Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2793

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
ARN 24/3550
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens intrekking en hernieuwde beslissing subsidie praktijkleren

Eiseres, eigenaresse van een eenmanszaak die praktijkleerplaatsen aanbiedt, diende op 8 augustus 2023 een subsidieaanvraag in voor vijftien leerlingen. De minister kende aanvankelijk een subsidie toe voor twee leerlingen en wees de overige aanvragen af. Eiseres maakte bezwaar tegen de afwijzing voor elf leerlingen, maar dit bezwaar werd op 22 april 2024 ongegrond verklaard.

Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit. Tijdens de zitting op 18 november 2025 werd besproken dat de subsidieregeling per 1 september 2025 was gewijzigd, waardoor ook de entreeopleiding in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs subsidieerbaar werd. De minister besloot daarop het bezwaar opnieuw te beoordelen en nam op 20 januari 2026 een nieuw besluit waarbij het bezwaar gedeeltelijk gegrond werd verklaard en een hogere subsidie werd toegekend.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het eerdere besluit van 22 april 2024 niet-ontvankelijk is, omdat dit besluit is herroepen en vervangen door het nieuwe besluit van 20 januari 2026. Eiseres heeft zich met dit nieuwe besluit verenigd, waardoor het beroep niet van rechtswege tegen dit nieuwe besluit is gericht. De rechtbank wijst het beroep af en bepaalt dat de minister het betaalde griffierecht aan eiseres moet vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van eiseres is niet-ontvankelijk verklaard omdat het eerdere besluit is herroepen en vervangen door een nieuw besluit waartegen geen beroep is ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3550

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], handelend onder de naam [naam bedrijf], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

(gemachtigde: mr. A.C. Volten).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de aan haar toegekende subsidie op grond van de Subsidieregeling praktijkleren (Subsidieregeling). De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 8 augustus 2023 een subsidieaanvraag ingediend. Met het besluit van 20 december 2023 heeft de minister aan eiseres een subsidie van € 4.185 toegekend. Met het besluit van 22 april 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij deze toekenning gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 22 april 2024. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [persoon A] [1] en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en de minister in de gelegenheid gesteld om te beoordelen of er aanleiding bestaat om terug te komen op het besluit van 22 april 2024.
2.3.
Bij brief van 11 december 2025 heeft de minister het voornemen meegedeeld om een gewijzigde beslissing op bezwaar te nemen.
2.4.
Met het besluit van 20 januari 2026 heeft de minister opnieuw op het bezwaar van eiseres beslist, het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 20 december 2023 herroepen en eiseres een subsidie van € 12.622,50 toegekend.
2.5.
Op 2 februari 2026 heeft eiseres een reactie ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 9 april 2026 gesloten en het beroep niet behandeld op een nadere zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de besluitvorming
3. Eiseres is eigenaresse van de eenmanszaak [naam bedrijf] en biedt praktijkleerplaatsen aan voor leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs. Op 8 augustus 2023 heeft [persoon B] namens eiseres een subsidieaanvraag ingediend op grond van de Subsidieregeling. De aanvraag ziet op het schooljaar 2022-2023 en wordt gedaan voor vijftien leerlingen van de scholengemeenschap [naam scholengemeenschap] [2] .
3.1.
Op 14 december 2023 heeft de minister eiseres het voornemen meegedeeld om de subsidieaanvraag voor elf leerlingen af te wijzen.
3.2.
Bij het besluit van 20 december 2023 heeft de minister eiseres een subsidie toegekend van in totaal € 4.185. Het besluit heeft twee bijlagen. In de eerste bijlage wordt per leerling aangegeven of al dan niet subsidie wordt verleend. Hieruit volgt dat voor twee leerlingen subsidie wordt verleend en voor de overige dertien leerlingen niet. Bij deze dertien leerlingen wordt vermeld op grond van welke afwijzingsgrond de subsidieaanvraag wordt afgewezen. In de tweede bijlage worden de verschillende afwijzingsgronden toegelicht.
3.3.
Bij het besluit van 22 april 2024 heeft de minister het bezwaar van eiseres, dat is gericht tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag voor elf leerlingen, ongegrond verklaard. De minister legt hieraan ten grondslag dat geen sprake is van geldige overeenkomsten. Daarnaast staan de elf leerlingen ingeschreven voor een entreeopleiding in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs. Deze opleiding komt niet in aanmerking voor subsidie. Binnen het voortgezet speciaal onderwijs komt namelijk alleen een stage in het laatste schooljaar in het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel of een leer-werktraject in het laatste schooljaar in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs in aanmerking voor subsidie.
3.4.
Op de zitting van 18 november 2025 is besproken dat de Subsidieregeling met ingang van 1 september 2025 is gewijzigd, in die zin dat vanaf dat moment ook de entreeopleiding in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs in aanmerking komt voor subsidie. Ook is besproken dat eiseres al sinds 2017 subsidie ontvangt voor leerlingen die een entreeopleiding volgen, en dat bij een intensieve controle in 2020 kennelijk niet is geconstateerd dat ten onrechte subsidie aan eiseres zou zijn toegekend. De gemachtigde van de minister heeft aangegeven dat zij, gelet op deze omstandigheden, bereid is om nader te beoordelen of er aanleiding bestaat om terug te komen op het besluit van 22 april 2024.
3.5.
Met het besluit van 20 januari 2026 heeft de minister opnieuw op het bezwaar van eiseres beslist, het bezwaar gedeeltelijk (voor wat betreft acht van de elf leerlingen) gegrond verklaard, het besluit van 20 december 2023 herroepen, en eiseres een subsidie van
€ 12.622,50 toegekend.
De omvang van het geding
4. De rechtbank stelt vast dat in deze procedure alleen de besluitvorming op de subsidieaanvraag van eiseres voor het schooljaar 2022-2023 ter beoordeling voorligt. De rechtbank kan in deze procedure niet beoordelen of eiseres, zoals zij stelt, in aanmerking moet komen voor subsidie voor de schooljaren 2023-2024 en 2024-2025, dan wel of de minister eiseres voor deze twee schooljaren een schadevergoeding moet betalen omdat zij door de gang van zaken en de rechtsonzekerheid onredelijk is benadeeld. Eiseres heeft voor deze schooljaren namelijk geen subsidieaanvragen ingediend en daarom heeft de minister ook geen besluiten genomen waarover de rechtbank een oordeel kan geven.
Heeft eiseres nog belang bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 22 april 2024?
5. De minister heeft het besluit van 22 april 2024 ingetrokken en op 20 januari 2026, opnieuw beslist op het bezwaar van eiseres. Niet gesteld of gebleken is dat eiseres nog een belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 22 april 2024. Het beroep tegen dit besluit is daarom niet-ontvankelijk.
Is het beroep van rechtswege gericht tegen het besluit van 20 januari 2026?
6. Eiseres geeft in haar reactie van 2 februari 2026 aan dat zij zich kan verenigen met de toegekende subsidie van € 12.622,50 voor het schooljaar 2022-2023. Dit betekent dat met de nieuwe beslissing op bezwaar van 20 januari 2026 aan het door eiseres ingestelde beroep is tegemoetgekomen, en dat het beroep niet van rechtswege is gericht tegen dit besluit. [3] Daarmee is er geen (nieuw) beroep ontstaan waarop de rechtbank nog moet beslissen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is niet-ontvankelijk. Omdat eiseres niet ten onrechte beroep heeft ingesteld, moet de minister het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Niet gebleken is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
 bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187 aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Directeur van de scholengemeenschap [naam scholengemeenschap].
2.Een school voor voortgezet speciaal onderwijs.
3.Dit volgt uit artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.