Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2665

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
05-221257-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 359 lid 3 SvArt. 6:2:10 SvArt. 4 Penitentiaire beginselenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor invoer van bijna 8 kilo cocaïne en heroïne

De rechtbank Gelderland heeft op 9 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een 49-jarige man uit Spanje die werd verdacht van het invoeren van circa 1999 gram cocaïne en 5988 gram heroïne in Nederland op of omstreeks 6 augustus 2025. De verdachte heeft bekend en de rechtbank acht het wettig en overtuigend bewezen dat hij deze harddrugs binnen het Nederlandse grondgebied heeft gebracht.

De rechtbank heeft het bewijs gebaseerd op diverse proces-verbalen, forensisch onderzoek en de verklaring van verdachte tijdens de terechtzitting. De verdediging heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie over het gewicht van de drugs. De rechtbank heeft de tenlastelegging waar nodig taalkundig gecorrigeerd zonder dat dit de verdediging schaadde.

De rechtbank kwalificeert het bewezenverklaarde als opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet, meermalen gepleegd. Verdachte is strafbaar en er zijn geen omstandigheden die strafuitsluiting rechtvaardigen. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de verslavende werking van de drugs, de maatschappelijke gevolgen en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, die niet eerder in Nederland is veroordeeld.

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 42 maanden op, passend binnen de oriëntatiepunten voor de invoer van 7.000 tot 8.000 gram harddrugs door een niet-georganiseerde dader. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht. Daarnaast wordt het beslag op €4.000,- contant geld teruggegeven aan verdachte, omdat niet is vastgesteld dat dit bedrag uit drugshandel afkomstig is.

De uitspraak is gewezen door mr. R.M. Schoo, mr. S.C.A.M. Janssen en mr. J. Wiersma, waarbij mr. Wiersma niet heeft medeondertekend. De straf is opgelegd na openbare terechtzittingen op 13 november 2025, 8 januari 2026 en 26 maart 2026.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf voor het invoeren van bijna 8 kilo cocaïne en heroïne.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/221257-25
Datum uitspraak : 9 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] (Spanje),
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats].
Raadsman: mr. M.A. Prins, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van
13 november 2025, 8 januari 2026 en 26 maart 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te Gennep en/of Beuningen en/of Dodewaard, althans in Nederland, opzettelijk een of meer middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten ongeveer 2440 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 6290 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval aanwezig heeft gehad.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde, met dien verstande dat uit moet worden gegaan van 1999,14 gram cocaïne en 5988,41 gram heroïne.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman gaat uit van hetzelfde gewicht als de officier van justitie.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 10 en 11;
- het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict, p. 51 t/m 53;
- het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 71 t/m 77;
- een schriftelijk bescheid, te weten: rapport NFiDent, p. 79 t/m 82;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 maart 2026.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks6 augustus 2025 te Gennep en/
ofBeuningen en
/ofDodewaard,
althans in Nederland, opzettelijk
een of meermiddelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten ongeveer
1999,14 gram,
in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende cocaïne en
/ofongeveer
5988,41 gram,
in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en
/ofheroïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht
, in elk geval aanwezig heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

5.De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van de straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 29 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest dan wel een gevangenisstraf van maximaal 12 maanden, met een fors voorwaardelijk gedeelte bepleit.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van bijna 8 kilo harddrugs, bestaande uit cocaïne en heroïne. Het is een feit van algemene bekendheid dat cocaïne en heroïne sterk verslavend zijn. Het gebruik van deze middelen heeft een verwoestend effect op de gezondheid van gebruikers. De handel in, het vervoer van en het gebruik van harddrugs brengen daarnaast vele vormen van (zware) criminaliteit en overlast met zich. Verdachte heeft door zijn invoer een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het drugscircuit en de beschikbaarheid van dergelijke middelen in Nederland. Verdachte lijkt zich niet bekommerd te hebben om de gevolgen hiervan en dacht – kennelijk – alleen aan zijn eigen geldelijk gewin.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte van
17 februari 2026 waaruit volgt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting als leidraad gehanteerd. Voor het invoeren van harddrugs met een totaalgewicht van 7.000 tot 8.000 gram wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de 42 en 44 maanden als uitgangspunt genomen. Dit betreft de categorie daders die géén rol in de criminele organisatie spelen. Bij dit uitgangspunt wordt al rekening gehouden met het feit dat verdachte eenmaal is ingeschakeld, zoals door de verdediging bepleit.
De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding om van deze oriëntatiepunten af te wijken. Het feit dat zijn vrouw er zowel financieel als qua zorg voor (klein)kinderen en de zieke vader van verdachte alleen voor komt te staan gedurende zijn detentie, rechtvaardigt dit niet. Deze of vergelijkbare omstandigheden maken de situatie van verdachte niet bijzonder en gelden immers voor veel verdachten.
Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De beoordeling van het beslag

De standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het contante geldbedrag van
€ 4.000,- verbeurd moet worden verklaard omdat het uit de baten van het tenlastegelegde is verkregen.
De raadsman heeft bepleit dat het geld moet worden geretourneerd aan verdachte omdat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat het geld uit de baten van het tenlastegelegde is verkregen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank kan niet vaststellen dat het geldbedrag verkregen is uit de baten van het tenlastegelegde (oftewel dat hij dit geld heeft gekregen voor het drugstransport). Het enkele feit dat het biljetten van 50 euro betrof, wat volgens de officier van justitie een aanwijzing is voor de conclusie dat het geld afkomstig is van de handel in drugs, is daarvoor niet voldoende. Verdachte heeft verklaard dat hij het geld heeft meegenomen uit Spanje om onderweg betalingen te kunnen doen. Het geld dat hij zou krijgen voor het vervoeren van de drugs (€ 5000,-) zou hij pas bij aflevering in Valencia ontvangen en had hij dus nog niet in zijn bezit. Dit komt de rechtbank ook niet ongebruikelijk voor.
De rechtbank ziet ook geen andere grond waarop het geld verbeurd kan worden verklaard. Daarom zal de teruggave van het contante geldbedrag van € 4.000,- aan verdachte worden gelast.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 gelast de teruggave van het contante geldbedrag ad € 4.000,- aan verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Schoo (voorzitter), mr. S.C.A.M. Janssen en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 april 2026.
mr. Wiersma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025375286, gesloten op 2 oktober 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.