Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2750

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/05/462897 / KZ ZA 26-17
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 RvArt. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing voorlopige zorgregeling wegens overtreding contact- en locatieverbod en veiligheid minderjarige

De vader vordert nakoming van een voorlopige zorgregeling die hem eenmaal per week begeleide omgang met het kind toekent. De moeder verzet zich en vordert schorsing van deze regeling vanwege ernstige zorgen over de veiligheid van haarzelf en het kind.

De rechtbank stelt vast dat de vader het contact- en locatieverbod, opgelegd bij vonnis van 10 november 2025, meerdere malen fors heeft overtreden, onder meer door ongewenste aanwezigheid nabij de woning van de moeder, het plaatsen van een tracker in haar auto en het bezit van messen in zijn auto. De vader is hiervoor op heterdaad aangehouden en heeft in voorlopige hechtenis gezeten.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert geen uitvoering te geven aan de zorgregeling zolang de vader geen behandeling volgt en de veiligheid niet is gewaarborgd. De rechtbank volgt dit advies, wijst de vordering van de vader af, schorst de voorlopige zorgregeling en bepaalt dat het kind geen contact heeft met de vader totdat in de bodemprocedure anders wordt beslist.

Daarnaast wordt een raadsonderzoek gelast om de situatie nader te onderzoeken en advies uit te brengen over een passende zorgregeling. De vader wordt veroordeeld in de proceskosten vanwege zijn herhaaldelijke overtredingen en het nodeloos procederen.

Uitkomst: De voorlopige zorgregeling wordt geschorst en het kind krijgt geen contact met de vader totdat in de bodemprocedure anders wordt beslist.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/462897 / KZ ZA 26-17
Vonnis in kort geding van 30 maart 2026
in de zaak van
[naam vader],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij, hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. S. Rahimzadeh uit Amsterdam,
tegen
[naam moeder],
wonende te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] ,
gedaagde partij, hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. W.H. Boer uit Heerde.

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 17 februari 2026;
- de conclusie van antwoord met producties van 10 maart 2026;
- het F9-bericht met producties van mr. Rahimzadeh van 13 maart 2026;
- het F9-bericht met producties van mr. Boer van 13 maart 2026;
- de mondelinge behandeling van 16 maart 2026, waarbij partijen en hun advocaten en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zijn verschenen en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Uit de inmiddels beëindigde relatie tussen de ouders is geboren het minderjarige kind:
-
[het kind], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [het kind] . .
2.2.
De vader heeft [het kind] erkend.
2.3.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [het kind] .
2.4.
Partijen hebben na het verbreken van hun relatie enige tijd uitvoering gegeven aan
een regeling waarbij [het kind] bij de vader verblijft:
- in de even weken van woensdagochtend 9.00 uur tot woensdagavond 18.00/19.00
uur en van vrijdagmiddag 13.00 uur tot maandagmiddag 14.00 uur, en
- in de oneven weken van woensdagmiddag 13.00 uur tot donderdagmiddag 14.00
uur.
2.5.
De voorzieningenrechter in deze rechtbank heeft bij vonnis in kort geding van 10 november 2025 in conventie de vordering van de vader tot nakoming van de zorgregeling zoals genoemd in 2.4., bij gebreke waarvan de moeder aan de vader een dwangsom zal verbeuren van € 1.000 per keer dat zij de zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 50.000 afgewezen. In reconventie heeft de voorzieningenrechter:
- de vader verboden gedurende 6 maanden na betekening van het vonnis persoonlijk,
schriftelijk, telefonisch, per sms, via whatsapp, per e-mail, per social media of anderszins
contact te hebben of contact op te nemen met de moeder;
- de vader verboden om gedurende 6 maanden na betekening van het vonnis zich te
begeven naar en/of zich te bevinden in de directe omgeving van de woning van de moeder
aan de [adres] te [woonplaats] , met name binnen het gearceerde gebied dat wordt
begrensd door de [straatnamen] , zoals staat aangegeven op
de aangehechte plattegrond;
- de vader veroordeeld om aan de moeder een dwangsom te betalen van € 250 voor
iedere handeling die hij in strijd met het onder 5.2 of 5.3 vermelde verbod zal verrichten, tot
een maximum van € 15.000 is bereikt;
- de moeder gemachtigd om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de
tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien de vader de onder 5.2 en 5.3
genoemde verboden overtreedt.
2.6.
Bij beschikking van deze rechtbank van 10 november 2025 is de hoofdverblijfplaats van [het kind] vastgesteld bij de moeder. Daarnaast heeft de rechtbank de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) gewijzigd en een voorlopige zorgregeling vastgesteld, die inhoudt dat: tussen de vader en [het kind] één keer per week begeleide omgang is via Humanitas (of een soortgelijke instantie), gedurende 1-2 uur per keer, waarbij de regie over de uitbreiding in vorm, duur en frequentie bij Humanitas of het Centrum Jeugd en Gezin (of een soortgelijke instantie) ligt en waarbij de communicatie via de begeleidende instantie verloopt en de ouders elkaar tijdens de overdracht niet treffen. De beslissing over de definitieve zorgregeling is aangehouden tot 6 mei 2026 (pro forma).

3.Het geschil

3.1.
De vader vordert, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de moeder te veroordelen tot nakoming van de voorlopige zorgregeling, zoals bepaald en vastgelegd onder rechtsoverweging 5.2. van het dictum van de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, d.d. 10 november 2025, inhoudende dat tussen de vader en [het kind] één keer per week begeleide omgang is via Zorg en Welzijn (of een soortgelijke instantie), gedurende 1-2 uur per keer, waarbij de regie over de uitbreiding in vorm, duur en frequentie bij Zorg en Welzijn of het Centrum Jeugd en Gezin (of een soortgelijke instantie) ligt en waarbij de communicatie via de begeleidende instantie verloopt en de ouders elkaar tijdens de overdracht niet treffen;
II. te bepalen dat partijen zich uiterlijk binnen twee weken na de datum van het wijzen van het vonnis door de voorzieningenrechter zullen wenden tot voornoemde instantie(s) voor de (start van de) begeleide omgang;
III. voor zover de moeder zich niet houdt aan het onder (i) en (ii) gevorderde, zij aan de vader een dwangsom zal verbeuren van € 500,- per keer dat zij de voorgenoemde vorderingen niet nakomt, met een maximum van € 50.000,-;
IV. kosten rechtens in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.
3.2.
De moeder voert verweer. De moeder vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
in conventie:
I. de vader niet ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, dan wel zijn vorderingen af te wijzen;
in reconventie:
II. de bij beschikking van 10 november 2025 van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, vastgestelde voorlopige zorgregeling te schorsen totdat in de bodemprocedure met zaaknummer C/05/456637 / FZ RK 25-2232 anders is beslist;
in conventie en reconventie:
III. de vader te veroordelen in de kosten van het geding.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling, nader ingegaan.

4.Het advies van de Raad

4.1.
De zittingsvertegenwoordiger van de Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om geen uitvoering te geven aan de voorlopige zorgregeling tussen de vader en [het kind] . De veiligheid en de ontwikkeling van [het kind] moeten voorop staan. Het belangrijkste voor [het kind] is op dit moment dat zijn moeder overeind blijft staan. De Raad heeft grote zorgen over het gedrag van de vader en de invloed daarvan op [het kind] en de moeder. Zolang de vader geen behandeling heeft, blijft het risico op herhaling bestaan. Voordat wordt gekeken naar contact tussen [het kind] en de vader, moet er eerst zicht komen op het hulpverleningstraject van de vader en de adviezen die daaruit voorkomen, evenals op hulpverlening voor de moeder. Daarnaast lijkt sprake te zijn van dwingende controle door de vader. Er loopt al een bodemprocedure en het door de vader gestarte kort geding lijkt een middel om de druk op de moeder op te voeren. Tot slot heeft de Raad aangeboden om een raadsonderzoek te laten plaatsvinden.

5.De beoordeling

In conventie en reconventie
Het spoedeisend belang
5.1.
Op grond van artikel 254 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de voorzieningenrechter bevoegd een voorziening te geven in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist. In aansluiting bij artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) neemt de voorzieningenrechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
5.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de vader een spoedeisend belang heeft, omdat de vader al zeven maanden geen contact meer heeft met [het kind] .
Ontvankelijkheid
5.3.
Op grond van artikel 1:377e juncto artikel 1:253a, vierde lid BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een door de ouders onderling getroffen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of als bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.4.
Gebleken is dat de vader zich herhaaldelijk niet heeft gehouden aan het contact- en locatieverbod dat bij vonnis van 10 november 2025 aan hem is opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat dit een relevante wijziging van omstandigheden is die een herbeoordeling van de zorgregeling rechtvaardigt.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De voorzieningenrechter zal gelet op de omstandigheden in deze zaak de vorderingen van de vader afwijzen en de vorderingen van de moeder toewijzen. Daarnaast zal een raadsonderzoek worden gelast. Hierna wordt toegelicht waarom.
5.6.
Op grond van artikel 1:253a BW kan de beslissing inhouden een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben, uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist. Na overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid BW, verbiedt de rechter het contact slechts indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind of
de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.7.
Bij vonnis van 10 november 2025 is aan de vader een contact- en locatieverbod ten aanzien van de moeder opgelegd. De vader heeft zich hier echter herhaaldelijk niet aan gehouden. Zo kwam hij op 20 november 2025 een parkeerterrein in Kampen oprijden, waar de moeder was gestrand met haar auto wegens autopech. Een medewerker van de ANWB heeft een tracker in de auto van de moeder aangetroffen, welke door de politie in beslag is genomen. Ongeveer twee uur hierna is de vader in de buurt van de woning van de moeder aangetroffen door de politie. De vader was emotioneel en onrustig en had drie messen in zijn auto liggen, die door de politie in beslag zijn genomen. De politie heeft de vader vervolgens tot aan [plaatsnaam] , in de richting van zijn woning, begeleid. Nadat de politie was vertrokken, is de vader opnieuw naar de woning van de moeder gegaan. Hier is hij over de schutting geklommen, heeft hij in de achtertuin rondgelopen en is hij voor de ramen van de woning gaan staan. Op 21 november 2025 had de moeder een afspraak bij het politiebureau in [plaatsnaam] om opnieuw aangifte te doen tegen de vader. De vader meldde zich die dag op het bureau, nog voordat de moeder daar aankwam. Hij gaf als reden dat hij zijn telefoon terug wilde hebben. De vader is hierop op heterdaad aangehouden op verdenking van stalking van de moeder. Op 21 november heeft Moviera de moeder geadviseerd om zichzelf en [het kind] in veiligheid te brengen in een vrouwenopvang, maar omdat de vader inmiddels was aangehouden is dit niet gebeurd. De vader heeft vanaf 21 november 2025 tot en met 20 januari 2026 in voorlopige hechtenis verbleven.
Raadsonderzoek
5.8.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad aangeboden om een raadsonderzoek uit te voeren. Er is sprake van een zorgelijke en complexe situatie voor zowel [het kind] als de moeder, als gevolg van de gedragingen van de vader. De situatie waarin [het kind] zich bevindt is zorgwekkend. Een kort geding procedure leent zich, gelet op de aard van de procedure, niet voor een onderzoek door de Raad. Partijen hebben wel met een raadsonderzoek ingestemd. De voorzieningenrechter zal daarom het advies van de Raad volgen om, ten behoeve van de bodemprocedure, een onderzoek te gelasten. De voorzieningenrechter zal daarom vooruitlopend op de behandeling van het door de moeder ingediende verzoekschrift in de bodemprocedure bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer C/05/456637 / FZ RK 25-2232, in die zaak de Raad verzoeken te rapporteren en te adviseren op basis van de navolgende vragen:
  • Welke mogelijkheden zijn er voor een zorgregeling van [het kind] met de vader?
  • Zijn er omstandigheden die een zorgregeling belemmeren? Zo ja, welke komen vanuit het kind en welke vanuit de ouder(s)? Hoe en op welke termijn zijn deze omstandigheden op te heffen?
  • Hoe zou een zorgregeling (vorm en frequentie) er in het belang van [het kind] uit moeten zien?
  • Is een wijziging van de (voorlopige) zorgregeling in het belang [het kind] ?
  • In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in voornoemde vragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de te nemen beslissing?
  • Is een onderzoek gericht op een kinderbeschermingsmaatregel geïndiceerd?
5.9.
De voorzieningenrechter zal, in afwachting van de resultaten van de Raad, de voorlopige zorgregeling schorsen en bepalen dat de vader geen contact heeft met [het kind] , totdat er in de bodemprocedure anders wordt beslist. De voorzieningenrechter begrijpt de wens van de vader om [het kind] weer te zien, maar het is nu, zoals ook aangegeven door de Raad, niet in het belang van [het kind] om weer uitvoering te geven aan de voorlopige zorgregeling. Op dit moment gaat het namelijk niet goed met [het kind] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder aangegeven dat zij een jongentje ziet dat aan het overleven is. De stress en paniek die bij de moeder zijn ontstaan, hebben hun weerslag op [het kind] . Er wordt gezien dat hij moeite heeft met het omgaan met zijn emoties, hij slaat en is gefixeerd op eten. Ook kan de moeder geen moment uit het zicht van [het kind] verdwijnen, omdat hij dan overstuur raakt en schreeuwt om zijn moeder. Het is belangrijk dat zowel hij als de moeder de komende tijd de ruimte en rust krijgen om te herstellen van de afgelopen periode. Voordat er gekeken kan worden naar contact tussen [het kind] en de vader, moet de vader eerst de juiste hulp te krijgen. De vader is inmiddels aangemeld voor behandeling bij de Waag, maar de wachtlijst hiervoor bedraagt zeven maanden.
Proceskosten
5.10.
De vordering van de moeder om de vader in de kosten van het geding te veroordelen zal worden toegewezen. Als hoofdregel in familiezaken geldt in de praktijk dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, en wordt terughoudend omgegaan met een proceskostenveroordeling. Voor een proceskostenveroordeling moet er overduidelijk sprake zijn van nodeloos procederen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiervan in deze procedure sprake is.
5.11.
De vader heeft zich herhaaldelijk niet gehouden aan het aan hem opgelegde contact- en locatieverbod. Hiermee heeft hij zelf het opstarten van de voorlopige zorgregeling gefrustreerd, waarna hij vervolgens deze procedure is gestart, ondanks de al gestarte bodemprocedure. Zoals ook door de Raad is aangegeven lijkt er sprake te zijn van dwingende controle vanuit de vader en het starten van een kort geding procedure lijkt daar onderdeel van te zijn. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat een proceskostenveroordeling van de vader op zijn plaats is. De voorzieningenrechter zal de proceskosten conform de gebruikelijke (liquidatie) tarieven toewijzen, omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd om hier van af te wijken. De proceskosten van de moeder worden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris advocaat
760,00
Totaal
853,00
5.12.
De moeder procedeert op basis van een toevoeging. Gedaagden met een toevoeging betalen een lager griffierecht (€ 93). Gelet op het voorgaande wordt de vader veroordeeld tot betaling van het lagere griffierecht en het salaris van de advocaat. Deze vergoeding voor het salaris moet door de advocaat worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat toegekende vergoeding.
5.13.
Onder de proceskosten vallen ook de nakosten. De nakosten worden begroot op het bedrag genoemd in het liquidatietarief civiel (per 1 februari 2026: €296). In geval van betekening van het vonnis wordt een extra bedrag aan salaris (per 1 februari 2026: €98) toegekend. Omdat de moeder op toevoegingsbasis procedeert komen de explootkosten bij betekening van het vonnis niet voor vergoeding in aanmerking.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding:
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen van de vader af;
in reconventie
6.2.
schorst de voorlopige zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van deze rechtbank van 10 november 2025 en stelt vast als voorlopige regeling voor de verdeling van zorg- en opvoedingstaken dat [het kind] geen contact heeft met de vader, totdat er in de bodemprocedure (bij deze rechtbank bekend onder nummer C/05/456637 / FZ RK 25-2232) anders is beslist;
in conventie en reconventie
6.3.
verzoekt de Raad met het oog op de bodemprocedure te adviseren en rapporteren, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.9. is overwogen;
6.4.
veroordeelt de vader in de proceskosten van dit geding, tot zover aan de kant van de moeder begroot op €853,00, te vermeerderen met de nakosten van €296,00 aan salaris advocaat, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, plus een extra bedrag aan salaris advocaat bij betekening van het vonnis van € 98 en de kosten van de betekening als de vader niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. van Nijen en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.