Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2652

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
12097027
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:662 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonvordering wegens overgang van onderneming tussen uitzendbureaus

De eiser is sinds 1 maart 2024 werkzaam via Work & Beyond als glastuinbouwmedewerker bij GrowPlant. Na ziekmelding in juni 2024 en betermelding in december 2024, vordert zij betaling van achterstallig loon over haar ziekteperiode. Werk & Beyond betwist de overgang van onderneming en wijst betaling af.

De kantonrechter beoordeelt in kort geding of er sprake is van een overgang van onderneming tussen Work & Beyond en Werk & Beyond. Gelet op de feitelijke omstandigheden, waaronder het voortzetten van dezelfde werkzaamheden, het overnemen van personeel en clientèle, en het ontbreken van een nieuwe arbeidsovereenkomst, wordt geconcludeerd dat Werk & Beyond de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst heeft overgenomen.

Hierdoor is Werk & Beyond gehouden het achterstallige loon, wettelijke verhoging en rente te betalen. Ook worden proceskosten aan Werk & Beyond opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Werk & Beyond is gehouden tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging, rente en proceskosten wegens overgang van onderneming.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 12097027 \ VV EXPL 26-17
Vonnis in kort geding van 23 maart 2026
in de zaak van
[naam eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
toevoegingsnummer: 2HC9767,
gemachtigde: mr. I.M.H. Bloemen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WERK & BEYOND B.V.,
gevestigd te Huissen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Werk & Beyond,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 februari 2026 met producties 1 t/m 20
- de e-mail van 2 maart 2026 met producties van Werk & Beyond.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026, waarbij Werk & Beyond het woord heeft gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Van wat partijen verder hebben verklaard, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Vervolgens is bepaald dat vandaag een vonnis wordt gewezen.

2.De feiten

2.1.
[de eiser] is met Work & Beyond B.V. (hierna Work & Beyond) per 1 maart 2024 een uitzendovereenkomst fase 1/ 2 (A) aangegaan, op basis waarvan zij bij een inlener, te weten GrowPlant, als glastuinbouw medewerker werkzaamheden is gaan uitvoeren. De arbeidsduur bedraagt maximaal 40 uur per week en het uurloon € 14,71 bruto. De overeenkomst is voor de duur van 12 maanden gesloten en werd eenmaal stilzwijgend verlengd.
2.2.
De heer [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ) is bestuurder van Holding & Beyond B.V.. Deze holding is bestuurder van Work & Beyond.
2.3.
In artikel 9 van Pro de arbeidsovereenkomst wordt over de arbeidsongeschiktheid van de uitzendkracht het volgende bepaald (productie 2 dagvaarding):
“(…)
De uitzendkracht heeft tijdens zijn arbeidsongeschiktheid gedurende de looptijd van de uitzendovereenkomst de eerste 52 weken recht op doorbetaling van 90% van het naar tijdruimte vastgestelde loon. Het wettelijk minimumloon geldt hierbij als ondergrens. Gedurende de 53e tot 104e week heeft de uitzendkracht recht op 80% van het naar tijdruimte vastgestelde loon. Het bovenstaande geldt conform artikel 25 van Pro de NBBU-cao.
(…)”
2.4.
Op 21 juni 2024 heeft [de eiser] zich ziekgemeld, waarna [bestuurder] haar verwezen heeft naar het UWV voor het aanvragen van een uitkering. In september en november 2024 heeft [de eiser] bij [bestuurder] geïnformeerd hoe de betaling van haar loon tijdens haar arbeidsongeschiktheid verder zal verlopen.
2.5.
Op 23 december 2024 heeft [de eiser] haar werkzaamheden hervat.
2.6.
Bij brief van 6 november 2025 heeft de gemachtigde van [de eiser] bij Work & Beyond aanspraak gemaakt op betaling van het achterstallig salaris, te vermeerderen met de wettelijke verhoging. Work & Beyond is niet tot betaling daarvan overgegaan.
2.7.
Work & Beyond is op 31 december 2025 uitgeschreven uit het handelsregister wegens het ontbreken van baten.
2.8.
Werk & Beyond heeft bij brief van 24 januari 2026 aan [de eiser] meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2026 niet zal worden verlengd.

3.De vordering en het verweer

3.1.
[de eiser] vordert bij vonnis, na eisvermindering, uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van Werk & Beyond:
- tot betaling van:
I. het brutoloon van € 12.345,16 over de periode 21 juni 2024 tot 23 december 2024;
II. de wettelijke verhoging over € 12.345,16, te weten: € 6.172,58;
III. de wettelijke rente over € 12.345,16 en over € 6.172,58, te weten:
€ 1.174,44, tot en met 25 november 2025 en vanaf 26 november 2025 tot de dag van algehele betaling;
IV. de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening van het te wijzen vonnis tot en met de dag van algehele betaling;
- tot het verstrekken van deugdelijke bruto/netto specificaties van alle nog verschuldigde loonbedragen aan [de eiser] binnen twee weken na het te wijzen vonnis.
3.2.
[de eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat sprake is van een overgang van onderneming van Work & Beyond naar Werk & Beyond, op grond waarvan de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst tussen [de eiser] en Work & Beyond van rechtswege zijn overgegaan op Werk & Beyond. Werk & Beyond is haar daarom loon over de periode dat [de eiser] arbeidsongeschikt was, verschuldigd.
3.3.
Werk & Beyond concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] . Zij betwist dat sprake is van overgang van onderneming. [de eiser] dient zich voor haar vordering te wenden tot Work & Beyond.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling relevant, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Toetsingskader
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [de eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Spoedeisend belang
4.2.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering, te weten een loonvordering vanwege (achterstallig) salaris.
Overgang van onderneming
4.3.
Voordat toegekomen wordt aan de vorderingen van [de eiser] , dient eerst te worden beoordeeld of sprake is van een overgang van onderneming tussen Work & Beyond en Werk & Beyond, op grond waarvan de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst tussen [de eiser] en Work & Beyond van rechtswege zijn overgegaan op Werk & Beyond.
4.4.
Ingevolge artikel 7:662 BW Pro is van een overgang van onderneming sprake bij de overgang, ten gevolge van overeenkomst, fusie of splitsing, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt. Bij de vaststelling of een economische eenheid haar identiteit behoudt, moet rekening gehouden worden met alle feitelijke omstandigheden die de betrokken transactie kenmerken, zoals de aard van de betrokken onderneming of vestiging, de vraag of materiële activa als gebouwen en roerende zaken worden overgedragen, de waarde van de immateriële activa op het tijdstip van de overgang, de vraag of vrijwel al het personeel door de nieuwe ondernemer wordt overgenomen of niet, de vraag of de clientèle wordt overgedragen, de mate waarin de voor en na de overgang verrichte activiteiten met elkaar overeenkomen en de duur van een eventuele onderbreking van die activiteiten. [1] Al deze factoren zijn evenwel slechts deelaspecten van het te verrichten globale onderzoek en mogen daarom niet elk afzonderlijk worden beoordeeld. Het belang dat moet worden gehecht aan de onderscheiden factoren, verschilt naar gelang van de uitgeoefende activiteit en tevens van de productiewijze of bedrijfsvoering in de onderneming.
4.5.
[bestuurder] heeft namens Werk & Beyond op de zitting verklaard dat hij eind 2023 met de twee andere vennoten in Work & Beyond een conflict had. Dit was voor hem de aanleiding om Werk & Beyond op te richten met als doel om daarin verder te gaan en te stoppen met zijn werk in Work & Beyond. Werk & Beyond dient naar het oordeel van de kantonrechter dan ook beschouwd te worden als een splitsing van Work & Beyond.
4.6.
Werk & Beyond heeft aangevoerd dat er geen activa, contracten, schulden of administratie aan haar zijn overgedragen, zodat geen sprake kan zijn van een overgang van onderneming. [de eiser] is bovendien na haar betermelding een nieuwe arbeidsovereenkomst aangegaan met Werk & Beyond, aldus Werk & Beyond. Dit verweer wordt verworpen. [de eiser] heeft onbetwist gesteld dat er in haar werkzaamheden en functie niets is veranderd. Zij is immers na haar betermelding dezelfde werkzaamheden bij dezelfde inlener, namelijk Growplant, blijven uitvoeren. [bestuurder] fungeerde nog altijd als haar contactpersoon over werk gerelateerde zaken. Andere werknemers, die eveneens werkzaam waren bij Work & Beyond en door Growplant werden ingeleend, zijn bovendien meegegaan naar Werk & Beyond. Daarnaast bleef [de eiser] loonstroken ontvangen, waarop op een gegeven moment Werk & Beyond werd vermeld. Het bestaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst met Werk & Beyond heeft zij betwist. Dit wordt bevestigd door het gegeven dat op de door Werk & Beyond overgelegde arbeidsovereenkomst van 23 december 2024 de handtekening van [de eiser] ontbreekt. Verder kan uit het door [de eiser] overgelegde uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel worden afgeleid dat Werk & Beyond zich net als Work & Beyond bezighoudt met het exploiteren van een uitzendbureau, zodat er een grote mate van overeenkomst is tussen de activiteiten. Daar komt bij dat [bestuurder] ter zitting heeft verklaard dat hij klanten van Work & Beyond heeft verteld dat hij Werk & Beyond heeft opgericht en aan hen heeft gevraagd om zij mee wilden gaan naar Werk & Beyond. Vast is komen te staan dat Growplant een klant is van Werk & Beyond, zodat dit naar het voorshandse oordeel van de kantonrechter aangemerkt kan worden als het overnemen van clientèle.
4.7.
De hiervoor genoemde omstandigheden leiden tot het voorshandse oordeel dat in een bodemprocedure naar alle waarschijnlijkheid zal worden geoordeeld dat sprake is van een overgang van onderneming. Dit brengt mee dat de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst tussen [de eiser] en Work & Beyond van rechtswege zijn overgegaan op Werk & Beyond, zodat Werk & Beyond gehouden is tot betaling van het achterstallig loon over de periode 21 juni 2024 tot 23 december 2024 aan [de eiser] . Aangezien Werk & Beyond geen inhoudelijk verweer tegen de (hoogte van de) vorderingen van [de eiser] heeft gevoerd, zullen deze worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten
4.8.
Werk & Beyond wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [de eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Werk & Beyond niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
Totaal
814,00
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Werk & Beyond om aan [de eiser] te betalen een bedrag van
€ 12.345,16 brutoloon over de periode 21 juni 2024 tot 23 december 2024,
5.2.
veroordeelt Werk & Beyond om aan [de eiser] te betalen de wettelijke verhoging van € 6.172,58,
5.3.
veroordeelt Werk & Beyond om aan [de eiser] te betalen de wettelijke rente berekend over het brutoloon van € 12.345,16 en over de wettelijke verhoging van € 6.172,58 tot en met 25 november 2025, zijnde een bedrag van € 1.174,44, en verder vanaf
26 november 2025 tot de dag van algehele betaling,
5.4.
veroordeelt Werk & Beyond om binnen twee weken na heden aan [de eiser] deugdelijke bruto/netto specificaties van alle nog verschuldigde loonbedragen te verstrekken,
5.5.
veroordeelt Werk & Beyond in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.6.
veroordeelt Werk & Beyond tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.
46409/51733

Voetnoten

1.Zie o.a. HvJ EG 18 maart 1986 NJ 1986, 502 ‘‘Spijkers’’, 11 maart 1997, JAR 1997/91 ‘‘Süzen’’ en 20 november 2003, JAR 2003/298 ‘‘Sodexho’’.