van de politie een bestuurlijke rapportage ontvangen waarin de onder 3.1 vermelde informatie is opgenomen.
3.3.
Op 12 februari 2026 heeft de burgemeester een voornemen tot oplegging van een last onder bestuursdwang, inhoudende de sluiting van de woning gestuurd. Verzoekster heeft op 19 februari 2026 een mondelinge zienswijze gegeven. Daarna heeft de burgemeester bij bestreden besluit de last onder bestuursdwang opgelegd.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
4. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat
daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a
voorhanden is.
4.1.
De burgemeester heeft beleidsregels “Damoclesbeleid gemeente Barneveld” voor de toepassing van deze bevoegdheid vastgesteld.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan?
5. De burgemeester heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, omdat er sprake is van een overtreding van de Opiumwet. Verzoekster betwist niet dat de burgemeester bevoegd is om over te gaan tot sluiting van de woning.
Heeft de burgemeester gehandeld in overeenstemming met zijn beleidsregels?
6. De bevoegdheid, geregeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, biedt de burgemeester beleidsruimte. Dit betekent dat het aan de burgemeester is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om van de bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik te maken. Het is aan de bestuursrechter om te toetsen of de burgemeester na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten.
6.1.
De burgemeester hanteert beleid bij het toepassen van zijn bevoegdheden op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet (zie onder 4.2). Het gaat hier om een eerste overtreding van de Opiumwet. Er is zowel soft- als harddrugs in de woning aangetroffen. Volgens deze beleidsregels kan bij overtreding van de Opiumwet de woning voor de duur van drie maanden worden gesloten. Bij verzwarende omstandigheden kan een langere duur worden opgelegd. De burgemeester heeft in het bestreden besluit gemotiveerd waarom er in dit geval sprake is van een ernstig geval (de hoeveelheid aangetroffen drugs, de bekendheid van de woning als drugspand, drugshandel in en vanuit de woning, overlast vanuit de woning, vermoeden dat betrokkenen verkeren in kringen van personen met antecedenten ten aanzien van de Opiumwet of de Wet Wapens en Munitie). De burgemeester was van plan om de woning voor de duur van zes maanden te sluiten, maar heeft de sluiting van de woning beperkt tot drie maanden vanwege de persoonlijke omstandigheden van verzoekster. Deze duur is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd en past binnen de beleidsregels.
Is de sluiting voor de duur van drie maanden evenredig?
7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de evenredigheidstoets is neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit dat artikel volgt dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Uit vaste rechtspraak volgt dat de factoren geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid een rol kunnen spelen bij de toetsing van een besluit aan de norm van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. [1] Verzoekster voert in de kern aan dat sluiting gelet op het tijdsverloop geen geschikt middel meer is, de noodzaak om te sluiten ontbreekt en dat de sluiting niet evenwichtig is.
De voorzieningenrechter betrekt daarom de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van de maatregel bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. De voorzieningenrechter bespreekt dee aspecten afzonderlijk van elkaar.
Is de sluiting een geschikt middel?
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sluiting van de woning een geschikt middel is om het doel, te weten herstel van de openbare orde en het wegnemen van bekendheid van de woning in het drugscircuit, te bereiken. Tussen de doorzoeking op 12 december 2025 en het bestreden besluit van 17 maart 2026 zit enige tijd, maar deze tijd is niet zo lang dat sluiting redelijkerwijs niet meer kan bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een sluiting worden gediend. Dat de ex-partner de toegang tot de woning is ontzegd, maakt dit niet anders.
Is de sluiting noodzakelijk?
9. Verzoekster stelt dat sluiting van de woning niet noodzakelijk is voor de bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Er is geen sprake geweest van loop naar de woning, de woning staat niet bekend als drugspand en de woning houdt geen verband met het criminele milieu. Er zijn geen incidenten op of bij de woning geweest die daar aanleiding voor geven. Bovendien heeft de ex-partner geen toegang meer tot de woning van verzoekster.
9.1.
Dit betoog slaagt niet. De burgemeester mocht het in dit geval noodzakelijk vinden om de woning voor een periode van drie maanden te sluiten. De aangetroffen hoeveelheid drugs en (drugs)materialen en de meldingen van loop/overlast zijn voldoende om een dergelijke maatregel in te zetten om de openbare orde te herstellen. Er is daarmee sprake van een ernstige situatie, waardoor de burgemeester het aannemelijk mocht vinden dat de woning een schakel vormt binnen het drugscircuit. Dat er geen activiteiten meer zijn waargenomen sinds de doorzoeking leidt niet zonder meer tot de conclusie dat de situatie is genormaliseerd. Door een zichtbare sluiting voor een periode van drie maanden wordt een signaal richting buitenwereld gegeven en kan de openbare orde worden hersteld en de rust terugkeren. Gelet op de aard, hoeveelheid en ernst van situatie met betrekking tot de aangetroffen hoeveelheid drugs, de aangetroffen (drugs)materialen, de aannemelijkheid van de rol van de woning binnen het criminele circuit, de openbare orde en veiligheid, heeft de burgemeester een tijdelijke sluiting van drie maanden noodzakelijk mogen vinden.
Is de sluiting evenwichtig?
10. Verzoekster voert aan dat zij niet op de hoogte was van de drugs in de woning en de handel in drugs door de ex-partner. Zij woont al meer dan 20 jaar in deze woning en er zijn nooit incidenten geweest. Daarnaast voert zij aan dat zij naast ernstige lichamelijke klachten (astma, COPD en fibromyalgie) ook ernstige psychische klachten heeft. Op zitting heeft zij toegelicht dat zij depressieve klachten heeft en regelmatig aan suïcide denkt. Een sluiting van haar woning zal niet alleen haar re-integratietraject doorkruizen, maar ook haar gezondheidssituatie ernstig verslechteren.
10.1.
Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt kan stellen dat sluiting noodzakelijk is, moet hij zich er vervolgens van vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als die duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer naar het pand terug te keren. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
10.1.1.
Bij een sluiting van een woning is het onvermijdelijk dat een bewoner de woning tijdelijk moet verlaten of dat de eigenaar tijdelijk niet de beschikking heeft over de woning. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Dat wordt anders als de betrokkene een bijzondere binding heeft met de woning, bijvoorbeeld om medische redenen. Daarbij gaat het niet om een binding met de omgeving van de woning, maar specifiek om een binding met de woning zelf. [2]
10.2.
Het betoog van verzoekster slaagt. Uit de overgelegde stukken en wat op de zitting is besproken, is voldoende gebleken dat verzoekster zelf niet betrokken was bij de drugshandel. Daar zijn geen aanwijzingen voor. De drugs is aangetroffen in de spullen van de ex-partner en in de potten in het keukenkastje boven de afzuigkap. Verzoekster heeft toegelicht dat zij dit kastje niet goed kan openen en er niet in kan kijken. Daarnaast komt het de voorzieningenrechter voor dat verzoekster een beperkt vermogen heeft om te doorzien wat er gebeurt en daarop in te grijpen. Als er al sprake is van verwijtbaarheid, dan is dat een sterk verminderde verwijtbaarheid. Positief is dat verzoekster haar ex-partner inmiddels de toegang tot de woning heeft ontzegd, maar van belang is dat zij dit ook blijft doen.
10.2.1.
Het is niet in geschil dat er bij verzoekster sprake is van medische omstandigheden. Op zitting is echter naar voren gekomen dat de psychische problematiek van verzoekster wellicht (veel) groter is dan nu door de burgemeester is onderkend. In dat kader is ook het risico op suïcide aan de orde gekomen. Op dit moment is er nog onvoldoende duidelijkheid over deze klachten en over de risico’s bij een sluiting van de woning. Dat zijn aspecten die in de beslissing op bezwaar moeten worden meegenomen. Daarbij is het aan verzoekster om deze psychische problematiek meer te onderbouwen.
10.2.2.
Verder speelt dat de gevolgen van een sluiting van de woning voor verzoekster verder reiken dan drie maanden. Op de zitting is aan de orde geweest dat er een reële kans is dat de woningstichting de huurovereenkomst buitengerechtelijk zal ontbinden en dat verzoekster op een zwarte lijst komt te staan. Zij heeft op dit moment geen concreet zicht op alternatieve woonruimte en heeft daar ook de financiële middelen niet voor. Ook dit aspect zal in de beslissing op bezwaar meegenomen moeten worden, mede gelet op de geschetste psychische problematiek.
Wat betekent dit voor de evenredigheid van de sluiting?
11. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd dat een sluiting van de woning in de gegeven omstandigheden evenredig is. Het bezwaar heeft daarom een redelijke kans van slagen.

Conclusie en gevolgen

12. Omdat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en gelet op de gevolgen van sluiting voor verzoekster wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en treft hij de voorlopige voorziening dat het besluit van 17 maart 2026 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
12.1.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat de burgemeester het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200 aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922 en ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
2.Zie bijvoorbeeld ABRvS 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.