Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2660

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
233097-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling ontucht met cliënt door hulpverlener met beroepsverbod en taakstraf

De rechtbank Gelderland heeft op 3 april 2026 een man veroordeeld voor het plegen van ontucht met een cliënt die aan zijn zorg was toevertrouwd. De feiten vonden plaats tussen februari en juni 2023 in Didam en Zelhem, waarbij de verdachte als hulpverlener meerdere malen seksuele handelingen met het slachtoffer heeft verricht. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van het slachtoffer, die gediagnosticeerd is met een dissociatieve stoornis en PTSS.

De verdachte heeft bekend en verklaarde dat hij een romantische relatie met het slachtoffer meende te hebben, maar de rechtbank benadrukte de machtsverhouding en de professionele verantwoordelijkheid die de verdachte had. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn psychische problematiek en jeugdtrauma's, en het feit dat hij blanco strafrechtelijk verleden had.

De officier van justitie eiste 18 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, en een beroepsverbod van vijf jaar. De rechtbank legde een lagere straf op: 360 dagen gevangenisstraf waarvan 359 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, een taakstraf van 240 uur en een beroepsverbod van vijf jaar. Tevens werd een schadevergoeding van €6.000 aan smartengeld toegekend aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente vanaf april 2023. De rechtbank wees het overige deel van de schadevergoeding af wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 360 dagen gevangenisstraf waarvan 359 voorwaardelijk, een taakstraf van 240 uur, een beroepsverbod van vijf jaar en een schadevergoeding van €6.000 aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05-233097-25
Datum uitspraak : 3 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1959 in [geboorteplaats],
wonende aan [adres],
[postcode], in [woonplaats].
Raadsman: mr. E.J.M.J. Damen, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2023 tot en met 30 juni 2023 te Didam en/of Zelhem, althans in Nederland, terwijl hij, verdachte, werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door meermalen, althans eenmaal,
- het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
- ( met) die [slachtoffer] te (tong)zoenen en/of knuffelen en/of
- te strelen over de (ontblote) rug van die [slachtoffer].
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever], p. 11-14;
- het studioverhoor verbatim, p. 59-77;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 maart 2026.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij
op een of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 1 februari 2023 tot en met 30 juni 2023 te Didam en
/ofZelhem,
althans in Nederland,terwijl hij, verdachte, werkzaam was in de
gezondheidszorg en/ofmaatschappelijke zorg ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], die zich als
patiënt en/ofcliënt aan verdachtes hulp en
/ofzorg had toevertrouwd, door meermalen,
althans eenmaal,
- het brengen en
/ofbewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en
/oftussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en
/of
-
(met)die [slachtoffer] te (tong)zoenen en
/ofknuffelen en
/of
- te strelen over de
(ontblote
)rug van die [slachtoffer].
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
werkzaam in de maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een contactverbod. Daarnaast eist de officier van justitie een beroepsverbod op grond van artikel 28 van Pro het Wetboek van Strafrecht, voor de duur van vijf jaar, ten aanzien van functies als behandelaar, begeleider, sociaal psychiatrische verpleegkundige of vergelijkbare functies waarbij gewerkt wordt met kwetsbare personen en sprake is van een machtsverhouding.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een dag wordt opgelegd, gecombineerd met een forse taakstraf.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte, waaronder de blanco strafrechtelijke documentatie van verdachte.
Verdachte heeft zich gedurende een half jaar schuldig gemaakt aan ontucht. Hij is als begeleider een behandelrelatie met zijn cliënt aangegaan in 2018. Begin 2023 werd hij verliefd op haar en in zijn beleving ontstond er een romantische relatie. Hij heeft vier keer vaginale seks met haar gehad, heeft met haar gezoend en geknuffeld. De relatie tussen een cliënt en een hulpverlener brengt een hoge mate van afhankelijkheid met zich mee. De hulpverlener draagt dan ook een bijzondere verantwoordelijkheid voor zijn cliënt. Verdachte had zich als hulpverlener professioneel moeten opstellen en geen misbruik mogen maken van de kwetsbaarheid van zijn cliënte en haar afhankelijkheid. Het slachtoffer is een kwetsbare vrouw met een belast verleden. Ze is gediagnosticeerd met een dissociatieve stoornis (DIS) en PTSS. De gevolgen van het ten laste gelegde feit komen duidelijk naar voren in haar indringende schriftelijke slachtofferverklaring. Desondanks heeft verdachte zijn eigen gevoelens vooropgesteld. Hij heeft daarmee de psychische en lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast en ook haar vertrouwen in hem geschonden.
De reclassering schrijft in haar rapport van 5 maart 2026 dat verdachte zelf een belast verleden kent. In zijn vroege jeugd was sprake van een onveilige thuissituatie met geweld. Reeds op zijn 11e jaar waren zijn beide ouders overleden en kwam hij als wees in een kindertehuis terecht. Verdachte kampte gedurende meerdere periodes in zijn leven lang met psychische problematiek waarvoor hij op diverse momenten in zijn leven hulpverlening heeft gehad. Hij is gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis en een depressieve stoornis. Ook heeft verdachte last van angstklachten. Hij heeft naar aanleiding van het ten laste gelegde feit hulp gezocht bij Pro Persona en dit behandeltraject is in 2025 afgerond. Verdachte is uit het BIG-register geschreven en heeft sinds juli 2023 geen contact meer gehad met het slachtoffer. De reclassering schat het recidiverisico in als laag en adviseert een deels voorwaardelijke straf met een meldplicht en een verbod op werkzaamheden waarbij verdachte in aanraking komt met kwetsbare groepen of waar sprake is van een machtsverhouding. De rechtbank neemt dit advies over.
De rechtbank komt tot een lagere straf dan de officier van justitie. De ontucht heeft ongeveer drie jaar geleden plaatsgevonden. Na de aangifte in 2023 is verdachte pas op 9 april 2025 aangehouden en verhoord. De impact van deze langdurige onzekerheid, zeker in het geval van een
first offender, weegt de rechtbank substantieel mee in strafmatigende zin. Zonder iets af te willen doen aan de ernst van het feit, die in principe een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, is het onder deze omstandigheden niet langer gepast om aan verdachte een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank weegt in dat kader in strafmatigende zin ook voornoemde persoonlijkheidsproblematiek van verdachte mee.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, waarvan 359 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, oplegging van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden en een taakstraf van 240 uur, passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een beroepsverbod ten aanzien van het werken met kwetsbare personen opleggen voor de duur van vijf jaar.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 37.000 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Overweging van de rechtbank
Smartengeld
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij haar vordering baseert op de Rotterdamse schaal inzake geestelijk letsel. Op grond van de stukken in het dossier staat vast dat de benadeelde een belast verleden kent met psychische en sociale problemen. Om die reden was hulpverlening al in beeld. Haar klachten zijn door het bewezenverklaarde feit verergerd, maar de rechtbank kan op basis van de onderliggende stukken niet vaststellen welke klachten specifiek, en in welke mate, aan verdachte zijn toe te rekenen en welke niet. Ook een duidelijke prognose komt in de stukken niet naar voren. De behandeling van de vordering zou, in het geval van een beoordeling op grond van de Rotterdamse Schaal
omtrent geestelijk letsel, gezien het voorgaande een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Om die reden beoordeelt de rechtbank de vordering van de benadeelde partij onder meer op grond van de Rotterdamse Schaal
inzake seksuele misdrijven.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde en waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Door de ontucht is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Verdachte heeft in zijn functie als hulpverlener meerdere malen seks met haar gehad en daarmee haar persoonlijke integriteit aangetast en haar vertrouwen geschonden. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit, de Rotterdamse Schaal inzake seksuele misdrijven en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Ook houdt de rechtbank rekening met de duur, frequentie en intensiteit van de ontucht en de bijzondere kwetsbaarheid van het slachtoffer. Naar maatstaven van billijkheid zal de rechtbank het smartengeld op een bedrag van € 6.000,00 vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Verdachte is vanaf 16 april 2023 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. Deze datum ligt in het midden van de periode waarbinnen de seksuele contacten plaatsvonden tussen verdachte en de benadeelde partij.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 28, 31 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  • verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Houtwal 16a te Zutphen.
  • verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1979.
 stelt als overige voorwaarden dat:
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;
 geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
 ontzet verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van hulp- of zorgverlener in de gezondheidszorg en maatschappelijke zorg of andersoortige functies of werkzaamheden waarin (kwetsbare) personen (mede) aan zijn zorg zijn toevertrouwd, voor de
duur van 5 jaren;
 legt op een
taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 6.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 april 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 6.000,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 april 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 55 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Sno (voorzitter), mr. H.C. Leemreize en mr. A. Bril, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.N. Witteveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 april 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023363309, onderzoeknummer ONRBC23489, gesloten op 31 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.