Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2621

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
05/200559-25, 16/118222-25, 05/188501-25, 05/304695-25, 05/035768-26 (gev. ttz.) en 05-187896-24 (TUL)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 36f SrArt. 38v SrArt. 38w Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige voor openlijk geweld, bedreigingen, mishandelingen en overval met voorwaardelijke PIJ-maatregel

De rechtbank Gelderland heeft op 7 april 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een minderjarige verdachte geboren in 2008, die werd verdacht van meerdere strafbare feiten waaronder een gewapende overval, openlijk geweld, mishandelingen, bedreigingen en het dragen van een steekwapen.

De feiten betreffen onder meer een overval op een optiek in Utrecht waarbij zonnebrillen werden gestolen, een verkeersruzie in Wijchen waarbij pepperspray werd gebruikt, openlijk geweld op het station in Nijmegen, bedreigingen via Marktplaats en Snapchat, en mishandeling van zijn vriendin in Nijmegen. De verdachte heeft deels bekend en is op andere punten vrijgesproken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de meeste ten laste gelegde feiten, waaronder mishandeling, bedreiging met een mes, openlijk geweld en het dragen van een survival mes. De rechtbank legt een voorwaardelijke PIJ-maatregel op met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals begeleid wonen, dagbesteding, ambulante behandeling en urinecontroles. Daarnaast wordt een jeugddetentie van 73 dagen opgelegd, waarvan de tijd in voorlopige hechtenis wordt afgetrokken.

Verder wordt een contactverbod van vijf jaar opgelegd met een vervangende jeugddetentie bij overtreding. De voorwaardelijke jeugddetentie uit een eerdere zaak wordt omgezet in een taakstraf van 84 uur. De verdachte moet schadevergoeding betalen aan meerdere slachtoffers. De rechtbank benadrukt de ernst van de feiten en het hoge recidiverisico, maar ziet ook een recente positieve ontwikkeling in het gedrag van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke PIJ-maatregel met proeftijd, 73 dagen jeugddetentie, contactverbod en taakstraf wegens diverse geweldsdelicten en bedreigingen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/200559-25, 16/118222-25, 05/188501-25, 05/304695-25, 05/035768-26 (gev. ttz.) en 05-187896-24 (TUL)
Datum uitspraak : 7 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ,
wonend aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,
raadsman: mr. S. Kriekaard, advocaat in Arnhem .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op terechtzittingen achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte (hierna: [verdachte] ) is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 16/118222-25
hij op of omstreeks 10 december 2024 te Utrecht
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een aantal, te weten 101 zonnebrillen ter waarde van ongeveer 30.852,54 euro (inkoopwaarde) en/of 74.246,00 euro (verkoopwaarde), in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele aan [bedrijf] en/of [aangever] , in elk geval aan een ander
dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen een medewerkster van [bedrijf] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping
op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
  • een mes gelijkend voorwerp naast het gezicht en/of nek van de medewerkster van [bedrijf] te houden en/of (vervolgens)
  • te roepen ''waar zijn die kanker Cartiers?'' en/of (vervolgens)
  • dozen met daarin brillen van de toonbank te pakken;
in de zaak met parketnummer 05/188501-25
1
hij op of omstreeks 11 april 2025 te Wijchen,
op of aan het Europaplein en/of Don Felixhof, in elk geval openlijk in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
  • het slaan op of tegen, althans in de richting van, het lichaam van die [slachtoffer 1] ,
  • het spuiten van pepperspray, althans een bijtende, prikkende en/of irriterende stof, in het gezicht en/of op de handen, althans richting het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of
  • het tegen een auto duwen van die [slachtoffer 1] ;
subsidiair
hij op of omstreeks 11 april 2025 te Wijchen
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door
  • op of tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan,
  • met pepperspray, althans een bijtende, prikkende en/of irriterende stof, in het gezicht en/of op de handen, althans in de richting van die [slachtoffer 1] te spuiten en/of
  • die [slachtoffer 1] tegen een auto aan te duwen;
2.
hij op of omstreeks 11 april 2025 te Wijchen,
[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
  • die [slachtoffer 1] een mes te tonen en/of
  • die [slachtoffer 1] (daarbij) de woorden toe te voegen: "Dan moet je hier komen" en/of "Ik maak je kapot", althans woorden van gelijke dreigend aard en/of strekking;
3.
hij op of omstreeks 11 april 2025 te Wijchen
een wapen van categorie IV, onder 1 van de Wet wapens en munitie,
te weten een blank wapen, namelijk een survival mes, waarvan het lemmet meer dan een snijkant had heeft gedragen;
in de zaak met parketnummer 05/200559-25
hij op of omstreeks 30 juni 2025 te Nijmegen
op/bij het Station Nijmegen, in elk geval openlijk in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 2] ,
welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
  • het steken met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik van die [slachtoffer 2] , en/of
  • het met een (sport)tas, althans een soortgelijk voorwerp, slaan tegen, althans in de richting van, het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of
  • het filmen van voornoemd geweld;
in de zaak met parketnummer 05/304695-25
hij op een of meerdere momenten op of omstreeks 10 november 2025 te Beuningen Gld en/of [woonplaats] , althans in Nederland,
[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2]
  • via Marktplaats, althans anderszins, een bericht te sturen met de tekst "Hoort u vanzelf" met (daarbij) een smiley of emoticon met een ontploffend hoofd en/of
  • via Snapchat, althans anderszins, een bericht te sturen met de tekst "Vanavond gaat je huis de lucht in", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
in de zaak met parketnummer 05/035768-26
1.
hij op of omstreeks 24 januari 2026 te Nijmegen
[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
  • die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] de woorden toe te voegen "Laat me los of ik taser je", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of
  • een taser en/of een vape, althans een soortgelijk voorwerp, aan die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] te tonen en/of daarmee in de richting van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] te zwaaien;
2.
hij op of omstreeks 24 januari 2026 te Nijmegen
[slachtoffer 5] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 5] te slaan, te stoten en/of te duwen tegen het lichaam, waardoor die [slachtoffer 5] ten val kwam.

2.Het onderzoek op de terechtzitting

Verdachte heeft meerdere dagvaardingen ontvangen. De rechtbank behandelt en beslist op alle feiten op deze dagvaardingen gevoegd.

3.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

In de zaak met parketnummer 16/118222-25 [1]
[verdachte] heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 37 t/m 48;
  • het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 50;
  • het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [verdachte] , p. 555;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 17 maart 2026.
In de zaak met parketnummer 05/188501-25 [2]
FEIT 1
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 11 april 2025 liep [verdachte] met [medeverdachte 1] bij het Europaplein in Wijchen. Daar ontstond een verkeersruzie. [medeverdachte 1] raakte in gevecht met [slachtoffer 1] . [verdachte] heeft daarbij pepperspray in het gezicht van [slachtoffer 1] gespoten. [3]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat de openlijke geweldpleging niet kan worden bewezen en heeft de rechtbank gevraagd [verdachte] van het primair onder 1 ten laste gelegde vrij te spreken. De officier van justitie is van mening dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair onder 1 ten laste gelegde mishandeling.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat [verdachte] niet heeft gevochten met [slachtoffer 1] . Uit de verklaringen wordt onvoldoende duidelijk welke handelingen hebben plaatsgevonden en in welke volgorde. De raadsman is daarom van mening dat de primair onder 1 ten laste gelegde openlijke geweldpleging niet kan worden bewezen. Over de subsidiair onder 1 ten laste gelegde mishandeling heeft de raadsman naar voren gebracht dat [verdachte] de pepperspray heeft gebruikt om [medeverdachte 1] te verdedigen tegen een wederrechtelijke aanranding van zijn lichaam door [slachtoffer 1] . Hij heeft de rechtbank daarom verzocht [verdachte] vrij te spreken van de ten laste gelegde mishandeling.
De beoordeling door de rechtbank
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat de pepperspray zijn oog, wang, nek, oor en handen raakte. Hij voelde dat de jongen maar door bleef spuiten, zelfs op zijn rug. [4]
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] en [medeverdachte 1] met elkaar in gevecht zijn geraakt. Daarna heeft [verdachte] pepperspray op [slachtoffer 1] gespoten. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier onvoldoende dat [verdachte] en [medeverdachte 1] gezamenlijk opzet hebben gehad op het gebruik van geweld tegen [slachtoffer 1] . De rechtbank spreekt [verdachte] daarom vrij van de primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging.
De rechtbank komt wel tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling. Het beroep van [verdachte] op noodweer slaagt niet, omdat de feitelijke grondslag hiervan niet aannemelijk is geworden. [verdachte] heeft over deze situatie namelijk drie verschillende verklaringen afgelegd. Eerst heeft [verdachte] verklaard dat hij helemaal niet bij deze situatie aanwezig is geweest, daarna dat hij er wel bij was maar geen pepperspray heeft gebruikt en tenslotte dat hij de pepperspray heeft gebruikt ter verdediging van [medeverdachte 1] . Gelet daarop vindt de rechtbank de (laatste) verklaring van [verdachte] niet meer geloofwaardig en daarom is het noodweer-scenario niet aannemelijk geworden.
Omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat [verdachte] [slachtoffer 1] tegen een auto aan heeft geduwd, spreekt de rechtbank [verdachte] vrij van dit deel van de tenlastelegging.
FEIT 2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde bedreiging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat uit het dossier onvoldoende is gebleken dat [verdachte] een mes heeft getoond en daarbij iets heeft gezegd. De raadsman heeft de rechtbank daarom ook verzocht [verdachte] vrij te spreken van de onder 2 tenlastegelegde bedreiging.
De beoordeling door de rechtbank
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij zag dat jongen 2 met zijn rechterhand zijn shirt een stukje omhoog en zijn broek een stukje naar beneden deed. Hij zag hierdoor dat jongen 2 een mes in zijn broek had zitten. Hij zag dat het een groot mes was, met een handvat van ongeveer 15 centimeter lang. [slachtoffer 1] zag op het handvat een soort camouflage print, bestaande uit kleine doodshoofden in de kleuren wit, grijs en misschien ook zwart. [slachtoffer 1] hoorde de jongen naar hem roepen: “dan moet je hier komen” en “ik maak je kapot”. [5]
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat de jongen die met pepperspray sprayde een mes trok. [6]
Uit het onderzoek van de politie blijkt dat jongen 2 [verdachte] is. [verdachte] heeft verklaard dat hij tijdens het incident met [slachtoffer 1] in Wijchen met pepperspray heeft gespoten en een mes bij zich had. Ook heeft [verdachte] verklaard dat hij het mes heeft weggegooid toen hij vluchtte voor de politie. Het door de politie aangetroffen mes is voorzien van een print met doodskoppen. [7]
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar is en komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde bedreiging.
FEIT 3
[verdachte] heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van bevindingen, p. 38;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 17 maart 2026.
In de zaak met parketnummer 05/200559-25 [8]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 30 juni 2025 was [verdachte] samen met zijn tweelingbroer [medeverdachte 2] op het station in Nijmegen. Daar was ook aangever [slachtoffer 2] . [verdachte] en [medeverdachte 2] gingen bij [slachtoffer 2] verhaal halen over een eerder incident. [medeverdachte 2] stak [slachtoffer 2] met een mes in zijn buik. [verdachte] heeft de confrontatie gefilmd. [9]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde openlijke geweldpleging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat niet is bewezen dat [verdachte] [slachtoffer 2] met de tas heeft geslagen. Hij heeft de rechtbank verzocht [verdachte] vrij te spreken van dit deel van de tenlastelegging.
De beoordeling door de rechtbank
Op basis van de verklaringen van [verdachte] en [slachtoffer 2] stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 2] op 30 juni 2025 door [medeverdachte 2] met een mes is gestoken en dat [verdachte] die confrontatie heeft gefilmd. [verdachte] heeft ontkend dat hij [slachtoffer 2] met een tas heeft geslagen.
De rechtbank overweegt dat op camerabeelden te zien is dat verdachte 1 met een sporttas richting de andere persoon slaat. Door de klap met de tas verliest de andere persoon zijn evenwicht en valt naar achteren. Verdachte 1 wordt in het proces-verbaal beschreven als een blank persoon met een donkere jas of vest. Hij draagt een donkere tas bij zich. Hij is duidelijk te onderscheiden van verdachte 2, die licht gekleurde kleding draagt. [verdachte] heeft verklaard dat hij bij de confrontatie aanwezig was en dat hij een tas bij zich had. Bij zijn aanhouding direct na de confrontatie droeg [verdachte] donkere kleding en een zwarte tas. [10] De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [verdachte] verdachte 1 is en dat hij degene is die [slachtoffer 2] met de tas heeft geslagen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan een openlijke geweldpleging, waarvan [slachtoffer 2] het slachtoffer is geworden. Hoewel [verdachte] niet zelf met een mes heeft gestoken, heeft hij door te filmen en te slaan met de tas op een wezenlijke manier bijgedragen aan het geweld. Alle geweldshandelingen zijn daarom ook aan [verdachte] toe te rekenen.
In de zaak met parketnummer 05/304695-25 [11]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 10 november 2025 ontving aangever [slachtoffer 2] op zijn Marktplaats-account met profiel ‘ [slachtoffer 2] ’ berichten van ene [naam] . [naam] zou die dag twee t-shirts bij [slachtoffer 2] ophalen. [slachtoffer 2] stuurde zijn adres en vroeg rond 18:00 uur aan [naam] hoe laat hij er zou zijn. [naam] stuurde toen direct: “hoort u vanzelf”, met daarbij een emoticon van een ontploffend hoofd. Het Marktplaats-account met de naam [naam] was van [verdachte] . [12]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde bedreiging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat [verdachte] wel een emoticon van een ontploffend hoofdje heeft gestuurd aan [slachtoffer 2] , maar dat dit geen bedreiging is. Hij heeft erop gewezen dat [slachtoffer 2] op deze emoticon reageerde met: “haha komt goed”. Daaruit blijkt dat bij [slachtoffer 2] geen redelijke vrees is ontstaan dat een misdrijf zou worden gepleegd. Van de gestelde bedreiging via Snapchat met de woorden ‘vanavond gaat je huis de lucht in’ is door [slachtoffer 2] geen bewijs overgelegd, terwijl de politie hier meerdere malen uitdrukkelijk om heeft gevraagd. Het gestelde bericht bevindt zich niet in het dossier. Uit niets blijkt dat sprake is geweest van een bedreiging via Snapchat. Dat op de telefoon van [verdachte] is gezocht naar C6 maakt dat niet anders. De raadsman heeft de rechtbank daarom gevraagd [verdachte] vrij te spreken van de tenlastegelegde bedreiging.
De beoordeling door de rechtbank
Als gevolg van het hierboven vermelde steekincident op 30 juni 2025 op station Nijmegen is [verdachte] aangehouden en in bewaring gesteld. In het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis is een contactverbod gaan gelden met [slachtoffer 2] . Dit contactverbod gold ook op het moment dat [verdachte] via Marktplaats een bericht stuurde aan [slachtoffer 2] over het kopen van 2 t-shirts. Uit het dossier blijkt verder dat het Snapchat account [accountnaam] kort na het steekincident contact met [slachtoffer 2] heeft opgenomen. [13]
Zoals hiervoor al is vastgesteld, heeft [verdachte] op 10 november 2025 via Marktplaats onder de naam [naam] contact gezocht met [slachtoffer 2] . In het chatgesprek op Marktplaats heeft [slachtoffer 2] zijn adres aan [naam] gestuurd. Toen [slachtoffer 2] daarna aan [naam] vroeg hoe laat hij de t-shirts zou ophalen, antwoordde [naam] met: “Hoort u vanzelf”, gevolgd door een emoticon van een ontploffend hoofdje. Enkele minuten later ontving [slachtoffer 2] via Snapchat van het account [accountnaam] het bericht: “vanavond gaat je huis de lucht in”. [14]
[verdachte] heeft erkend dat het Marktplaats account met de naam [naam] van hem is en dat hij via dit account met [slachtoffer 2] heeft gecommuniceerd. Uit onderzoek van de politie blijkt verder dat bij het registreren van het Snapchat account [accountnaam] gebruik is gemaakt van het e-mailadres [e-mailadres] . Het IP-adres dat is geregistreerd bij Snapchat is gekoppeld aan de modem van de [adres] in [woonplaats] . Dit is het adres waar [verdachte] woont. Uit informatie van Apple blijkt dat bij het registreren van het hiervoor genoemde e-mailadres de naam van [verdachte] is gebruikt en ook het IP-adres van de [adres] in [woonplaats] . Bovendien is gebruik gemaakt van de telefoon met IMEI [IMEI-nummer] . Dit is de telefoon die in beslag is genomen bij [verdachte] . [15] Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het Snapchat account [accountnaam] in gebruik is bij [verdachte] .
In de telefoon van [verdachte] is ook een Snapchat berichtenwisseling gevonden met [slachtoffer 2] die plaatsvond op 10 november 2025 iets na 18:00 uur. In deze berichtenwisseling zegt [slachtoffer 2] : “als 1 iemand iets bij me huis doet word probleem”. [accountnaam] reageert hierop onder meer met: “K had toch al Zegma problemen”. [16] Gelet hierop vindt de rechtbank de verklaring van [verdachte] dat hij de ten laste gelegde bedreiging via Snapchat niet heeft gestuurd, niet geloofwaardig omdat in deze chat direct wordt gerefereerd aan de problemen die [slachtoffer 2] had (met [verdachte] en zijn broer), de bedreiging via Snapchat rond het tijdstip van deze chat is gestuurd én dat is gebeurd kort nadat [slachtoffer 2] zijn adres heeft doorgegeven aan [verdachte] als ‘ [naam] ’.
Door [verdachte] en zijn raadsman is verder aangevoerd dat het versturen van de emoticon van het ontploffende hoofdje geen bedreiging is. De rechtbank gaat niet mee in dit verweer. Het bericht op Marktplaats: “Hoort u vanzelf”, gevolgd door een emoticon van een ontploffend hoofd in kort daarna gevolgd door een bericht op Snapchat met de tekst: “Vanavond gaat je huis de lucht in”, maakt dat het sturen van de emoticon wel bedreigend was voor [slachtoffer 2] . Dit is te meer het geval, omdat deze uitingen zijn gedaan in een periode waarin er al spanningen waren tussen [slachtoffer 2] en [verdachte] door het eerdere steekincident waarvan [slachtoffer 2] het slachtoffer was. Bovendien heeft [verdachte] tijdens de zitting geen andere redelijke verklaring gegeven voor het sturen van juist deze emoticon.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde bedreiging.
In de zaak met parketnummer 05/035768-26 [17]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 24 januari 2026 was [verdachte] met zijn vriendin [slachtoffer 5] in het centrum van Nijmegen. [verdachte] en [slachtoffer 5] kregen ruzie met elkaar. Aangeefster [slachtoffer 4] (een politieagente in haar vrije tijd) zag de ruzie en wilde [verdachte] staande houden. Zij werd hierbij geholpen door aangever [slachtoffer 3] . Samen met een omstander pakte [slachtoffer 3] [verdachte] vast. [verdachte] probeerde weg te komen. Daarbij hield hij een voorwerp in zijn hand, richtte dit voorwerp op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] en riep naar hen dat ze hem los moesten laten omdat anders de taser zou afgaan. [18]
FEIT 1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde bedreiging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd. Hij heeft wel opgemerkt dat [verdachte] geen taser bij zich had, maar een vape.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd door een voorwerp op hen te richten en daarbij te roepen dat ze hem los moesten laten, omdat de taser anders zou afgaan. Bij [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] ontstond hierdoor de angst dat [verdachte] de taser ook daadwerkelijk zou gebruiken. Hoewel [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] van plan waren om [verdachte] vast te houden tot de politie zou arriveren, hebben zij [verdachte] uiteindelijk laten gaan, omdat [slachtoffer 4] het te gevaarlijk vond worden. [19]
[verdachte] heeft betwist dat hij ook daadwerkelijk een taser bij zich had. Hij stelt dat het voorwerp dat hij vasthield een vape was. De rechtbank volgt [verdachte] hierin niet. [slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij hoorde dat [verdachte] riep: “Laat los of ik taser je!”. Zij zag dat hij uit zijn rechterjaszak een klein object haalde. [slachtoffer 4] zag twee ijzeren of metalen puntjes op het object. Zij herkende het object direct als een taser, omdat zij als politieagent zelf ook met een taser is uitgerust. [20] Daarmee is bewezen dat [verdachte] zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 4] heeft bedreigd en daarbij een taser heeft getoond.
FEIT 2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 ten laste gelegde mishandeling.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd.
De beoordeling door de rechtbank
[slachtoffer 4] heeft verklaard dat [verdachte] met zijn bovenlichaam naar voren helde en dat hij vervolgens een voorwaartse beweging maakte, waarbij de gestrekte arm van [verdachte] op het gezicht van [slachtoffer 5] belandde. Zij zag dat [slachtoffer 5] door de impact in dezelfde lijn naar achteren vloog. [slachtoffer 5] ging als gevolg van de stoot met haar hoofd hard naar achteren. [slachtoffer 4] zag dat zij met haar beide benen van de grond kwam en door de lucht vloog. Het ging zo hard, dat [slachtoffer 5] bijna twee meter naar achteren vloog. [slachtoffer 4] zag dat [slachtoffer 5] hard en ongelukkig ten val kwam door de klap van de jongen. Ze zag dat het meisje erg versuft keek, alsof zij niet meer helemaal bij was. [21]
Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat [verdachte] zijn lichaam en arm met kracht in de richting van [slachtoffer 5] bewoog. Ze kon niet zien of hij een stoot uitdeelde, een duw of een combinatie daarvan, maar zij zag wel dat hij zoveel kracht gebruikte dat zijn arm de beweging van zijn lichaam volgde. [getuige 3] zag dat [slachtoffer 5] door de beweging van [verdachte] met haar voeten los van de grond kwam en zo’n twee meter door de lucht vloog. Ze landde met haar rug tegen een muur. [getuige 3] schrok hiervan, omdat dit met een enorme klap gebeurde. Ze hoorde dat [slachtoffer 5] kreten maakte alsof ze pijn had en ze hoorde een geluid uit haar mond komen alsof alle lucht uit haar verdween. [slachtoffer 5] bleef liggen op de grond. Een ander meisje probeerde haar overeind te helpen, maar [slachtoffer 5] kon niet overeind komen. [getuige 3] zag een beduusde of verwarde blik in haar ogen. [22]
[verdachte] heeft zowel tijdens de raadkamer gevangenhouding als tijdens de zitting verklaard dat hij op straat ruzie kreeg met [slachtoffer 5] en dat hij haar een duwtje heeft gegeven. De rechtbank komt op basis van de verklaringen van [slachtoffer 4] en [getuige 3] tot het oordeel dat geen sprake is geweest van een duwtje, maar van een krachtige stoot of duw waardoor [slachtoffer 5] ten val kwam en pijn had. De ten laste gelegde mishandeling is daarmee bewezen.

4.De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Bewezen kan worden dat:
in de zaak met parketnummer 16/118222-25
hij op
of omstreeks10 december 2024 te Utrecht
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,
een aantal, te weten 101 zonnebrillen ter waarde van ongeveer 30.852,54 euro (inkoopwaarde) en
/of74.246,00 euro (verkoopwaarde),
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele aan [bedrijf] en/of [aangever] ,
in elk geval aan een ander
dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd
voorafgegaan, envergezeld
en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen een medewerkster van [bedrijf] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal
voor te bereiden ofgemakkelijk te maken,
of om, bij betrapping
op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,door
  • een mes gelijkend voorwerp naast het gezicht en/of nek van de medewerkster van [bedrijf] te houden en
  • te roepen ''waar zijn die kanker Cartiers?'' en
  • dozen met daarin brillen van de toonbank te pakken;
in de zaak met parketnummer 05/188501-25
1.
subsidiair
hij op
of omstreeks11 april 2025 te Wijchen
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen[slachtoffer 1] heeft mishandeld door
  • op of tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan,
  • met pepperspray
  • die [slachtoffer 1] tegen een auto aan te duwen;
2.
hij op
of omstreeks11 april 2025 te Wijchen,
[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling, door
  • die [slachtoffer 1] een mes te tonen en
  • die [slachtoffer 1] (daarbij) de woorden toe te voegen: "Dan moet je hier komen" en
3.
hij op
of omstreeks11 april 2025 te Wijchen
een wapen van categorie IV, onder 1 van de Wet wapens en munitie,
te weten een blank wapen, namelijk een survival mes, waarvan het lemmet meer dan een snijkant had, heeft gedragen;
in de zaak met parketnummer 05/200559-25
hij op
of omstreeks30 juni 2025 te Nijmegen
op/bij het Station Nijmegen,
in elk gevalopenlijk in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen
een of meer personen, te weten[slachtoffer 2] ,
welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
  • het steken met een mes,
  • het met een (sport)tas,
  • het filmen van voornoemd geweld;
in de zaak met parketnummer 05/304695-25
hij op
een of meerdere momenten op of omstreeks10 november 2025 te Beuningen Gld en/of [woonplaats] ,
althans in Nederland,
[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2]
  • via Marktplaats
  • via Snapchat
in de zaak met parketnummer 05/035768-26
1.
hij op
of omstreeks24 januari 2026 te Nijmegen
[slachtoffer 3] en
/of[slachtoffer 4] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/ofmet zware mishandeling, door
  • die [slachtoffer 3] en
  • een taser
2.
hij op
of omstreeks24 januari 2026 te Nijmegen
[slachtoffer 5] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 5]
te slaan,te stoten en/of te duwen tegen het lichaam, waardoor die [slachtoffer 5] ten val kwam.
De rechtbank heeft taal- of schrijffouten in de tenlastelegging verbeterd. [verdachte] is hierdoor niet in zijn belang geschaad.
De rechtbank zal [verdachte] vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen.

5.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
in de zaak met parketnummer 16/118222-25
diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;
in de zaak met parketnummer 05/188501-25
feit 1, subsidiair:
mishandeling;
feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 3:
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
in de zaak met parketnummer 05/200559-25
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
in de zaak met parketnummer 05/304695-25
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;
in de zaak met parketnummer 05/035768-26
feit 1:
bedreiging met zware mishandeling;
feit 2:
mishandeling.

6.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

7.De strafbaarheid van de verdachte

Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van [verdachte] geheel uitsluiten. [verdachte] is strafbaar.

8.De motivering van de straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Zij eist daarbij een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarden begeleid wonen met de mogelijkheid tot kamercontroles, zinvolle dagbesteding, ambulante behandeling, urinecontroles op middelengebruik en begeleiding door de jeugdreclassering in de vorm van Straatkracht. Alles voor zover en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt.
Daarnaast heeft de officier van justitie geëist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 75 dagen. De tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, moet daarvan worden afgetrokken, zodat hij niet terug hoeft in detentie. Ook heeft de officier van justitie een contactverbod met [slachtoffer 2] geëist op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden, de begeleiding van de jeugdreclassering en het contactverbod te bevelen. Zij heeft de rechtbank daarnaast gevraagd de schorsing van de voorlopige hechtenis in stand te houden, zodat een mogelijk hoger beroep niet in de weg staat aan de uitvoering van de gestelde voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman is van mening dat aan de voorwaarden voor oplegging van de PIJ-maatregel is voldaan. Hij heeft de rechtbank gevraagd te volstaan met oplegging van een jeugddetentie die gelijk is aan de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan [verdachte] moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel justitiële documentatie van 4 maart 2026 (het strafblad),
  • het rapport Pro Justitia van H. van de Most van Spijk (kinder- en jeugdpsychiater) en H. Schoenmaker (GZ-psycholoog) van 27 januari 2026;
  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 13 maart 2026.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Na het plegen van de feiten die zijn tenlastegelegd onder de parketnummers 16/118222-25 en 05/188501-25 is [verdachte] op 2 mei 2025 veroordeeld door de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken. De rechtbank laat dit meewegen in de strafafdoening (artikel 63 Sr Pro).
De ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten, waaronder diefstal met bedreiging met geweld, openlijk geweld, mishandeling en bedreiging.
Op 10 december 2024 pleegde [verdachte] samen met anderen een gewapende overval op een optiek in Utrecht. Bij deze overval werd door een medeverdachte een mes gebruikt. Enkele maanden later was [verdachte] met een vriend betrokken bij een verkeersruzie die volledig uit de hand liep. Hierbij heeft hij pepperspray op het slachtoffer gespoten en hem bedreigd, waarbij hij een mes heeft getoond. Vervolgens heeft [verdachte] op 30 juni 2025 samen met zijn broer openlijk geweld gepleegd tegen [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] is daarbij gewond geraakt omdat hij door de broer van [verdachte] werd gestoken met een mes. Door [slachtoffer 2] te slaan met een tas, te filmen en achter hem aan te rennen heeft [verdachte] bijgedragen aan het geweld. Vervolgens heeft [verdachte] [slachtoffer 2] enkele maanden na dit voorval bedreigd via Marktplaats en Snapchat. Tot slot heeft [verdachte] op 24 januari 2026 in het centrum van Nijmegen zijn vriendin mishandeld. Toen hij hierop werd aangesproken door agenten die op dat moment niet in dienst waren, heeft [verdachte] hen bedreigd met een taser.
De rechtbank vindt de feiten ernstig. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] blijkt dat hij lichamelijk nog lange tijd last heeft gehad van zijn verwonding. Ook psychisch heeft [slachtoffer 2] nare gevolgen ondervonden van het geweld en de daarop volgende bedreiging. [slachtoffer 2] heeft behandeling moeten ondergaan wegens PTSS en hij voelt zich nog steeds onveilig. De rechtbank rekent dit [verdachte] zwaar aan.
De rechtbank vindt het heel zorgelijk dat [verdachte] keer op keer in situaties terechtkomt, waarin hij het nodig vindt om geweld te gebruiken. Tijdens de zitting is de indruk ontstaan dat [verdachte] zijn gedrag probeert te rechtvaardigen door de nadruk te leggen op wat een ander hem heeft aangedaan. Veel van de feiten heeft [verdachte] ook nog eens gepleegd tijdens een proeftijd na een eerdere veroordeling en/of tijdens een schorsing van zijn voorlopige hechtenis met strenge voorwaarden, een aantal zelfs toen hij in meerdere schorsingen liep. De rechtbank vindt de feiten ernstig en het beeld is ontstaan dat [verdachte] zich een tijd lang weinig heeft aangetrokken van de voorwaarden die waren gesteld vanwege zijn contacten met politie en justitie. De rechtbank vindt dat het geweld en de dreigementen die door [verdachte] werden ingezet verre van een goede reactie waren op wat hem op dat moment overkwam. [verdachte] had anders kunnen reageren door afstand te nemen en weg te gaan uit de situatie. [verdachte] had zich gewoonweg moeten houden aan zijn voorwaarden.
Het advies van de deskundigen
Uit onderzoek van de deskundigen blijkt dat [verdachte] functioneert op licht verstandelijk beperkt (LVB) niveau en dat hij een sociaal-emotionele achterstand heeft. Er is sprake van een matig ernstige normoverschrijdende gedragsstoornis. Door zijn forse achterstand op moreel, cognitief en emotioneel niveau wordt geadviseerd [verdachte] de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico wordt hoog ingeschat. Daarom wordt behandeling bij de forensische polikliniek van Kairos geadviseerd. De deskundigen adviseren om de behandeling in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel te laten plaatsvinden. Deze maatregel is in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] . In de begeleiding van de jeugdreclassering is inmiddels het maximale ingezet. De methodiek ‘Straatkracht’ lijkt op basis van de ervaringen in het afgelopen half jaar een passende methodiek. Een gedwongen kader is noodzakelijk, omdat er geen alternatieven meer zijn om een behandeling kans van slagen te geven. Hoewel de recente positieve ontwikkeling nog broos is, laat [verdachte] sinds kort zien dat hij gevoelig is voor een stevige stok achter de deur. Het is voor hem van belang dat hij de nieuwe voorzichtig ingeslagen weg kan voortzetten.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de jeugdreclassering kunnen zich vinden in het advies van de deskundigen. De Raad heeft geadviseerd om aan [verdachte] een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Als voorwaarden worden genoemd: meewerken aan continuering van het wonen bij Admodum Zorg, meewerken aan en behouden van een adequate daginvulling, meewerken aan ambulante behandeling bij bijvoorbeeld Kairos, meewerken aan urinecontroles, meewerken aan ambulante begeleiding door de jeugdreclassering en een contactverbod met [slachtoffer 2] . Ook is geadviseerd om de dadelijke uitvoerbaarheid te bevelen van de gestelde voorwaarden en het toezicht van de jeugdreclassering.
Conclusie
De rechtbank vindt dat is voldaan aan de eisen voor het opleggen van een (voorwaardelijke) maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel), zoals bedoeld in artikel 77s lid 1 Sr. Ten tijde van het plegen van de strafbare feiten bestond bij [verdachte] een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, in de vorm van LVB-problematiek, een sociaal-emotionele achterstand en een normoverschrijdende gedragsstoornis. [verdachte] heeft misdrijven gepleegd waarop vier jaren gevangenisstraf of meer is gesteld en ook meerdere malen een misdrijf dat apart is benoemd in artikel 77s lid 1 sub a Sr. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van de maatregel. Verder is de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [verdachte] .
De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.
De rechtbank volgt het advies van de deskundigen en legt de maatregel voorwaardelijk op, met een proeftijd van twee jaar. Hieraan worden de bijzondere voorwaarden verbonden, zoals geadviseerd door de Raad, aangevuld met kamercontroles in het kader van begeleid wonen en de voortzetting van ‘Straatkracht’ in het kader van de begeleiding van de jeugdreclassering.
De rechtbank beveelt dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat [verdachte] wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. [verdachte] heeft meerdere strafbare feiten gepleegd, waaronder delicten waarbij geweld is gebruikt en delicten waarbij is gedreigd met een mes. Een deel van de delicten zijn gepleegd in een periode waarin [verdachte] zich had te houden aan voorwaarden die waren gesteld in het kader van een proeftijd en/of een schorsing van zijn voorlopige hechtenis. [verdachte] heeft zich lange tijd weinig aangetrokken van de aan hem gestelde voorwaarden, maar hierin lijkt recent enige verandering zichtbaar. De rechtbank vindt het van groot belang dat de jeugdreclassering [verdachte] kan blijven begeleiden, zodat de voorzichtig ingezette positieve lijn kan worden voortgezet, ook als [verdachte] in hoger beroep zou gaan tegen dit vonnis. De rechtbank merkt daarbij op dat dit voor [verdachte] voor de zoveelste keer een kans is om zich aan justitiële voorwaarden te houden. Voor [verdachte] geldt dus dat als hij deze voorwaarden overtreedt, hij er ernstig rekening mee moet houden dat hij - waarschijnlijk voor lange tijd - in geslotenheid in een JJI zal moeten gaan verblijven in het kader van een PIJ-maatregel. De rechtbank hoopt dan ook dat [verdachte] deze keer zijn kans wel blijvend pakt.
Naast de voorwaardelijke PIJ-maatregel legt de rechtbank een jeugddetentie op van 73 dagen. De tijd [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht moet hiervan worden afgetrokken. Dit betekent dat [verdachte] niet opnieuw naar de JJI hoeft, zolang hij zich houdt aan de gestelde voorwaarden in het kader van de voorwaardelijke PIJ-maatregel.
Tot slot legt de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr op, te weten een contactverbod met [slachtoffer 2] , voor de duur van 5 jaar. De rechtbank beveelt daarbij dat vervangende jeugddetentie wordt toegepast voor iedere keer dat [verdachte] zich niet aan het contactverbod houdt. De vervangende jeugddetentie bedraagt drie dagen per overtreding, met een totale duur van zes maanden, en heft de verplichtingen op grond van de maatregel (het contactverbod) niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat [verdachte] opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, zal de rechtbank bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. [verdachte] heeft immers eerder een contactverbod met [slachtoffer 2] overtreden dat aan hem was opgelegd in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank zal de geschorste voorlopige hechtenis niet opheffen. Zij heeft aan [verdachte] de voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd en de maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard. De rechtbank wil echter dat ook in geval van het instellen van hoger beroep een afdwingbaar strak kader voor [verdachte] blijft gelden in de vorm van de voorwaarden die zijn opgelegd bij de schorsing van de voorlopige hechtenis (en die in grote lijnen overeenkomen met de voorwaarden die gaan gelden bij de voorwaardelijke PIJ-maatregel). De opgelegde voorwaardelijke PIJ-maatregel is een maatregel die vrijheidsbeneming kan medebrengen en dus staan artikel 72 leden Pro 3 en 4 Sv aan deze beslissing niet in de weg.

9.De beoordeling van de civiele vorderingen

In de zaak met parketnummer 16/118222-25
De officier van justitie heeft in verband met het tenlastegelegde feit gevorderd dat aan [verdachte] de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd van € 2.500,-. Dit is het bedrag dat [verdachte] volgens zijn eigen verklaring aan voordeel heeft genoten door het plegen van de overval. De officier van justitie is van mening dat oplegging van dit bedrag aan schadevergoedingsmaatregel, inclusief wettelijke rente, recht doet aan het herstel van de door [bedrijf] geleden schade.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank vindt dat op dit moment onvoldoende vaststaat welke schade [bedrijf] heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, omdat (nog) niet duidelijk is of haar schade (al) op een andere manier is vergoed. De rechtbank wijst de vordering daarom af.
In de zaak met parketnummer 05/188501-25
De benadeelde partij [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) heeft in verband met het tenlastegelegde onder 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. [slachtoffer 1] vordert € 1.430,- aan materiële schade (kapot trainingspak en een kapotte telefoon) en € 1.100,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 1] voor wat betreft de schade aan de kleding (€ 450,-) kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Volgens de officier van justitie is het causaal verband tussen de overige schadeposten en de tenlastegelegde feiten onder 1 en 2 onvoldoende onderbouwd. Zij heeft daarom verzocht om [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk te verklaren voor wat betreft de telefoon en de immateriële schade.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld dat in de aangifte van [slachtoffer 1] niets is vermeld over schade aan de telefoon. Het causaal verband tussen de schade en de ten laste gelegde feiten wordt daarom betwist. De raadsman heeft verder aangevoerd dat in eerste instantie door [slachtoffer 1] is gesteld dat zijn Under Armour trainingspak beschadigd is geraakt. Daarna is pas gesteld dat het een trainingspak van CP Company betreft. Primair heeft de raadsman gesteld dat [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering op dit punt omdat er onduidelijkheid bestaat over het schadebedrag. Subsidiair is de raadsman van mening dat het schadebedrag lager moet worden vastgesteld. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman aangevoerd dat de schade niet is onderbouwd en dat het gevorderde bedrag fors is.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank overweegt met verwijzing naar de bewijsmotivering dat zij komt tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling en niet van de primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Uit het dossier en het onderzoek op de terechtzitting is onvoldoende gebleken dat [slachtoffer 1] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte (het spuiten van pepperspray) rechtstreeks schade heeft geleden aan zijn trainingspak en telefoon. De rechtbank zal [slachtoffer 1] daarom voor wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat tijdens de zitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt. Door de mishandeling heeft [slachtoffer 1] namelijk lichamelijk letsel opgelopen, in die zin dat hij meerdere dagen pijn aan zijn ogen en huid heeft gehad door de pepperspray. Dit is aan [verdachte] toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank stelt het smartengeld vast op een bedrag van € 300,- en verklaart [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Wettelijke rente
[verdachte] is wettelijke rente verschuldigd vanaf 11 april 2025.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel alleen ziet op het toegewezen bedrag. In verband met de leeftijd van [verdachte] zal geen gijzeling worden opgelegd.
In de zaken met de parketnummers 05/200559-25 en 05/304695-25
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met de ten laste gelegde openlijke geweldpleging en bedreiging een vordering tot schadevergoeding ingediend. [slachtoffer 2] vordert
€ 6.641,50 aan materiële schade en € 7.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Ook is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 2] in zijn geheel kan worden toegewezen, waarbij het bedrag hoofdelijk wordt opgelegd. Daarbij vordert de officier van justitie toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat 90% van de gevorderde schade in verband staat met het steken met het mes. [verdachte] heeft niet zelf gestoken met het mes. De raadsman vindt het niet eerlijk om een eventueel te vergoeden schadebedrag hoofdelijk op te leggen. Hij heeft de rechtbank dan ook verzocht om het schadebedrag naar rato toe te rekenen aan [verdachte] en zijn broer.
Over de materiële schade heeft de raadsman aangevoerd dat de gestelde studievertraging en de vertraging bij het behalen van zijn rijbewijs door de benadeelde partij onvoldoende zijn onderbouwd. Niet is aangetoond dat [slachtoffer 2] de eerste examens zou hebben gehaald als hij hieraan wel had kunnen deelnemen. Omdat de vordering op dit punt te onduidelijk is, heeft de raadsman de rechtbank verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in dit deel van de vordering.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek op de terechtzitting is voldoende gebleken dat [slachtoffer 2] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van [verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de volgende schadeposten niet of onvoldoende inhoudelijk zijn betwist:
  • medische kosten € 2.164,78
  • beschadigde en/of verloren gegane goederen € 180,-
  • extra vervoers- en parkeerkosten € 60,-
  • beveiliging € 493,97.
Deze schadeposten zijn voldoende onderbouwd en de rechtbank vindt de gevorderde bedragen redelijk. De rechtbank zal deze bedragen daarom toewijzen.
De schade die ziet op de studievertraging en de vertraging bij het behalen van het rijbewijs zijn door de verdediging wel betwist. De rechtbank overweegt dat uit de toelichting bij de vordering blijkt dat [slachtoffer 2] in de periode na het incident last had van zowel fysieke als mentale klachten. Zijn lichamelijke herstel heeft ongeveer 2 maanden in beslag genomen. De mentale klachten die [slachtoffer 2] ervaart zijn passend bij trauma gerelateerde problematiek en duren nog steeds voort. Sinds het incident is het concentratie- en leervermogen van [slachtoffer 2] beperkt. De rechtbank vindt gelet op de overgelegde stukken als voldoende onderbouwd vaststaan dat [slachtoffer 2] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van [verdachte] pas later kon afstuderen en dat hij ook problemen heeft ervaren bij het behalen van zijn rijbewijs.
De rechtbank wijst daarom ook het gevorderde bedrag dat ziet op deze vertragingen
(€ 3.742,75) toe.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat tijdens de zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 2] door de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging én de bedreiging schade heeft geleden die binnen de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt. [slachtoffer 2] heeft lichamelijk letsel opgelopen, te weten een steekwond in zijn buik. Daarnaast is [slachtoffer 2] op andere wijze in zijn persoon aangetast, omdat sprake is van geestelijk letsel in de vorm van PTSS. Dit is ook aan [verdachte] toe te rekenen.
De rechtbank houdt bij het beoordelen van de vordering van [slachtoffer 2] rekening met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank vindt in deze situatie een bedrag van
€ 4.500,- aan smartengeld passend en wijst dit bedrag toe.
Wettelijke rente
Bij gebreke aan een andere gestelde of gebleken ingangsdatum voor de wettelijke rente is [verdachte] vanaf 10 maart 2026 (datum indiening vordering) wettelijke rente over het toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding verschuldigd en vanaf 30 juni 2025 over het smartengeld, nu het ‘zwaartepunt’ van het ontstaan van de immateriële schade is gelegen in het steekincident van die datum en minder in de later door [verdachte] gedane bedreiging(en).
Hoofdelijke aansprakelijkheid
De rechtbank overweegt dat [verdachte] en de medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken uit hoofde van artikel 6:166 BW Pro. Deze regel van groepsaansprakelijkheid geldt ook nu [verdachte] zelf niet degene is die heeft gestoken. [verdachte] hoeft niet meer te betalen als en voor zover de medeverdachte de schade heeft vergoed.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel alleen ziet op het toegewezen bedrag. In verband met de leeftijd van [verdachte] zal geen gijzeling worden opgelegd.
In de zaak met parketnummer 05/035768-26
De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft in verband met het tenlastegelegde onder 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 400,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 4] kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld dat de jurisprudentie waar naar is verwezen niet vergelijkbaar is met het feit dat aan [verdachte] is ten laste gelegd. Hij heeft de rechtbank verzocht een lager bedrag aan smartengeld vast te stellen.
De beoordeling door de rechtbank
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat tijdens de zitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt. Door de bedreiging is [slachtoffer 4] op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan [verdachte] toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank wijst de vordering van [slachtoffer 4] toe en stelt het smartengeld vast op een bedrag van € 400,-.
Wettelijke rente
[verdachte] is wettelijke rente verschuldigd vanaf 24 januari 2026.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel alleen ziet op het toegewezen bedrag. In verband met de leeftijd van [verdachte] zal geen gijzeling worden opgelegd.

10.De beoordeling van het beslag

In de zaak met parketnummer 05/200559-25
Er ligt beslag op het volgende goed:
- Apple iPhone zwart (goednummer 3484534).
In de raadkamerbeslissing van 14 januari 2026 heeft de rechter besloten dat onder andere de zwarte iPhone van [verdachte] aan hem moet worden terug gegeven. Omdat die beslissing al is genomen, hoeft de rechtbank daar niet opnieuw een beslissing over te nemen.
In de zaak met parketnummer 05/188501-25
Er ligt beslag op het volgende goed:
- groot (survival)mes, dubbelzijdig.
Dit is een goed waarmee het onder 3 bewezenverklaarde feit (wapenbezit) is begaan. Het ongecontroleerde bezit van een dergelijk mes is in strijd met het algemeen belang en de wet. Daarom moet het mes worden onttrokken aan het verkeer.

11.De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05/187896-24)

De meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken van de rechtbank Gelderland heeft [verdachte] op 2 mei 2025 (onder parketnummer 05/187896-24) veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 6 weken.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de omzetting van deze voorwaardelijke jeugddetentie naar een werkstraf van 84 uur gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de tenuitvoerlegging het behandeltraject van [verdachte] ernstig zal doorkruisen. De raadsman heeft aangegeven zich te kunnen vinden in een omzetting van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie naar een werkstraf.
De beoordeling door de rechtbank
Bewezen is dat [verdachte] zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd.
In plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie zal de rechtbank gelasten dat [verdachte] een taakstraf moet uitvoeren, in de vorm van het verrichten van 84 uur werkstraf, bij het niet voldoen te vervangen door 42 dagen jeugddetentie.

12.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 36 b, 36c, 36f, 38v, 38w, 77a, 77g, 77i, 77s, 77we, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 285, 300 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;
- 27 en 54 van de Wet wapens en munitie.

13.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 05/188501-25, primair onder 1 ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’ oplevert;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot
een jeugddetentievoor de duur van 73 dagen;
 beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;
 legt aan verdachte
de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigenop voor de duur van 3 (drie) jaar;
 bepaalt dat de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
 stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaar, onder de
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en
 stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte gedurende de proeftijd:
verblijft bij Admodum Zorg aan de [adres] in [woonplaats] of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de jeugdreclassering. De verdachte houdt zich aan de aanwijzingen, afspraken en huisregels binnen deze instelling, ook als dat een kamercontrole inhoudt, voor zover en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
meewerkt aan het verkrijgen en vasthouden van dagbesteding, in de vorm van werk en/of opleiding en/of positieve vrijetijdsbesteding, zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt;
zich laat behandelen door Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering, zolang de jeugdreclassering behandeling nodig vindt.
meewerkt aan urinecontroles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) van de Opiumwet, voor zover de jeugdreclassering dat nodig vindt;
meewerkt aan de module "Straatkracht" van de jeugdreclassering, voor zover en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
geeft de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, afdeling jeugdreclassering, de opdracht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
onder de voorwaarden dat verdachte:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in art. 77aa, eerste tot en met vierde lid, Wetboek van Strafrecht, uit te voeren door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, afdeling jeugdreclassering, waaronder de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt, daaronder begrepen;
 beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
 legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, in de vorm van
een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende 5 jaren geen direct of indirect contact zoekt of heeft met aangever [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 in [geboorteplaats 2] , met uitzondering van het meewerken aan herstelbemiddeling, alles in overleg en met goedkeuring van de jeugdreclassering;
 beveelt dat vervangende jeugddetentie wordt toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende jeugddetentie bedraagt ten hoogste 3 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;
 beveelt dat de maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar is;
 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een groot dubbelzijdig (survival)mes;
 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de navolgende benadeelde partijen van de hierna genoemde bedragen, telkens vermeerderd met de kosten die de benadeelde partijen in deze procedure hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente
1. [slachtoffer 2] € 6.641,50 10 maart 2026
2. [slachtoffer 2] € 4.500,00 30 juni 2025
3. [slachtoffer 1] € 300,00 11 april 2025
4. [slachtoffer 4] € 400,00 21 januari 2026
 bepaalt in de zaken met de parketnummers 05/200559-25 en 05/304695-25 dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] betaalt, dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
 legt aan verdachte ook de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de navolgende benadeelde partijen de navolgende bedragen te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum als vermeld, tot aan de dag dat het bedrag volledig is betaald. Als de genoemde bedragen niet worden betaald, kunnen 0 (nul) dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente
1. [slachtoffer 2] € 6.641,50 10 maart 2026
2. [slachtoffer 2] € 4.500,00 30 juni 2025
3. [slachtoffer 1] € 300,00 11 april 2025
4. [slachtoffer 4] € 400,00 21 januari 2026
 bepaalt in de zaken met de parketnummers 05/200559-25 en 05/304695-25 dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2] betaalt, dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
 wijst de gevorderde schadevergoedingsmaatregel af, voor zover die ziet op benadeelde [bedrijf] ;
 gelast - in plaats van de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie van 6 (zes) weken, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 2 mei 2025 -:
een taakstraf van 84 (vierentachtig) uur, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie kan worden toegepast voor de duur van 42 (tweeënveertig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld (kinderrechter en voorzitter), mr. R. Raat en
mr. A. Bril, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 april 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Midden-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0900-2024392010, onderzoek 31KOKER25/MD4R024155, gesloten op 19 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025166134, gesloten op 17 april 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
3.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 9 en 10, het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 1] , p. 122 en de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 17 maart 2026.
4.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 9 en 10.
5.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 10.
6.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 13.
7.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 19, de verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 17 maart 2026 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 38.
8.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, district Noord en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025308998, gesloten op 28 januari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
9.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 27-28 en de verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 17 maart 2026.
10.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 83, het proces-verbaal van aanhouding, p. 228 en de verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 17 maart 2026.
11.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] van de politie Oost-Nederland, teamrecherche Tweestromenland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025546329, gesloten op 22 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
12.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 7 en p. 9 t/m 12 en de verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 17 maart 2026.
13.Het bevel schorsing voorlopige hechtenis van de raadkamer d.d. 17 juli 2025, p. 100, het proces-verbaal van bevindingen, p. 17.
14.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 7.
15.De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 17 maart 2026, het proces-verbaal van bevindingen, p. 33, het proces-verbaal van bevindingen, p. 35, het proces-verbaal van bevindingen, p. 39 en de kennisgeving van inbeslagneming, p. 99.
16.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 41 t/m 45.
17.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026053226, gesloten op 3 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
18.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 8 en 9, het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , p. 12 en 13, het proces-verbaal van de raadkamer van 4 februari 2026, blad 1 en de verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 17 maart 2026.
19.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 9 en het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , p. 13 en 14.
20.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , p. 13.
21.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , p. 12.
22.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 25 en 26.