Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2574

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
05-274980-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 175 WVWArt. 179 WVWArt. 3 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 76 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens aanmerkelijk onvoorzichtig rijden met zwaar lichamelijk letsel

Op 3 juni 2025 reed verdachte op de Apeldoornseweg/N304 te Wekerom, waarbij hij vermoeid was en op de rijbaan voor het tegemoetkomend verkeer terechtkwam. Hierdoor week een tegemoetkomende bestuurder uit en botste tegen een boom, waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opliep.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden in strijd met artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte werd vrijgesproken van het ten laste gelegde verlaten plaats ongeval, omdat niet kon worden vastgesteld dat hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat een ongeval had plaatsgevonden.

De rechtbank legde een taakstraf van 120 uur op en een geheel voorwaardelijke rijontzegging van 6 maanden, rekening houdend met de ernst van het letsel en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De eis van de officier van justitie werd deels gevolgd, met een lagere straf en vrijspraak voor het verlaten plaats ongeval.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur taakstraf en voorwaardelijke rijontzegging van 6 maanden wegens aanmerkelijk onvoorzichtig rijden met zwaar lichamelijk letsel; vrijspraak voor verlaten plaats ongeval.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/274980-25
Datum uitspraak : 20 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] (India),
wonende aan het [adres] .
Raadsvrouw: mr. M.G.M. Frerix, advocaat in Ede.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
6 maart 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij, als degene die als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Peugeot) bij een verkeersongeval was betrokken, en welk verkeersongeval had plaatsgevonden te Wekerom, op de Apeldoornseweg / N304 op 3 juni 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toebracht en/of die ander (te weten [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;
2.
hij op of omstreeks 3 juni 2025 te Wekerom, gemeente Ede als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Peugeot), daarmee rijdende op de weg, de Apeldoornseweg / N304, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij vermoeid was en/of terwijl tegemoetkomende verkeer reeds op korte afstand was genaderd,
- zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of
- in strijd met artikel 3 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 76 van Pro het voornoemd reglement de (dubbele) doorgetrokken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en/of zich met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen, -welke strepen op die weg (de Apeldoornseweg/N304) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richting-, heeft bevonden en/of
- ten gevolge waarvan of waardoor een tegemoetkomende bestuurder van een personenauto (merk Chevrolet) uitweek en/of (vervolgens) tegen een boom is gebotst,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 3 juni 2025 te Wekerom, gemeente Ede als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Apeldoornseweg / N304, terwijl hij vermoeid was en/of terwijl tegemoetkomende verkeer reeds op korte afstand was genaderd,
- zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of
- in strijd met artikel 3 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 76 van Pro het voornoemd reglement de (dubbele) doorgetrokken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en/of zich met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen, -welke strepen op die weg (de Apeldoornseweg/N304) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richting-, heeft bevonden en/of
- ten gevolge waarvan of waardoor een tegemoetkomende bestuurder van een personenauto (merk Chevrolet) uitweek en/of (vervolgens) tegen een boom is gebotst,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 3 juni 2025 te Wekerom, gemeente Ede als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Apeldoornseweg / N304, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte wist dat hij een ongeval had veroorzaakt en dat aan een ander schade en/of letsel was toegebracht. Dit blijkt volgens de officier van justitie uit de volgende omstandigheden. Verdachte wist dat hij op de verkeerde weghelft terecht was gekomen, zag hier verkeer op hem afkomen en heeft abrupt teruggestuurd. Verdachte heeft zich hierna geprobeerd te verontschuldigen door zijn alarmlichten aan te zetten. Verdachte heeft verklaard dat hij eigenlijk wel wilde stoppen, maar dat dit door de wegomstandigheden niet mogelijk was. De bestuurder achter verdachte heeft met groot licht naar hem geseind en ten slotte heeft verdachte bij zijn aanhouding aan de politie gevraagd of hij moet stoppen als hij betrokken is bij een ongeluk.
De officier van justitie heeft daarnaast gesteld dat het onder feit 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie gaat daarbij uit van de laagste schuldgradatie, namelijk dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden, door op een weg met een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur en een dubbel doorgetrokken streep, op de verkeerde weghelft te rijden. Het letsel van [slachtoffer] is volgens de officier van justitie aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 en het onder feit 2 primair tenlastegelegde.
Ten aanzien van feit 1 heeft zij vrijspraak bepleit, omdat verdachte niet wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat een verkeersongeval had plaatsgevonden, dan wel dat er als gevolg van zijn handelen letsel of schade was toegebracht. Verdachte heeft niks gezien en gemerkt.
Ten aanzien van feit 2 primair heeft zij aangevoerd dat verdachte even is weggesukkeld en daardoor op de verkeerde rijbaan terecht is gekomen. Aan verdachte kan hoogstens worden verweten dat hij, terwijl hij vermoeid was toch in de auto is gestapt, maar dit levert geen aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid op. Bovendien is het onduidelijk of [slachtoffer] als gevolg van het handelen van verdachte tegen een boom is aangereden. [slachtoffer] heeft volgens de politie in haar uitwijkmanoeuvre overgecorrigeerd. De vraag is daarom of er wel causaal verband is tussen het letsel van mevrouw [slachtoffer] en het handelen van verdachte. Tot slot is er geen sprake van zwaar lichamelijk letsel of letsel waardoor tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Ten aanzien van het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Het veroorzaken van een verkeersongeval (feit 2)
Bewijsmiddelen (feit 2)
Op 3 juni 2025 heeft op de Apeldoornseweg/N304 in Wekerom, gemeente Ede, een verkeersongeval plaatsgevonden. Deze weg heeft twee rijstroken, één voor elke rijrichting. Deze rijstroken zijn van elkaar gescheiden door een dubbele doorgetrokken streep. Deze streep mag niet worden overschreden (artikel 76 Reglement Pro verkeersregels en verkeerstekens 1990). Verdachte reed op die weg in een personenauto, een Peugeot, in de richting van Ede. [slachtoffer] reed op diezelfde weg in een Chevrolet en kwam uit de tegengestelde richting. Op enig moment is verdachte op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen. [slachtoffer] is uitgeweken en is vervolgens tegen een boom gebotst. [2]
[slachtoffer] heeft verklaard dat zij zag dat een auto meerdere keren op haar weghelft terechtkwam en recht op haar afkwam. Zij moest uitwijken voor de auto en is tegen een boom gebotst. Ook heeft zij verklaard dat het druk was op de weg. [3]
Getuige [getuige] , de bestuurder van de auto die achter [slachtoffer] reed, heeft verklaard dat hij zag dat uit de rij van tegemoetkomende auto’s, één personenauto op de verkeerde weghelft kwam rijden en in zijn richting reed. Hij zag dat de auto die voor hem reed naar rechts uitweek en vervolgens steeds verder de berm in reed en met de voorzijde tegen een boom in de berm aanreed. [4]
Verdachte heeft verklaard dat hij over de weg heeft geslingerd en daardoor op de verkeerde weghelft terecht is gekomen. Dit gebeurde doordat hij moe was door een jetlag en wegzakte. Toen hij weer helemaal bijkwam en zag dat hij op de verkeerde weghelft reed, is hij meteen terug naar zijn eigen weghelft gereden. [5] Hij heeft niet gezien dat [slachtoffer] tegen een boom aanreed en er dus een ongeval had plaatsgevonden.
Toetsingskader artikel 6 WVW Pro (feit 2)
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).
Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid dan wel onoplettendheid en/of onachtzaamheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro. Een enkel moment van onoplettendheid is over het algemeen niet voldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld.
Toepassing toetsingskader (feit 2)De rechtbank is van oordeel dat provinciale wegen en zeker die waarbij de rijstroken voor het elkaar tegemoetkomende verkeer niet fysiek van elkaar zijn gescheiden, zoals op de Apeldoornseweg/N304 het geval is, wegen zijn die vanuit verkeerstechnisch oogpunt bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van weggebruikers vragen. Door de aanwezigheid van de dubbel doorgetrokken streep op het midden van de weg wordt benadrukt dat de wegsituatie om grote voorzichtigheid vraagt. Daarnaast was het ten tijde van het verkeersongeval door de spits druk op de weg en ook deze omstandigheid maakt dat weggebruikers extra voorzichtig en oplettend moeten zijn.
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte is gaan rijden terwijl hij vermoeid was, dat hij vervolgens niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, naar links heeft gestuurd en op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer terecht is gekomen. Het tegemoetkomende verkeer was op dat moment al op korte afstand genaderd. [slachtoffer] moest uitwijken voor verdachte en is tegen een boom gebotst. De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af dat verdachte niet, dan wel in onvoldoende mate heeft gelet op het (naderende) verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse. De rechtbank is, gelet op het geheel van de gedragingen van verdachte en de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding, van oordeel dat zijn gedrag als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend kan worden aangemerkt en dat het daarom aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Het feit dat [slachtoffer] tegen een boom is gebotst, is gelegen in de omstandigheid dat zij verdachte moest ontwijken. Daarmee is uiteraard het causale verband tussen het rijgedrag van verdachte en de aanrijding en daarmee het letsel van het slachtoffer gegeven.
De rechtbank merkt ten slotte nog op dat, gelet op de afstand die verdachte moet hebben afgelegd voordat hij geheel op de verkeerde rijstrook reed en de tijd die daarvoor nodig moet zijn geweest en het feit dat verdachte aan het slingeren was, de verdachte gedurende meer dan enkel een kort moment onoplettend is geweest.
Zwaar lichamelijk letsel
Als gevolg van het door verdachte veroorzaakte verkeersongeval heeft [slachtoffer] een breuk in haar been opgelopen (tibiaplateau fractuur). Zij is hiervoor geopereerd. Ruim twee maanden na het ongeval liep zij nog met een kruk en kreeg zij fysiotherapie. De geschatte duur van de genezing betrof negen maanden tot één jaar. [6] Gelet op de ernst van het letsel, de noodzaak en de aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op herstel, is de rechtbank van oordeel dat het letsel van [slachtoffer] als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt.
Conclusie feit 2
Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 primair ten laste gelegde feit.
Verlaten plaats ongeval (feit 1)
Vrijspraak
Verdachte heeft ontkend dat hij wist van het verkeersongeval. De rechtbank kan op grond van de bewijsmiddelen niet vaststellen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat een verkeersongeval had plaatsgevonden en dat aan [slachtoffer] letsel en/of schade was toegebracht en overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft zowel bij de politie als tijdens de zitting verklaard dat hij een witte auto op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer heeft gezien. Hij heeft de Chevrolet van [slachtoffer] niet gezien. Daarnaast zit er in het dossier een verklaring van een (anonieme) melder die achter verdachte heeft gereden. Deze melder heeft verklaard dat hij/zij zag dat de tegenliggers als gevolg van het handelen van verdachte op de rem moesten en dat hij/zij het idee had dat verdachte bijna een ongeluk of misschien wel een ongeluk had veroorzaakt. Ook deze melder (die achter de verdachte reed), wist dus niet dat er daadwerkelijk een verkeersongeval had plaatsgevonden.
De rechtbank spreekt verdachte vrij van feit 1.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
2.
hij op
of omstreeks3 juni 2025 te Wekerom, gemeente Ede als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Peugeot), daarmee rijdende op de weg, de Apeldoornseweg / N304,
zeer, althansaanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij vermoeid was en
/ofterwijl tegemoetkomende verkeer reeds op korte afstand was genaderd,
- zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en
/ofde (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en
/of
- in strijd met artikel 3 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en
/of
- in strijd met het gestelde in artikel 76 van Pro het voornoemd reglement de (dubbele) doorgetrokken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en
/ofzich met het door hem bestuurde voertuig geheel
of gedeeltelijklinks van die doorgetrokken strepen, -welke strepen op die weg (de Apeldoornseweg/N304) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richting-, heeft bevonden en
/of
- ten gevolge waarvan of waardoor een tegemoetkomende bestuurder van een personenauto (merk Chevrolet) uitweek en
/of (vervolgens
)tegen een boom is gebotst,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel
of zodanig lichamelijk letselwerd toegebracht
, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2, primair:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 en feit 2 primair zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de hoogte van de door de officier van justitie geëiste taakstraf te matigen en de ontzegging van de rijbevoegdheid geheel of grotendeels voorwaardelijk op te leggen. Zij heeft daarbij gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn procesopstelling. Hij heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk als consultant en zijn vrijwilligerswerk.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden een verkeersongeval veroorzaakt. Hij is gaan rijden terwijl hij moe was vanwege een jetlag en is vervolgens op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer terechtgekomen. Een tegemoetkomende auto is voor hem uitgeweken en is tegen een boom in de berm gebotst. [slachtoffer] heeft daarbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Zij ondervindt nog altijd klachten na het ongeval, zoals is gebleken ter terechtzitting.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 2 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
Bij de beslissing over de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten hanteren in het geval van aanmerkelijke schuld aan een ongeval met zwaar lichamelijk letsel een taakstraf van 120 uur en een ontzegging van rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.
De rechtbank ziet gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan, geen ruimte om de taakstraf te matigen. Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf van 120 uur passend.
Gelet op de LOVS-oriëntatiepunten zou het daarnaast in de rede liggen om een onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen. De rechtbank heeft echter rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder het feit dat hij niet eerder is veroordeeld voor verkeersdelicten en dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn (vrijwilligers)werk. De rechtbank acht daarom een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden passend.
De rechtbank komt daarmee tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist, omdat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van het onder feit 1 tenlastegelegde en de rechtbank in sterkere mate rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 175, en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
  • legt op een
  • beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
  • ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden;
  • bepaalt dat deze ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Bruin (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. Y. Rikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.W.A. Nabbe, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 maart 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025258763, gesloten op 7 oktober 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aanrijding misdrijf, p. 20-22; proces-verbaal FO verkeer, p. 39; de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 6 maart 2026.
3.Proces-verbaal van verhoor slachtoffer, p. 71-72.
4.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 78-79.
5.De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 6 maart 2026.
6.Proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer] , p. 71; Medische informatie d.d. 29 augustus 2025.