Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2676

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
ARN 25/381
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 3.120a Wet op de inkomstenbelasting 2001Art. 4.1, tweede lid, WhtArt. 4.1, derde lid onder b, WhtArt. 4.1, vierde lid onder a, Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overname schuld toeslagenschandaal wegens niet voldoen aan wettelijke voorwaarden

Eisers, gedupeerden van het toeslagenschandaal, vorderden dat de minister van Financiën een schuld van €286.192 bij een bedrijf waarvan eiseres enig bestuurder en aandeelhouder is, zou overnemen. De minister wees dit af omdat de schuld een informele lening betrof zonder notariële akte, niet opeisbaar was voor 1 juni 2021 en geen hypothecaire lening was.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat de schuld niet voldoet aan de voorwaarden voor overname. De lening is niet hypothecair omdat geen hypotheekrecht is gevestigd, ondanks fiscale kwalificatie als restschuld eigen woning. Ook is de schuld niet opeisbaar voor 1 juni 2021, aangezien de eerste aflossing pas in 2028 plaatsvindt en geen faillissement of beslag is gelegd.

Eisers trokken enkele beroepsgronden in, waaronder over het vertrouwensbeginsel. De rechtbank bevestigt dat de schuld niet in aanmerking komt voor overname, mede omdat eiseres 100% belang heeft in de rechtspersoon die de lening verstrekte, wat volgens de wet uitsluiting tot gevolg heeft.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand, en eisers krijgen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter S.A. van Hoof en griffier C. Ebbers op 10 april 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de minister om de schuld over te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/381

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], uit [plaats], eisers

(gemachtigde: mr. S.I. Schinkel),
en

de minister van Financiën

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om een schuld over te nemen. Eisers zijn het niet eens met deze weigering. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de minister om de schuld over te nemen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat de schuld niet voor overname in aanmerking komt. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers zijn gedupeerden van het toeslagenschandaal. Zij hebben de Sociale Banken Nederland, een uitvoeringsorganisatie van de minister, gevraagd om de overname van een schuld van € 286.192 bij [naam bedrijf]. [eiseres] (eiseres) is enig bestuurder en enig aandeelhouder van [naam bedrijf]. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 19 augustus 2024 afgewezen omdat de schuld een onderhandse lening of privéschuld is die niet is vastgelegd in een notariële akte en niet opeisbaar was voor 1 juni 2021. Met het bestreden besluit van 12 december 2024 op het bezwaar van eisers is de minister bij de weigering gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. Onder voorwaarden kunnen gedupeerden van het toeslagenschandaal in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. [1] Een schuld moet aan de volgende vereisten voldoen:
de schuld is ontstaan na 31 december 2005; en
de schuld was voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
de schuld niet is voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. [2]
3.1.
Informele geldschulden worden op grond van de wet in principe alleen overgenomen als ze zijn vastgelegd in een notariële akte of zijn vastgesteld bij een rechterlijke uitspraak. [3] Maar als aan het bestaan van de schuld en de daarover gemaakte betalingsafspraken redelijkerwijs niet valt te twijfelen omdat er andere authentieke documenten zijn, kan dat volgens rechtspraak reden zijn om de hardheidsclausule toe te passen en de schuld alsnog over te nemen. [4]
3.2.
Een schuld wordt niet overgenomen als het de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening is, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak. [5]
Ingetrokken beroepsgronden
4. Op de zitting hebben eisers hun beroepsgronden over de onverbindendheid van het Besluit afbetalen private schulden en het vertrouwensbeginsel, ingetrokken.
Heeft de minister terecht geconcludeerd dat de schuld geen hypothecaire lening is?
5. Eisers betogen dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat de schuld geen hypothecaire schuld is. De betreffende lening is namelijk afgesloten ter financiering van een woning. Deze woning is verkocht en daarbij is een restschuld van € 286.192 ontstaan. Met de Belastingdienst is afgesproken dat de restschuld fiscaal kwalificeert als restschuld eigen woning. De schuld voldoet daarom aan de voorwaarden voor overname.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De aard van de hypothecaire lening wordt niet bepaald door het doel van de lening, maar door de vorm van zekerstelling. [6] Vaststaat dat voor de met restschuld verkochte woning nooit een recht van hypotheek is gevestigd. Eiseres heeft dit ter zitting ook bevestigd. Dit betekent dat er geen zekerheid is gesteld ten behoeve van de geldverstrekker, in die zin dat het onderpand kan worden verkocht als niet aan de betalingsverplichtingen wordt voldaan. Dat eiseres ter financiering van de restschuld met [naam bedrijf] een leningsovereenkomst heeft gesloten en met de Belastingdienst de afspraak heeft gemaakt dat de schuld fiscaal het karakter heeft van een restschuld eigen woning als bedoeld in artikel 3.120a Wet op de inkomstenbelasting 2001, maakt niet dat er alsnog sprake is van een hypothecaire lening. De afspraak maakt het voor eiseres enkel mogelijk om de rente die zij betaalt voor een periode van 15 jaar na de verkoop van de woning af te trekken. Omdat eiseres geen zekerstelling zoals een hypotheekrecht heeft gevestigd, heeft de minister terecht geconcludeerd dat er geen sprake is van een hypothecaire lening.
Heeft de minister terecht geconcludeerd dat de schuld niet voldoet aan de voorwaarden voor overname?
6. Eisers betogen dat de schuld voldoet aan de voorwaarden voor overname. Ook als geen sprake zou zijn van een hypothecaire lening maar van een informele lening, wordt volgens eisers voldaan aan de voorwaarden van overname. Hoewel er geen notariële akte is, is het bestaan van de schuld voldoende aannemelijk gemaakt. De schuld is namelijk vastgelegd in een overeenkomst en is opgenomen in de boekhouding van [naam bedrijf].
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de schuld om meerdere redenen niet voor overname in aanmerking komt. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt.
6.2.
Hiervoor is al geoordeeld dat geen sprake is van een restschuld na verkoop van een verhypothekeerde zaak. In dit geval gaat het om een geldschuld bij een rechtspersoon, waarvan eiseres enig aandeelhouder en bestuurder is. Dat betekent dat zij 100% belang heeft in deze rechtspersoon. Op grond van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder d, van de Wht komt alleen daarom al de hele schuld niet in aanmerking voor overname.
6.3.
Maar zelfs als geen van de situaties als bedoeld in artikel 4.1, vierde lid van de Wht zich zou voordoen, dan nog kan de schuld niet worden overgenomen omdat niet aan de voorwaarden voor het overnemen van de schuld wordt voldaan. De minister heeft in dit verband terecht geconcludeerd dat niet is gebleken dat de schuld voldoet aan de voorwaarde van opeisbaarheid. De leningsovereenkomst is gesloten op 22 april 2020. De eerste aflossing moet plaatsvinden in 2028. Er kan daarom geen sprake zijn van betalingsachterstanden die hebben geleid tot opeisbaarheid vóór 1 juni 2021. Daarnaast is de overeenkomst direct opeisbaar als het faillissement van eiseres wordt aangevraagd, als zij in surseance van betaling is geraakt of als er beslag wordt gelegd op haar zaken. Omdat geen van deze situaties van toepassing is, was de schuld niet opeisbaar voor 1 juni 2021.
6.4.
Gelet op het voorgaande heeft de minister terecht geconcludeerd dat de schuld niet voldoet aan de voorwaarden voor overname.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit waarmee overname van de schuld is geweigerd, in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. C. Ebbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wet herstel toelagen (Wht).
2.Dit volgt uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.
3.Dit volgt uit artikel 4.1, derde lid onder b, van de Wht.
4.Zie ABRvS 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040, ro. 26.
5.Dit volgt uit artikel 4.1, vierde lid onder a, van de Wht.
6.ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6132, ro. 7.3.