ECLI:NL:RBGEL:2026:2628

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
AWB23_3965
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Wevers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a Wet BPMArt. 4:17 AwbArt. 6:2 AwbRichtlijn 1999/37/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag BPM wegens juiste teruggaaf bij export via Duitsland naar niet-EU/EER land

Belanghebbende heeft in 2017 een verzoek ingediend voor teruggaaf van BPM wegens export van een in Nederland geregistreerde auto die op dat moment in Duitsland werd ingeschreven. De auto is vervolgens via Duitsland naar Montenegro, een niet-EU/EER land, geëxporteerd. De inspecteur legde een naheffingsaanslag BPM, belastingrente en een vergrijpboete op, waarbij de boete werd vernietigd na bezwaar.

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende voldoet aan de voorwaarden van artikel 14a Wet BPM voor teruggaaf, omdat de inschrijving in Duitsland duurzaam is en niet tijdelijk. De latere export naar Montenegro doet hieraan niet af. Het leerstuk fraus legis is niet van toepassing omdat niet is voldaan aan het normvereiste en er een commercieel belang is bij de Duitse inschrijving.

De rechtbank vernietigt daarom de naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking. De gevorderde dwangsom wegens overschrijding beslistermijn wordt afgewezen omdat de inspecteur tijdig uitspraak op bezwaar heeft gedaan. De rechtbank draagt de inspecteur op het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM en belastingrentebeschikking worden vernietigd omdat de teruggaaf BPM terecht is verleend bij duurzame inschrijving in Duitsland.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/3965

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 april 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats 1] , belanghebbende

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Enschede, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 1 juni 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 1.796.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 165 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en belanghebbende een vergrijpboete van € 449 opgelegd (de boetebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard voor zover dat op de boetebeschikking ziet. De inspecteur heeft de boetebeschikking vernietigd, de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking heeft hij gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende, [persoon A] en namens de inspecteur,
[persoon B] en [persoon C] .

Feiten

1. Op 30 juni 2017 heeft belanghebbende een verzoek om teruggaaf BPM wegens export van een in Nederland geregistreerd motorrijtuig met kenteken [kentekennummer 1] (de auto) ingediend bij de Belastingdienst. Per die datum is de inschrijving van de auto in het Nederlandse kentekenregister beëindigd. Bij het verzoek heeft belanghebbende een ‘Zulassungsbescheinigung Teil I (Fahrzeugschein)’ meegestuurd. Volgens dit bewijs gaat de Duitse registratie in op 3 juli 2017 en zal de auto met Duits kenteken [kentekennummer 2] op naam van [naam bedrijf] GMBH geregistreerd worden.
2. De datum van eerste toelating van de auto is 27 juni 2007 en de auto is voor het eerst in Nederland tenaamgesteld op 22 augustus 2008.
3. Eveneens op 30 juni 2017 is de digitale exportaangifte via de expediteur van belanghebbende naar de Douane verstuurd. De Douane heeft deze aangifte op dezelfde dag goedgekeurd.
4. De auto is van het adres van belanghebbende in [plaats 1] door Duitsland naar de koper in [plaats 2] (Montenegro) getransporteerd. De auto heeft op 6 juli 2017 via Kroatië de Europese Unie verlaten.
5. Met dagtekening 1 augustus 2017 is de goedkeurende BPM teruggaafbeschikking afgegeven. Op grond van deze beschikking is een teruggaaf aan BPM verleend van in het totaal € 4.448, waarvan € 1.796 ziet op de auto.
6. Met dagtekening 10 november 2022 heeft de inspecteur een brief vooraankondiging naheffing BPM en kennisgeving vergrijpboete naar belanghebbende gestuurd. In die brief heeft de inspecteur het volgende vermeld:
“Geachte heer/mevrouw,
In 2017 heeft u de inspecteur verzocht om op grond van artikel 14a, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (Wet BPM) teruggaaf van belasting te verlenen vanwege het buiten Nederland brengen van een of meer motorrijtuigen. U heeft in uw verzoek(en) aangegeven dat het betreffende motorrijtuig is uitgeschreven uit het kentekenregister en vervolgens is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EU/EER-lidstaat). Op grond van deze verklaring heeft de inspecteur u teruggaaf van BPM verleend.
Artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM, in samenhang bezien met de wetsgeschiedenis en gelet op doel en strekking van de bepaling, gaat er vanuit dat het voertuig (ook) feitelijk buiten Nederland wordt gebracht en wel naar het EU/EER-land waar het (export)kentekenbewijs wordt afgegeven. Hierbij is van belang dat het betreffende voertuig ook feitelijk is geëxporteerd en overgebracht naar een EU/EER-lidstaat.
Onlangs is gebleken dat u in 2017 een of meer motorrijtuigen (aantal: 1) waarvoor u teruggaaf van BPM heeft ontvangen, tevens bij de Douane ten uitvoer heeft aangegeven vanwege export buiten de EU/EER. Met andere woorden deze motorrijtuigen zijn vanwege export buiten de EU/EER gebracht. Dit is duidelijk in strijd met doel en strekking van artikel 14a Wet BPM. U heeft dan ook voor deze motorrijtuigen ten onrechte teruggaaf van BPM gevraagd en ontvangen.

Naheffing BPM

Ik heb dan ook het voornemen een naheffingsaanslag BPM op te leggen voor een totaal bedrag van € 1.796 vanwege ten onrechte ontvangen teruggaven van BPM.
Voor een gespecificeerd overzicht van de betreffende motorrijtuigen en ontvangen teruggaven verwijs ik u naar de bijlage bij deze brief.
(…)”
7. Met dagtekening 31 december 2022 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag BPM aan belanghebbende opgelegd van € 1.796, alsmede een belastingrentebeschikking van € 165 en een vergrijpboete van € 449. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
8. Bij e-mail van 26 mei 2023 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld en een dwangsom aangezegd. In die e-mail heeft belanghebbende onder meer het volgende vermeld
“(…)
De beslistermijn is op 5 mei verstreken. Hierbij stel ik u daarom in gebreke en verzoek u uiterlijk 10 juni 2023 te beslissen op mijn bezwaar. Wanneer binnen deze termijn geen beslissing is genomen, verbeurt de inspecteur de dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 Awb Pro en vormt dit tevens een fictieve weigering van de inspecteur om uitspraak te doen ex artikel 6:2 Awb Pro.
(…)”
9. Met dagtekening 1 juni 2023 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. De inspecteur heeft de boetebeschikking vernietigd, de naheffingsaanslag BPM en de belastingrentebeschikking gehandhaafd, en de gevorderde dwangsom afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

10. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht zijn opgelegd. Daarnaast beoordeelt zij of de inspecteur een dwangsom is verschuldigd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
11. Belanghebbende is van mening dat hij recht heeft op teruggaaf van BPM, omdat de auto op 3 juli 2017 in Duitsland is geregistreerd en aan die registratie zit geen einddatum. Dat de auto later (op 6 juli 2017) is geëxporteerd naar Montenegro (een niet EU/EER-land) doet daar niet aan af. Belanghebbende stelt verder dat de Belastingdienst ‘waardevolle informatie heeft achtergehouden’ en dat er ‘honderden gevallen zoals deze’ lopen. Ten slotte is belanghebbende van mening dat de inspecteur de beslistermijn op bezwaar heeft overschreden. Die termijn liep af op 5 mei 2023, aldus belanghebbende.
12. De inspecteur is van mening dat de teruggegeven BPM terecht is nagevorderd. Primair is de inspecteur van mening dat belanghebbende niet heeft voldaan aan het vereiste dat de auto is uitgevoerd naar een EU/EER-land om daar duurzaam op de openbare weg te worden gebruikt. De auto is slechts drie dagen op ‘doorreis’ geweest in Duitsland. Subsidiair is de inspecteur van mening dat sprake is van fraus legis. De auto is weliswaar formeel op Duits kenteken gezet, maar belanghebbende wist toen al dat de auto zou worden geëxporteerd naar Montenegro. De inspecteur wijst er in dit verband op dat er geen commerciële reden is voor tussenregistratie in Duitsland, omdat de Montenegrijnse afnemer van de auto al bekend was en akkoord is gegaan met de aankoop en import van de auto. De ‘honderden gevallen’ waaraan belanghebbende refereert zijn de inspecteur onbekend, en van het achterhouden van informatie is geen sprake, aldus de inspecteur. De inspecteur is ten slotte van mening dat de beslistermijn op bezwaar weliswaar is overschreden, maar dat dit geen gevolgen heeft voor de rechtskracht van zijn beslissing. De gevorderde dwangsom moet worden afgewezen, aldus de inspecteur.
Gevolgen van de overschrijding van de beslistermijn op bezwaar
13. Voor zover belanghebbende meent dat enkel vanwege de overschrijding van de beslistermijn op bezwaar, de uitspraak op bezwaar, dan wel de naheffingsaanslag BPM, dient te worden vernietigd, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. Die opvatting vindt geen steun in het recht.
Heeft de inspecteur de eerder verleende teruggaaf van BPM terecht nageheven?
14. Met ingang van 1 februari 2007 is de teruggaafregeling BPM van artikel 14a van de Wet BPM in werking getreden. [1] Artikel 14a van de Wet BPM is als volgt toegelicht: [2]
“(…)
Het nieuwe voorstel behelst een volledige heffing van BPM voor buitenlands gekentekende voertuigen, gehuurd door inwoners van Nederland, bij aanvang van het gebruik van de weg in Nederland. De vrijstelling voor kortstondig gebruik uit het oorspronkelijke voorstel wordt uitgebreid van één week naar een maand. Tegelijkertijd is voorzien in een teruggaaf van BPM bij export, waarbij rekening zal worden gehouden met een bij ministeriële regeling vast te stellen afschrijvingspercentage dat van de gebruiksduur afhankelijk is. Deze teruggaaf zal ook gaan gelden voor Nederlandse motorvoertuigen. De teruggaafregeling zal gelden voor motorvoertuigen met een registratiedatum of datum van aanvang van het gebruik van de weg in Nederland op of na 16 oktober 2006 en uitsluitend bij export naar een lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna: EU-lidstaten en EER-staten).
(…)”
15. Per 1 januari 2016 is de teruggaafregeling gewijzigd. [3] Vanaf dat moment wordt een teruggaaf van BPM verleend indien:
  • de tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister komt te vervallen omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht; en
  • het motorrijtuig overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (de kentekenbewijzenrichtlijn) wordt ingeschreven in een andere lidstaat van de Europese Unie (EU) of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER); en
  • als bewijs van die inschrijving door de bevoegde autoriteit een kentekenbewijs wordt afgegeven, met uitzondering van een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving van het motorrijtuig als bedoeld in artikel 1 van Pro die richtlijn.
16. De wijziging van de teruggaafregeling is in de memorie van toelichting als volgt toegelicht: [4]
“(…)
De teruggaafregeling bij export van motorrijtuigen van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) wordt zodanig aangepast dat de BPM-teruggaaf alleen wordt verleend indien het geëxporteerde motorrijtuig, overeenkomstig de Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (Richtlijn 1999/37/EG), duurzaam is ingeschreven in een andere EU-lidstaat of in een andere staat die partij is bij de Europese Economische Ruimte (EER). Dit werpt een drempel op tegen het ten onrechte verkrijgen van een teruggaaf bij export naar een land buiten de EU/EER via een bijvoorbeeld tijdelijke registratie in een land binnen de EU/EER.
(…)
De Belastingdienst heeft namelijk geconstateerd dat een deel van de uit Nederland naar een ander land binnen de EU/EER geëxporteerde motorrijtuigen direct nadat deze motorrijtuigen kortdurend waren geregistreerd in dat andere land van de EU/EER, wordt geëxporteerd naar een land buiten de EU/EER. Deze kortdurende registratie in dat andere land binnen de EU/EER dient dan uitsluitend het doel een teruggave van BPM te verkrijgen.
Op basis van een steekproef voor het jaar 2012 blijkt het te gaan om naar schatting enkele tientallen miljoenen euro’s aan teruggaaf van BPM (bij een export van circa 84.000 motorrijtuigen en een totale teruggaaf in 2012 van € 276 miljoen), louter op basis van een tijdelijke registratie in een ander land van de EU/EER gevolgd door export naar een land buiten de EU/EER. Dit spoort met geluiden uit de branche op dit punt. Als gevolg van de wijziging van artikel 14a van de Wet BPM 1992 wordt een kentekenbewijs op basis van een tijdelijke inschrijving als bedoeld in artikel 1 van Pro die richtlijn voortaan niet meer geaccepteerd als basis voor de teruggave van BPM bij export van motorrijtuigen. Het gaat hierbij om tijdelijke registraties – in de richtlijn «tijdelijke inschrijving» genoemd – ten blijke waarvan documenten worden afgegeven dan wel gebruikt die niet in alle opzichten voldoen aan de voorschriften van die richtlijn. Bij een export naar een ander land binnen de EU/EER, waar een motorrijtuig duurzaam ingeschreven wordt, zal in dat land geen tijdelijke maar een permanent kenteken worden aangevraagd en kan teruggave worden verkregen. In de gevallen waarin toch een tijdelijk kenteken wordt aangevraagd omdat het motorrijtuig bijvoorbeeld via Duitsland naar een ander EU-land wordt geëxporteerd, moet degene op wiens naam het motorrijtuig in Nederland was geregistreerd wachten met het terugvragen van de BPM tot het motorrijtuig in het definitieve EU-land van bestemming permanent is ingeschreven. Een teruggave van BPM blijft in die gevallen mogelijk.
(…)”
17. In het advies van de afdeling advisering van de Raad van State en het nader rapport is over wijziging van de teruggaafregeling onder meer het volgende vermeld: [5]
“(…)
De Afdeling merkt op dat er niet wordt ingegaan op de situatie waarin – ook met de opzet om te exporteren naar een land buiten de EU/EER – eerst sprake is van een duurzame inschrijving in een ander land van de EU/EER (hetgeen leidt tot een teruggaaf van BPM), kort daarna alsnog gevolgd door een export naar een land buiten de EU/EER. Door eerst duurzaam in te schrijven (en kort daarna toch te exporteren) kan derhalve nog steeds een teruggaaf van BPM worden verkregen. Naar het de Afdeling voorkomt zijn daarmee vraagtekens te plaatsen bij de effectiviteit van het voorstel omdat niet bedoeld gebruik aldus mogelijk blijft.
(…)
Het onbedoelde gebruik van de teruggaafregeling BPM doet zich met name voor bij export op basis van een tijdelijke kentekenregistratie in een ander land dan Nederland binnen de EU/EER. Een dergelijk gebruik van de regeling wordt veroorzaakt doordat een tijdelijke kentekenregistratie vaak op eenvoudige wijze, tegen lage kosten en met weinig administratieve lasten in dat andere land binnen de EU/EER is te verkrijgen. Zo is het mogelijk op grond van een dergelijk, tijdelijk kenteken een teruggaaf van BPM te krijgen, terwijl het motorrijtuig – al dan niet rechtstreeks – geëxporteerd wordt naar een land buiten de EU/EER. Met deze maatregel wordt een drempel opgeworpen tegen dit onbedoelde gebruik van de teruggaafregeling BPM. Uiteraard blijft het – zoals de Afdeling terecht opmerkt – mogelijk om na een duurzame, permanente kentekenregistratie in een ander land van de EU/EER het motorrijtuig te exporteren naar een derde land buiten de EU/EER.
(…)”
18. In de nota naar aanleiding van het verslag is over de wijziging van de teruggaafregeling het volgende opgenomen: [6]
“(…)
De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de teruggaafregeling van de BPM exact wordt aangescherpt. In de huidige situatie geeft elke inschrijving van een motorrijtuig (export) in een andere lidstaat respectievelijk land binnen de EU/EER recht op een teruggaaf van BPM. De voorgestelde aanscherping van de teruggaafregeling BPM beperkt deze teruggaaf van BPM tot die situaties waarin sprake is van een duurzame inschrijving in een andere lidstaat of ander land binnen de EU/EER. Dit sluit beter aan bij de Europese regelgeving van inschrijving van het kentekenbewijs, te weten Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen (PbEG 1999, L 138). Het gevolg van de aanscherping is dat een kentekenbewijs op basis van een tijdelijke inschrijving in andere EU-lidstaat of ander EER-land niet wordt geaccepteerd als grond voor de teruggave van BPM bij export van motorrijtuigen.
(…)
De leden van de fractie van de SP vragen of het kabinet verwacht dat naar aanleiding van de voorgestelde maatregel het ten onrechte verkrijgen van een teruggaaf zal worden teruggedrongen. De leden van de fracties van het CDA en de ChristenUnie en het lid [naam lid] vragen naar onbedoeld gebruik van de BPM-teruggaaf regeling door via een duurzame inschrijving van een motorrijtuig in een andere EU-/EER-staat het motorrijtuig alsnog te exporteren naar een derde staat buiten de EU/EER. De leden van de fractie van het CDA en het lid [naam lid] vragen daarbij tevens wat een duurzame inschrijving in een EU-/EER (lid)staat inhoudt. Met de genomen maatregel wordt een drempel opgeworpen om onbedoeld gebruik van de teruggaafregeling BPM bij export van motorrijtuigen zo veel mogelijk te voorkomen. Ik realiseer mij dat deze drempel geen muur is, maar maatwerk binnen het Europese vrije verkeer. De teruggaafregeling van BPM bij export sluit op deze wijze beter aan bij de Europese Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen. Op 8 juni jl. heb ik aangegeven dat het uiteraard mogelijk blijft om na een duurzame, permanente kentekenregistratie in een andere EU-lidstaat of ander EER-land het motorrijtuig te exporteren naar een derde land buiten de EU/EER en dat met de aanpassing van artikel 14a Wet BPM 1992 een drempel wordt opgeworpen tegen onbedoeld gebruik van de teruggaafregeling BPM.
Met een duurzame inschrijving wordt bedoeld dat het motorrijtuig voor onbepaalde tijd wordt ingeschreven in een andere EU-lidstaat of ander EER-land. In de praktijk betekent dit het kunnen overleggen van een permanent kentekenbewijs dat voldoet aan de voorwaarden van de Richtlijn kentekenbewijzen. Hierdoor zullen tijdelijke kentekenregistraties (een kentekenregistratie met een beperkte geldigheidsduur of een kentekenregistratie die niet voldoet aan de Europese Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen) geen recht meer geven op een teruggaaf van BPM bij export.
(…)
De leden van de fractie van de PvdA vragen of er een minimumperiode van toepassing is voor het «duurzaam» ingeschreven staan van het motorrijtuig op een buitenlands kenteken. Verder vragen deze leden of de BPM direct bij export wordt teruggegeven en later wordt teruggevorderd als het motorrijtuig niet duurzaam ingeschreven staat. Er geldt geen minimumperiode voor het «duurzaam» ingeschreven staan van het motorrijtuig in de EU-lidstaat of in het EER-land waarnaar het motorrijtuig vanuit Nederland is geëxporteerd. De Belastingdienst controleert op het moment waarop het verzoek om teruggaaf van BPM bij export wordt gedaan of de bijgevoegde kopie van het kentekenbewijs voldoet aan de voorwaarden van de Europese Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen. Als de kopie voldoet en aan de overige voorwaarden voor de teruggaaf wordt voldaan verleent de Belastingdienst de teruggaaf van BPM. Als in een later stadium blijkt dat ten onrechte BPM is teruggegeven dan zal de Belastingdienst dat bedrag aan BPM naheffen van de indiener van het verzoek om teruggaaf.
(…)”
19. Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer zijn nadere vragen gesteld over een minimumperiode van een duurzame inschrijving: [7]
“(…)
Ten aanzien van de aanpassing van de teruggaafregeling van BPM bij export van motorrijtuigen vragen de leden van de fractie van D66 waarom geen minimumperiode van een duurzame inschrijving is opgenomen. Er geldt op grond van recht van de Europese Unie (EU) geen minimumperiode voor het «duurzaam» ingeschreven staan van het motorrijtuig in de EU-lidstaat of in een land van de Europese Economische Ruimte (EER) waarnaar het motorrijtuig vanuit Nederland is geëxporteerd. Van belang voor de teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) is dat het motorrijtuig voor onbepaalde tijd wordt ingeschreven in een andere EU-lidstaat of ander EER-land. De Belastingdienst controleert op het moment waarop het verzoek om teruggaaf van BPM bij export wordt gedaan of de bijgevoegde kopie van het kentekenbewijs voldoet aan de voorwaarden van de Europese Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen. Als de kopie voldoet en aan de overige voorwaarden voor de teruggaaf wordt voldaan, verleent de Belastingdienst de teruggaaf van BPM. Het invoeren van een minimumperiode zou betekenen dat de Belastingdienst deze motorrijtuigen in het buitenland gedurende een bepaalde periode zou moeten blijven volgen. Dit is voor de Belastingdienst praktisch ondoenlijk. Het is bovendien de vraag of een minimumperiode Europeesrechtelijk houdbaar is.
(…)”
20. Artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM (wettekst 2017), luidt als volgt:
“Teruggaaf van belasting wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag verleend voor personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s indien de tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister komt te vervallen omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht, het motorrijtuig overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PbEG 1999, L 138) wordt ingeschreven in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en als bewijs van die inschrijving door de bevoegde autoriteit een kentekenbewijs wordt afgegeven, met uitzondering van een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving van het motorrijtuig als bedoeld in artikel 1 van Pro die richtlijn. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het motorrijtuig was gesteld direct voorafgaand aan het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister.”
21. Artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 stelt nadere voorwaarden aan de teruggaaf van belasting. Het motorrijtuig mag op het moment van het vervallen van de tenaamstelling geen schadevoertuig zijn, bestemd zijn voor de sloop, of de status ‘wachten op keuring’ hebben.
22. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn uitspraak van 17 maart 2026 [8] beslist dat de inschrijving in het andere EU/EER-land (Duitsland) geen duurzaam, in de zin van lang durend, karakter hoeft te hebben. Hiermee zou een verdergaande eis worden gesteld dan volgt uit de tekst van artikel 14a van de Wet BPM en artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit. [9] Verder heeft het gerechtshof beslist dat niet vereist is dat het te exporteren voertuig naar het andere EU/EER-land is gebracht. De hiervoor genoemde bepalingen schrijven niet méér voor dan dat het voertuig buiten Nederland wordt gebracht, aldus het gerechtshof. [10] De rechtbank sluit zich hierbij aan.
23. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor teruggaaf van BPM. Gesteld noch gebleken is dat de Duitse inschrijving een tijdelijke inschrijving is. Niet in geschil is dat van een schadevoertuig geen sprake is, de auto buiten Nederland is gebracht, en dat bij het teruggaafverzoek een kopie van het kentekenbewijs is overgelegd.
24. Het gerechtshof heeft in zijn eerder genoemde uitspraak verder beslist dat in het geval van kentekeninschrijving in Duitsland, gevolgd door export buiten de EU/EER, het leerstuk fraus-legis geen toepassing vindt, omdat niet wordt voldaan aan het zogenoemde ‘normvereiste’. De overwegingen van het gerechtshof dienaangaande (4.10. tot en met 4.12.) luiden als volgt:
“4.10. De Inspecteur heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat sprake is van fraus legis. Het leerstuk van fraus legis kan worden toegepast indien i) het handelen van een belastingplichtige uitsluitend of volstrekt overwegend is ingegeven door belastingverijdelende motieven (motiefvereiste), en ii) daarmee in strijd met doel en strekking van de wet wordt gekomen (normvereiste).
4.11.
Het Hof is van oordeel (…) dat niet is voldaan aan het normvereiste, waardoor fraus legis geen toepassing kan vinden. Daartoe overweegt het Hof dat de regeling van artikel 14a van de Wet BPM per 1 januari 2016 is aangescherpt, waarbij een tijdelijke inschrijving van teruggaaf is uitgesloten. Bij de parlementaire behandeling hiervan is een situatie als de onderhavige expliciet aan de orde geweest (inschrijving in Duitsland, gevolgd door export buiten de EU/EER), zowel in de Tweede Kamer als de Eerste Kamer. Verder heeft ook de Afdeling advisering van de Raad van State vragen gesteld over de effectiviteit van de voorgestelde wijziging. In reactie daarop heeft de wetgever opgemerkt dat de aanscherping ziet op tijdelijke kentekenregistraties en dat het mogelijk blijft om na een duurzame, permanente kentekenregistratie in een ander land van de EU/EER het motorrijtuig te exporteren naar een derde land buiten de EU/EER.
4.12.
De wetgever heeft er bewust voor gekozen geen minimumperiode te laten gelden voor het duurzaam ingeschreven staan van het motorrijtuig in de EU-lidstaat of in het EER-land. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat belanghebbende heeft gehandeld in strijd met doel en strekking van de wet. Of is voldaan aan het motiefvereiste kan dan in het midden blijven.”
De rechtbank maakt voornoemde overwegingen tot de hare.
25. Naar het oordeel van de rechtbank is van fraus legis, om dezelfde redenen als door het gerechtshof gegeven, geen sprake. De voorliggende zaak toont sterke gelijkenissen met de door het gerechtshof beslechte zaak, en net als in die zaak is in de voorliggende zaak niet aan het normvereiste voldaan. Daar voegt de rechtbank aan toe dat belanghebbende ter zitting onweersproken heeft betoogd dat met de inschrijving in Duitsland gevolgd door export naar een niet EU/EER-land een commercieel belang is gediend, namelijk dat Duitse documenten in de handel algemeen geaccepteerd zijn en dat alle technische gegevens van de auto in die Duitse documenten staan vermeld. Zo bezien is er dus niet uitsluitend een fiscaal motief voor de inschrijving in Duitsland.
26. De conclusie luidt dat de inspecteur ten onrechte BPM heeft nageheven en de naheffingsaanslag BPM vernietigd dient te worden.
Heeft de inspecteur informatie achtergehouden of het gelijkheidsbeginsel geschonden?
27. Omdat het beroep om inhoudelijke redenen gegrond is zal de rechtbank de stelling van belanghebbende inhoudende dat de inspecteur informatie heeft achtergehouden en de stelling dat hij het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden niet behandelen.
Belastingrente
28. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden vernietigd, dient de belastingrentebeschikking eveneens te worden vernietigd.
Dwangsom
29. Belanghebbende heeft bij e-mailbericht van 26 mei 2023 (zie punt 8.) de inspecteur in gebreke gesteld en de inspecteur een dwangsom aangezegd. Daarbij heeft belanghebbende de inspecteur een termijn aangezegd die afliep op 10 juni 2023. De inspecteur heeft vóór afloop van die termijn, met dagtekening 1 juni 2023, uitspraak op bezwaar gedaan.
30. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur geen dwangsom verbeurt. Hij heeft voor het einde van de aangezegde termijn uitspraak op bezwaar gedaan.

Conclusie en gevolgen

31. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal de naheffingsaanslag BPM en de belastingrentebeschikking vernietigen. De gevorderde dwangsom wijst de rechtbank af.
32. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
33. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, bepaalt de rechtbank dat de inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht vergoedt

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag BPM en de belastingrentebeschikking;
- wijst de gevraagde dwangsom af;
- draagt de inspecteur op het betaalde griffierecht van € 365 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
Uitgesproken op 8 april 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Stb. 2006, 682, artikel X, E.
2.Kamerstukken II 2006/07, 30804, nr. 9, p. 9/10 en 17.
3.Stb. 2015, 455, artikel VII, B.
4.Kamerstukken 2014/15, 34.220, nr. 3, p. 5 en 18.
5.Kamerstukken II 2014/15, 34.220, nr. 4, p.3 en 6.
6.Kamerstukken II 2014/15, 34.220, nr. 6, p. 11-13.
7.Kamerstukken I 2015/16, 34.220, nr. B, p 2-3.
9.Zie r.o. 4.8.
10.Zie r.o. 4.9.