ECLI:NL:RBGEL:2026:274

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
AWB-24_9253
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van WAO-uitkering en terugvordering van teveel ontvangen uitkering

In deze zaak heeft de rechtbank Gelderland uitspraak gedaan over de definitieve vaststelling van de WAO-uitkering van eiseres over de periode van 1 oktober 2023 tot en met 30 september 2024. Eiseres, die sinds april 2000 een WAO-uitkering ontvangt, was het niet eens met de terugvordering van € 392,15 door het UWV, omdat zij meende dat een onregelmatigheidstoeslag (ORT) die zij had ontvangen niet tot het sociale verzekeringsloon (SV-loon) behoort. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 9 december 2025, waarbij eiseres en haar gemachtigde, evenals de gemachtigde van het UWV aanwezig waren. De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht de ORT had meegerekend bij de vaststelling van de WAO-uitkering, aangezien de wet bepaalt dat alle toeslagen en vergoedingen tot het SV-loon behoren, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald. Eiseres voerde aan dat de verrekening van de ORT in strijd was met het motiverings-, vertrouwens- en evenredigheidsbeginsel, maar de rechtbank verwierp deze argumenten. De rechtbank concludeerde dat het UWV een juiste beslissing had genomen en verklaarde het beroep van eiseres ongegrond. Eiseres kreeg geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9253

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. A.A.M. van der Zandt),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: A. van Klaveren).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de definitieve vaststelling van de uitkering van eiseres op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheid (WAO) over de periode van 1 oktober 2023 tot en met 30 september 2024 en de terugvordering van de in die periode teveel ontvangen uitkering van € 392,15. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV een juist besluit heeft genomen. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het UWV heeft met het besluit van 4 november 2024 de WAO-uitkering van eiseres over de periode van 1 oktober 2023 tot en met 30 september 2024 definitief vastgesteld. Omdat het voorschot dat eiseres heeft ontvangen hoger is dan de uitkering waarop zij recht had, heeft het UWV een bedrag van € 392,15 teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 12 november 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij deze terugvordering gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Eiseres heeft daarna nog aanvullende stukken overgelegd. Daarop heeft het UWV ook gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres ontvangt sinds april 2000 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. De uitkering bedraagt 14%. Sinds 6 oktober 2000 ontvangt eiseres een vervolguitkering. Op een gegeven moment is eiseres de uitkering gaan ontvangen als voorschot, omdat eiseres werkt naast haar WAO-uitkering.
3.1.
Met het besluit van 4 november 2024 heeft het UWV de definitieve WAO-uitkering over de periode 1 oktober 2023 tot en met 30 september 2024 vastgesteld. Omdat het voorschot dat eiseres over die periode heeft ontvangen hoger was dan de uitkering waarop zij recht had, heeft het UWV het teveel ontvangen bedrag van € 392,15 aan WAO-uitkering teruggevorderd. Uit de bij het besluit gevoegde tabellen volgt dat het gaat om het over juni 2024 ontvangen voorschot. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In bezwaar heeft eiseres aangevoerd dat het bedrag van € 22,32 aan onregelmatigheidstoeslag (ORT) dat zij in juni 2024 heeft ontvangen niet tot het SV-loon behoort en daarom niet tot het inkomen dat in mindering komt op de WAO-uitkering.
3.2.
Het UWV is met het besluit van 12 november 2024 bij de definitieve vaststelling en terugvordering gebleven. In juni 2024 heeft eiseres € 22,32 aan ORT ontvangen. Een ORT behoort tot het sociale verzekeringsloon (SV-loon) en komt daarom ook in mindering op de WAO-uitkering van eiseres. Het inkomen van eiseres in juni 2024 is dusdanig dat eiseres in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse terechtkomt (0-15%). Hierdoor had eiseres in juni 2024 geen recht op een WAO-uitkering, terwijl zij in die maand wel een WAO-voorschot heeft ontvangen.
3.3.
Het UWV heeft tijdens de zitting nog toegelicht dat zij bij de berekening van de definitieve WAO-uitkering uitgaat van het SV-loon. Uit de sociale verzekeringswetgeving volgt dat tot het SV-loon alle toeslagen en vergoedingen horen, tenzij uitdrukkelijk uitgezonderd. De ORT is niet uitgezonderd en dus heeft het UWV voor de berekening van de definitieve WAO-uitkering het SV-loon, waartoe ook de ORT behoort, betrokken.
Standpunt eiseres
4. Eiseres stelt dat in haar geval de verrekening van de ORT in strijd is met het motiverings- en vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
Behoort de ORT tot het SV-loon?
5. De rechtbank oordeelt dat de ORT tot het SV-loon behoort. Uit de sociale verzekeringswetgeving volgt dat tot het SV-loon alle toeslagen en vergoedingen horen, tenzij uitdrukkelijk uitgezonderd. De ORT is niet uitgezonderd. Overigens begrijpt de rechtbank uit de mededelingen van eiseres tijdens de zitting dat dit niet echt in geschil is.
Is het betrekken van de ORT bij vaststelling van de WAO-uitkering in strijd met het motiverings- en vertrouwensbeginsel?
6. Eiseres stelt dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door haar ontvangen ORT nu wel verrekend wordt met haar WAO-uitkering. Zij heeft in het verleden namelijk ook ORT ontvangen, maar die werd nooit verrekend. In het verleden is haar WAO-uitkering wel eens teruggevorderd, maar dat kwam door CAO-wijzigingen. Dat er nu wel wordt teruggevorderd is daarom in strijd met het vertrouwensbeginsel. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres salarisspecificaties en eerdere beslissingen van het UWV overgelegd.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het UWV in het verleden bij het vaststellen van haar definitieve uitkering de ORT uit het SV-loon heeft gelaten. De motiveringsplicht van het UWV reikt ook niet zo ver dat het UWV in deze zaak moet motiveren dat zij de ORT in eerdere berekeningen buiten het SV-loon heeft gelaten. Bovendien blijkt uit de door eiseres overgelegde stukken juist dat het UWV in het verleden wél de ORT heeft meegenomen bij de vaststelling van het SV-loon. Dat dat in die gevallen niet heeft geleid tot een terugvordering van de WAO-uitkering, betekent niet dat het UWV de ORT niet heeft betrokken, maar enkel dat eiseres met dat SV-loon (inclusief de ORT) nog steeds binnen de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15% tot 25% is gebleven. In de periode waar het in deze uitspraak om gaat, juni 2024, is dat blijkbaar niet het geval geweest. Het inkomen van eiseres in juni 2024 was dusdanig dat eiseres in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 0% tot 15% is terechtgekomen. Zoals het UWV op de zitting heeft bevestigd, kan dit aan de ORT hebben gelegen, maar ook aan andere wijzigingen binnen het SV-loon. Het systeem van de arbeidsongeschiktheidsklassen werkt zo dat een wijziging in de inkomsten ertoe kan leiden dat de betrokkene in een andere klasse komt.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. Uit de door eiseres overgelegde stukken volgt niet dat zij aan die stukken het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat haar ORT niet betrokken zou worden bij de vaststelling van haar uitkering. Eiseres lijkt deze conclusie ten onrechte zelf getrokken te hebben.
Is het betrekken van de ORT bij de vaststelling van de WAO-uitkering in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
7. Eiseres stelt zich tot slot op het standpunt dat de verrekening van haar onregelmatigheidstoeslag met haar WAO-uitkering onevenredig is. Ze moet haar ontvangen WAO-voorschot van € 392,15 terugbetalen omdat zij € 22,32 aan onregelmatigheidstoeslag heeft ontvangen.
7.1.
Dit betoog slaagt niet.
Uit het overzicht op pagina 5 van het besluit van 4 november 2024 blijkt dat het SV-loon in de maanden januari tot en met mei 2024 € 2.985 bedroeg (ook voor mei geldt dat, als de ontvangen vakantietoeslag wordt afgetrokken, het SV-loon € 2.985 bedraagt). In juni 2024 bedraagt het SV-loon € 3.172,38. In juni 2024 was het SV-loon dus € 187,38 hoger dan in mei 2024. Het standpunt van eiseres dat de terugvordering enkel het gevolg is van de in juni ontvangen ORT van € 22,32 is dus niet juist.
Op grond van artikel 44, eerste lid, van de WAO wordt bij de vaststelling van de hoogte van de WAO-uitkering rekening gehouden met het inkomen uit arbeid, op de wijze zoals in dat artikel is bepaald. Dit is een gebonden bevoegdheid die het UWV geen ruimte geeft om hiervan af te wijken. Eiseres heeft bovendien op geen enkele manier onderbouwd waarom de vaststelling van haar SV-loon tot onevenredige gevolgen heeft geleid.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV een juiste beslissing heeft genomen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.