Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2646

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
K/5004/11853954
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 lid 1 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tandartsrekening na keuze patiënt voor etsbruggen ondanks risico's

De eiser, een tandartspraktijk, vordert betaling van een factuur voor het plaatsen van twee etsbruggen bij de gedaagde. De gedaagde betwist de vordering en stelt dat hij niet is gewaarschuwd voor het risico dat de kronen zouden loslaten, en dat de behandeling niet het beloofde resultaat gaf.

De rechtbank oordeelt dat de gedaagde voldoende is voorgelicht over de behandelingsopties en de risico's, en dat hij bewust koos voor de etsbruggen ondanks het risico op loslatende tanden. De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder supervisie van de eiser, en de gedaagde heeft de technische uitleg begrepen.

De rechtbank wijst de hoofdsom en de wettelijke rente tot 5 augustus 2025 toe, maar wijst de buitengerechtelijke incassokosten af vanwege een onjuiste aanmaning. De reeds verrichte betalingen worden in mindering gebracht, waardoor een klein restantbedrag resteert. De gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente over deze kosten.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gedaagde tot betaling van de hoofdsom en wettelijke rente, wijst de incassokosten af en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11853954 \ CV EXPL 25-2406
Vonnis van 6 maart 2026
in de zaak van
[naam eiser] , TEVENS HANDELEND ONDER DE NAAM [naam eisend bedrijf],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: P.M.C. Tjepkema,
tegen
[naam gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 augustus 2025
- de e-mail van 27 januari 2026 van de kant van [de eiser] , met productie 7
- de twee ter zitting door eiser overgelegde producties
- de mondelinge behandeling van 3 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Daarna is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
[de eiser] vordert bij dagvaarding dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [de gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 1.654,60, bestaande uit € 1.273,58 aan hoofdsom, € 231,16 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 149,86 aan wettelijke rente tot en met 5 augustus 2025. Verder vordert [de eiser] de wettelijke rente over € 1.273,58 vanaf 6 augustus 2025 en de veroordeling van [de gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vijftien dagen na vonnisdatum.
2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de eiser] zijn vordering verminderd met € 425,00 (betaald op 6 augustus 2025) en € 1.001,84 (betaald op 26 augustus 2025). [de gedaagde] heeft bij de betalingen de opmerking geplaatst dat hij onder protest betaalt.
2.3.
[de eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij op 13 september 2023 in opdracht en voor rekening van [de gedaagde] tandheelkundige werkzaamheden heeft verricht. [de eiser] stelt dat [de gedaagde] twee etsbruggen geplaatst wenste te krijgen en dat hij [de gedaagde] heeft gewezen op het risico dat de tandjes eruit zouden kunnen vallen, omdat [de gedaagde] koos voor een bepaalde behandeling. Ondanks het advies voor het plaatsen van een brug of een implantaat, koos [de gedaagde] ervoor om de etsbruggen op de door hem gewenste wijze te laten plaatsen. Vervolgens liet de etsbrug vrij snel daarna los, waarna [de eiser] deze op 4 oktober 2024 kosteloos heeft teruggeplaatst. Omdat [de gedaagde] ondanks sommatie niet is overgegaan tot het betalen van de behandelingskosten, is hij naast de wettelijke rente ook de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd, aldus [de eiser] .
2.4.
[de gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van [de eiser] . Volgens [de gedaagde] heeft de behandelend tandarts, de heer [medewerker eisend bedrijf] , toegezegd dat de behandeling een resultaat voor langere termijn zou geven. Na een week viel echter al één kroon uit. Deze is weer teruggeplaatst maar na twee weken zat hij weer los. Ook de tweede kroon is eruit gevallen en was daarna onvindbaar. [de gedaagde] betwist dat hij is gewaarschuwd dat de kronen eruit zouden kunnen vallen. Verder voert [de gedaagde] aan dat hij meerdere mails heeft gestuurd naar [de eiser] , maar dat daarop nooit een reactie is gekomen. Pas in november 2024 kwam een reactie in de vorm van een betalingsherinnering. Tot slot voert [de gedaagde] aan dat hij het factuurbedrag met rente en dagvaardingskosten onder protest heeft betaald. [de gedaagde] wenst dit bedrag terug te krijgen.
2.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
[de gedaagde] erkent dat hij opdracht heeft gegeven voor het plaatsen van twee etsbruggen. Vaststaat dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd door een tandarts in opleiding, de heer [medewerker eisend bedrijf] (hierna: [medewerker eisend bedrijf] ). Dat [medewerker eisend bedrijf] in opleiding was ten tijde van het plaatsen van de etsbruggen, is naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant. [de eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling immers gesteld dat [medewerker eisend bedrijf] de werkzaamheden onder zijn supervisie heeft verricht en [de gedaagde] heeft dat onvoldoende gemotiveerd betwist. Deze stelling van [de eiser] strookt overigens met hetgeen is vermeld op de patiëntenkaart, die als productie 7 ten behoeve van de mondelinge behandeling in het geding is gebracht. Daarbij komt dat [medewerker eisend bedrijf] al een gecertificeerd tandarts in Turkije was.
3.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [de eiser] voldoende gesteld en onderbouwd dat [de gedaagde] voldoende is voorgelicht over de tandheelkundige behandeling. De verschillende opties zijn besproken en [de gedaagde] heeft deze opties begrepen. [de gedaagde] betwist dit en wijst op een mogelijke taalachterstand, maar tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [de gedaagde] precies kan navertellen welke opties aan hem zijn gepresenteerd. Deze technische informatie heeft hij kennelijk wel begrepen, maar de waarschuwing zou dan niet begrepen zijn. Dit acht de kantonrechter niet aannemelijk. [de gedaagde] heeft na voorlichting gekozen voor etsbruggen en niet een (volledige) brug (dit vond [de gedaagde] niet mooi) of een implantaat (dit was veel duurder). [de eiser] heeft onweersproken gesteld dat de etsbruggen op verzoek van [de gedaagde] daarna uit esthetisch oogpunt ook nog zijn aangepast, zodat de klemmen minder zichtbaar waren, hetgeen een nog brozer resultaat gaf. De stelling dat [de gedaagde] is gewezen op de risico’s van het aanbrengen en aanpassen van de etsbruggen strookt eveneens met de omschrijving op de patiëntenkaart en is gezien het voorgaande door [de gedaagde] onvoldoende weersproken. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [de gedaagde] bewust gekozen voor het plaatsen van aangepaste etsbruggen en daarmee het risico aanvaard dat de tanden los konden komen. Van een wanprestatie door [de eiser] is dan ook geen sprake. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het verweer van [de gedaagde] niet slaagt, zodat de behandelingskosten van € 1.273,58 toewijsbaar zijn.
3.3.
De verschenen rente van € 149,86 tot en met 5 augustus 2025 is niet betwist, zodat deze toewijsbaar is.
3.4.
[de eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat aanmaning niet overeenkomstig de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro heeft plaatsgevonden. Aan [de gedaagde] is geen termijn gegeven van (minimaal) veertien dagen, ingaande de dag na ontvangst van de aanmaning, om aan de betalingsverplichting te voldoen.
3.5.
Uit het voorgaande volgt dat, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:44 lid 1 BW Pro – verrichte betalingen strekken eerst in mindering op rente (en kosten) – het volgende bedrag toewijsbaar is:
Hoofdsom
1.273,58
Verschenen wettelijke rente t/m 5 augustus 2025
149,86
Subtotaal
1.423,44
Af: betaling 6 augustus 2025
Af: betaling 26 augustus 2025
425,00
1.001,84
Totaal
3,40
-
3.6.
[de gedaagde] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
945,64
3.7.
Het onder rov. 3.5 berekende bedrag van € 3,40 strekt in mindering op de begrote proceskosten, zodat nog een bedrag resteert van € 942,24.
3.8.
De gevorderde wettelijke rente over de resterende proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 942,24, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.2.
veroordeelt [de gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.
858/560