Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2521

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/05/451333
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 RvArt. 204 RvArt. 194 RvArt. 195 RvArt. 195a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot inzage EML-bestanden ter onderbouwing herroeping arrest en onrechtmatige daad

De zaak betreft een verzoek van de verzoekster om inzage en afschrift van EML-bestanden van e-mails die zij zou hebben verzonden aan voormalig cursisten van [groep verweerders 3], ter onderbouwing van een vordering tot herroeping van een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en een vordering op grond van onrechtmatige daad.

De rechtbank overweegt dat de verzoekster stelt dat de EML-bestanden door [groep verweerders 3] zijn gemanipuleerd, maar dat deze stelling reeds uitvoerig is behandeld en beoordeeld in eerdere procedures bij de rechtbank en het gerechtshof. Deskundigenrapporten van PSG Recherche en Riscon hebben vastgesteld dat de e-mails authentiek zijn en afkomstig van het e-mailadres van de verzoekster. De verzoekster heeft onvoldoende gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheden om haar stellingen te onderbouwen.

De rechtbank oordeelt dat een procedure tot herroeping niet dient om reeds gewisselde standpunten te herhalen en dat de termijn voor het instellen van een vordering tot herroeping is verstreken. Daarnaast heeft het gezag van gewijsde van het arrest tot gevolg dat een vordering op grond van onrechtmatige daad eveneens geen kans van slagen heeft. Daarom ontbreekt voldoende belang bij het verzoek om inzage van de EML-bestanden. De verzoeken worden afgewezen en de verzoekster wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek tot inzage van EML-bestanden wordt afgewezen wegens gebrek aan belang en de verzoekster wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: C/05/451333 / HA RK 25-58
Beschikking van 7 april 2026
in de zaak van
[naam verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
hierna te noemen: [de verzoekster] ,
advocaat: mrs. R.P. de Vries en K. Gögdas,
tegen

1.[naam verweerster 1] , handelend onder de naam [bedrijf verweerster 1] ,

kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
advocaat: mr. M.H.M. Deppenbroek,
2. de vennootschap onder firma
[naam verwerend vennootschap 1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
advocaat: mr. M.H.M. Deppenbroek,
3.
[naam verweerster 2], in persoon en in haar hoedanigheid van vennoot van
[naam verwerend vennootschap 1],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
advocaat: mr. M.H.M. Deppenbroek,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[belanghebbend bedrijf 3] B.V., in persoon en in haar hoedanigheid van vennoot van
[naam verwerend vennootschap 1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
belanghebbende,
niet verschenen,
5. de vennootschap onder firma
[naam verwerend vennootschap 2],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
advocaat: mr. R.W.J. Soetekouw,
6.
[naam verweerder 1], in persoon en in zijn hoedanigheid van vennoot van
[naam verwerend vennootschap 2]
wonende te [woonplaats] ,
verweerder,
advocaat: mr. R.W.J. Soetekouw,
7.
[naam verweerster 3], in persoon en in haar hoedanigheid van vennoot van
[naam verwerend vennootschap 2]
wonende te [woonplaats] ,
verweerder,
advocaat: mr. R.W.J. Soetekouw,
8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[groep verweerders 3] INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
belanghebbende,
niet verschenen,
9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[groep verweerders 3] NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [vestigingsgemeente] ,
belanghebbende,
niet verschenen,
10.
[belanghebbende],
wonende te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] ,
belanghebbende,
niet verschenen.
Partijen onder 1 tot en met 7 zullen afzonderlijk [verwerend bedrijf 1] , [verwerend bedrijf 2] , [verweerster 1] , [belanghebbend bedrijf 3] , [verwerend vennootschap] , [verweerder 1] en [verweerster 2] worden genoemd en gezamenlijk gerekwestreerden. Partijen onder 1, 2 en 3 zullen hierna gezamenlijk [groep verweerders 1] worden genoemd, partijen onder 5, 6 en 7 gezamenlijk [groep verweerders 2] en partijen onder 8, 9 en 10 gezamenlijk [groep verweerders 3] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 29 april 2025, met 10 bijlagen,
- het verweerschrift van [verwerend bedrijf 1] en [verweerster 1] , met 6 producties,
- de brief van mr. Soetekouw van 21 november 2025, met bijgevoegd productie 1,
- de brief van 25 november 2025 van mr. Soetekouw, met bijgevoegd twee bijlagen,
- het verweerschrift van [groep verweerders 2] , met bijgevoegd productie 2,
- de akte inhoudende wijziging van eis van [de verzoekster] ,
- de pleitnota van mrs. de Vries en Gögdas,
- de pleitnota van mr. Soetekouw,
- de mondelinge behandeling van 1 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Verschenen is [de verzoekster] , bijgestaan door mrs. de Vries en Gögdas. Tevens verschenen is mr. Deppenbroek namens [groep verweerders 1] , en [groep verweerders 2] , bijgestaan door mr. Soetekouw. De overige belanghebbenden zijn niet verschenen, hoewel zij daartoe behoorlijk zijn opgeroepen.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[groep verweerders 3] Netherlands B.V. drijft een onderneming gericht op het verzorgen van yoga en meditatie en daaraan gerelateerde lessen, cursussen, workshops en opleidingen.
2.2.
[de verzoekster] en gerekwestreerden hebben yogaopleidingen gevolgd bij [groep verweerders 3] .
2.3.
Tussen [de verzoekster] en [groep verweerders 3] is een geschil ontstaan. [groep verweerders 3] heeft gesteld dat [de verzoekster] – samengevat – een e-mailbericht met negatieve uitlatingen over [groep verweerders 3] heeft gezonden aan voormalig cursisten van [groep verweerders 3] , waaronder gerekwestreerden. [de verzoekster] heeft dit betwist en gesteld dat [groep verweerders 3] de e-mailberichten heeft gemanipuleerd om het te laten lijken alsof de e-mailberichten vanuit het e-mailadres van [de verzoekster] zijn verzonden.
2.4.
In opdracht van [groep verweerders 3] heeft een deskundige van PSG Recherche de voornoemde e-mailberichten onderzocht om te achterhalen wie deze berichten heeft gezonden. In zijn rapport van 12 januari 2021 concludeert de deskundige dat alle door hem onderzochte
e-mailberichten, die hij van [groep verweerders 3] heeft ontvangen, met een hoge mate van waarschijnlijkheid zijn verstuurd vanaf [emailadres 1] en dat de berichten onderweg niet zijn onderschept of aangepast door een derde.
2.5.
Over hun geschil is tussen [groep verweerders 3] en [de verzoekster] geprocedeerd bij de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) en in hoger beroep bij het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden (hierna: het gerechtshof). Bij dagvaarding heeft [groep verweerders 3] , voor zover relevant, gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
1. voor recht verklaart dat [de verzoekster] onrechtmatig jegens [groep verweerders 3] heeft gehandeld door:
a. in de periode 25 november 2020 tot en met 15 december 2020, althans begin 2021, voormalig cursisten van [groep verweerders 3] . per e-mail te benaderen met onjuiste informatie en beweringen,
b. (…),
2. [de verzoekster] verbiedt om middellijk en/of onmiddellijk op enigerlei wijze contact te zoeken of te onderhouden met enig persoon waarvan [de verzoekster] weet, althans kan weten dat die persoon cursist bij [groep verweerders 3] International en/of [groep verweerders 3] Nederland is of is geweest, anders dan door verzending van een e-mail zoals vermeld onder de punten 4 en 8, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom,
3. [de verzoekster] gebiedt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan mr. Van Olden [advocaat van [groep verweerders 3] in deze procedure: toevoeging rechtbank] per e-mail een lijst toe te zenden van alle personen en/of organisaties die door [de verzoekster] per e-mail zijn benaderd met een e-mail met gelijke of vergelijkbare inhoud als de e-mails die bij dagvaarding als productie 16 zijn overgelegd, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom,
4. [de verzoekster] gebiedt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan de onder 3 genoemde personen en/of organisaties een e-mail te zenden met de navolgende inhoud:
“Dear [groep verweerders 3] graduate,
I refer to my previous email which was send to you from the email accounts
[emailadres 2] or [emailadres 3] or [emailadres 1] .
I sincerely apologize for he fact that none of the information in my previous email about [groep verweerders 3] is correct. The content of my email was unlawful. Therefore there is no reason to worry that anything [groep verweerders 3] did or didn’t do has any consequences for your certificate issued by [groep verweerders 3] .
Kind regards,
[de verzoekster] ”,
zulks met een cc aan mr. Van Olden en op straffe van verbeurte van een dwangsom,
5. (…),
2.6.
Bij tussenvonnis van 3 november 2021 heeft de rechtbank onder andere het volgende overwogen:
(…)

2.De feiten

(…)
2.13.
In november 2020 hebben verschillende voormalig cursisten van [groep verweerders 3] . aan [groep verweerders 3] . laten weten dat zij een e-mailbericht hadden ontvangen vanaf de e-mailadressen [emailadres 1] ,
[emailadres 3]of
[emailadres 3]. De e-mailberichten hadden allemaal - voor zover relevant - de volgende inhoud:
“Dear [groep verweerders 3] Graduate,
1 am sending you this e-mail because I want to warn you about [groep verweerders 3] . I am myself a graduate, and I was absolutely shocked when I discovered that [groep verweerders 3] is not who they appear to be. Through a friend of mine who graduated at a Sivananda ashram I found out that the manual of [groep verweerders 3] and the one of Sivananda are exactly the same. Even the first page in which [groep verweerders 3] presents the course and the organization is word by word the same, only the name Sivananda has been changed to [groep verweerders 3] .
When I did more research, I found out that [groep verweerders 3] Ashrams, both branches in the
Netherlands and India, are currently being sued by Sivananda Yoga Vedanta Ashram &
Centres for copyright infringement. [groep verweerders 3] Ashrams has copied and used the entire
Sivananda Yoga Teacher Training manual without permission for well over 10 years now![naam 1] proudly claims during the course that the course is developed on his years of experience, and that he has designed the correction techniques himself. This doesn’t appear to be true at all. The complete course is an exact copy of the Sivananda training. For more than 10 years, they have capitalized on Sivananda’s knowledge and experience, and claiming it to be their own creation.
This goes completely against all of the Yamas and Niyamas and is not only dishonest and
disrespectful towards Sivananda but also towards all their students and graduates.
I have doubted for a long time what to do with this information. I find it completely unfair that they continue their charade and pretend to be all yogi-minded whereas the opposite is the case. The impression I had during the course (and many other students in my group) of [naam 1] as being rather a money minded person appears to be correct. Therefore I have decided to contact other duped graduates to inform them of this situation.
I have included a few pages of the Sivananda Yoga Teacher Trainings manual for you to compare with your own [groep verweerders 3] manual. As you will notice, it is almost an exact copy. The overall similarities continue throughout the whole [groep verweerders 3] manual and this will no doubt have far exceeding consequences for [groep verweerders 3] .
My main worry is that this will also have consequences for our certificate issued by [groep verweerders 3] .
Yoga Alliance is already informed about the ongoing legal procedures against [groep verweerders 3] and are closely monitoring the situation. However I would advise you to contact Yoga Alliance at your earliest convenience for more information and to inform them of the number of duped graduates.
(…)For my own protection, I have not used my real name.
(…)
[naam 2] ”
(…)
5.6.
Aan de vorderingen 1.a, 2, 3 en 4 heeft [groep verweerders 3] . ten grondslag gelegd dat [de verzoekster] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door het versturen van de in rechtsoverweging 2.13 geciteerde e-mail aan ex-cursisten van [groep verweerders 3] ., omdat de inhoud van die e-mail onjuist, diffamerend en uiterst schadelijk voor [groep verweerders 3] . is. (…)
Ter onderbouwing van de gestelde smaad/laster heeft [groep verweerders 3] . een aantal e-mails overgelegd die zij doorgestuurd heeft gekregen van ex-cursisten (productie 16 bij dagvaarding). Ter onderbouwing van haar stelling dat de bewuste e-mails van [de verzoekster] afkomstig zijn, heeft [groep verweerders 3] . twee rapporten van PSG Recherche overgelegd (producties 27 en 28 bij dagvaarding). [groep verweerders 3] . meent dat zij met deze twee rapporten genoegzaam heeft aangetoond dat [de verzoekster] de afzender is van zowel de e-mails aan de (voormalige) cursisten als de afpersingsmail.
(…)
5.8.
[de verzoekster] heeft de stellingen van [groep verweerders 3] . gemotiveerd betwist. Zij ontkent dat zij de betreffende e-mailberichten heeft gestuurd. Volgens haar gaat het om vervalste
e-mails.
(…)
5.9.
Naar het oordeel van de rechtbank is met de door [groep verweerders 3] . overgelegde rapporten van PSG Recherche niet afdoende komen vast te staan dat de e-mailberichten aan de (voormalig) cursisten en de afpersingsmail door [de verzoekster] zijn verzonden. (…)
5.10.
Er is dus nadere bewijslevering nodig. De rechtbank is voornemens om hierover een deskundigenbericht te gelasten. (…)
2.7.
De rechtbank heeft op 29 juni 2022 een tweede tussenvonnis gewezen en daarbij
- samengevat - een onderzoek door een deskundige van Riscon Arnhem B.V. (Riscon) bevolen, onder andere om te onderzoeken of [de verzoekster] de e-mailberichten geciteerd in rechtsoverweging 2.13. van het tussenvonnis van 3 november 2021 heeft verzonden.
2.8.
In zijn rapport van 23 september 2022 heeft de deskundige van Riscon onderzoek gedaan naar zeven van [groep verweerders 3] verkregen e-mailberichten. De deskundige concludeert dat de door hem onderzochte berichten zijn verstuurd vanuit het e-mailaccount [emailadres 1] en dat nadere duiding van de headerinformatie aantoont dat het bericht vrijwel niet kan zijn verstuurd zonder over de inloggegevens van de mailbox van dit account te beschikken.
2.9.
Bij tussenvonnis van 22 februari 2023 is [de verzoekster] in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken de loggegevens van haar e-mailaccount [emailadres 1] aan de deskundige ter beschikking te stellen en is de deskundige opgedragen een aantal nadere vragen te beantwoorden.
2.10.
Bij eindvonnis van 31 mei 2023 heeft de rechtbank onder andere het volgende overwogen en beslist:
(…)
2.3.
De deskundige is ten eerste gevraagd te verduidelijken waarom hij er niet voor heeft gekozen [groep verweerders 3] . te vragen of de ontvangers van de e-mailberichten contact met hem zouden willen opnemen, zodat de deskundige hen zou kunnen vragen of zij bereid waren de betreffende mail voor onderzoek naar de deskundige te sturen. Het antwoord van de deskundige op deze vraag luidt:
“Aangezien de ontvangers van de onderhavige berichten bij ons niet bekend waren en er in eerder verzoek is gevraagd naar andere ontvangers dan in de PSG rapportage benoemd is gevraagd deze vanuit [groep verweerders 3] te benaderen. Zolang de bestanden conform de instructie worden aangeleverd is er geen praktische reden om dit anders te doen.”De eerste vraag hangt samen met de tweede vraag, waarin is geïnformeerd of de mogelijkheid bestaat dat de deskundige een ander conclusie zou hebben getrokken als hij zou hebben gewerkt met rechtstreeks van de geadresseerden ontvangen e-mailberichten.
Op deze vraag heeft de deskundige geantwoord:
“Er is zijn conform onze instructie EML bestanden aangeleverd, door de DKIM controlesom te valideren, is vastgesteld dat de berichten authentiek zijn. De wijze waarop deze bij ons zijn binnengekomen heeft hier geen verdere invloed op.”Uit de beantwoording van de vragen blijkt niet waarom de deskundige in een eerder stadium te kennen heeft gegeven dat hij de mail bij de ontvangers zou opvragen. De antwoorden maken wel duidelijk dat het volgens de deskundige niet relevant is op welke wijze de EML-bestanden zijn aangeleverd, omdat hij door middel van de DKIM-methode heeft vastgesteld dat het om de authentieke berichten gaat.
2.4.
In antwoord op de derde vraag, inhoudend of er een mogelijkheid bestaat dat met de door hem van [groep verweerders 3] . ontvangen EML-bestanden is geknoeid, heeft de deskundige geantwoord:
“Het openen van de EML bestanden in een tekstverwerkingsprogramma, en het daarna vervolgens verwijderen, toevoegen of wijzigen van karakters en dan opslaan van deze wijzigingen zal inherent oorzaak zijn dat de DKIM-controlesom niet meer klopt. Derhalve is genoemde methode uitgesloten als de DKIM som klopt.”Hierna heeft de deskundige uitleg gegeven over de techniek achter DKIM:
“De DKIM controlesleutel bestaat uit algoritmische conversie van de volgende gegevens: Een publieke sleutel die de server zelf uitgeeft, de tijd, de onderwerpregel, de geadresseerde, de verzender, de inhoud van het bericht (inclusief eventuele bijlagen) en enkele technische gegevens (zogenaamde meta-data). Deze som blijft op de mailserver achter en kan worden gevalideerd door de ontvanger, maar ook door derden. (bijvoorbeeld een spamfilter of anti-virussoftware). De DKIM sleutel geeft onderzoekers de gelegenheid om e-mailberichten op integriteit, authenticiteit en inhoud te valideren. Zoals ook in de rapportage is toegepast. Deze techniek is destijds ontworpen om te voorkomen dat e-mailberichten onbedoeld in spamfilters terecht komen. Elke bewerking, ook al is het een extra leesteken, zal onherroepelijk leiden tot een foutieve controlesom tijdens het validatieproces (Ondanks dat er een vrijwel onmerkbare kleine wijziging aan het bericht heeft plaatsgevonden)”.
(…)
2.10.
[de verzoekster] heeft niet betwist dat de deskundige meermaals heeft aangeboden een downloadlink te sturen waarmee de onderzochte e-mailberichten zouden kunnen worden bekeken. Dat dit is gebeurd blijkt uit e-mailberichten van de deskundige aan partijen. In een mail van 28 oktober 2022 is vermeld dat een link voor het downloaden van de bestanden kan worden aangevraagd door middel van een reply. In de mail van 4 november 2022, geschreven naar aanleiding van de reacties van partijen op het conceptrapport, heeft de deskundige naar aanleiding van de opmerking van [de verzoekster] dat zij de bestanden niet te zien krijgt geschreven:
“Er is aan u gemeld dat de bestanden beschikbaar zijn en op verzoek door u dan gedownload kunnen worden. Daar er in deze bestanden gegevens van derden zijn opgenomen, verstrekken wij deze enkel op verzoek via een beveiligde downloadlink. Verzending via e-mail is vanwege compressie op bijgevoegde documenten op veel mailservers niet praktisch.”
Pas na de afronding van het nadere rapport heeft [de verzoekster] de deskundige verzocht om toezending van de downloadlink, maar aan dit verzoek heeft de deskundige niet voldaan omdat de bestanden niet meer beschikbaar zouden zijn en de termijn hiervoor zou zijn verstreken. Aan [de verzoekster] was evenwel reeds voldoende gelegenheid gegeven om de bestanden in te zien die door de deskundige bij het onderzoek zijn betrokken.
2.11.
De rechtbank begrijpt uit de correspondentie die tussen de deskundige en partijen is gevoerd, met name de mail van [groep verweerders 3] . die bij de mail van de deskundige van 15 september 2022 is gevoegd, dat [groep verweerders 3] . de te onderzoeken e-mailberichten opnieuw bij de ex-cursisten heeft opgevraagd en deze als EML-bestanden aan de deskundige heeft doorgestuurd. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan het oordeel van de deskundige dat door middel van de DKIM controlesom is vastgesteld dat [groep verweerders 3] . de authentieke berichten aan de deskundige heeft verstrekt.
2.12.
Met de uitleg in het nadere rapport is dus duidelijk geworden dat de authentieke versies van de relevante e-mailberichten zijn onderzocht en dat de DKIM controlesleutel heeft aangetoond dat deze mailberichten afkomstig zijn van een mailadres van [de verzoekster] .
Het klopt dat, zoals [de verzoekster] heeft aangevoerd, DKIM enkel aantoont dat de mails afkomstig zijn van een bepaald domein en niet van een specifieke gebruiker. Zoals de deskundige in zijn eerste rapport heeft opgemerkt, is het niet mogelijk om vast te stellen of [de verzoekster] de
e-mails zelf heeft verstuurd, omdat zij aan een derde haar gebruikersnaam en wachtwoord kan hebben overgedragen of gelegenheid kan hebben verschaft het e-mailadres te gebruiken. Dat van een van deze mogelijkheden sprake is geweest, is gesteld noch gebleken.
(…)
2.14.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is in voldoende mate komen vast te staan dat de e-mailberichten aan de voormalige cursisten van [groep verweerders 3] . (geciteerd in rechtsoverweging 2.13 van het tussenvonnis van 3 november 2021) (…) door [de verzoekster] zijn verstuurd.
(…)

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat [de verzoekster] onrechtmatig jegens [groep verweerders 3] . heeft gehandeld door:
a. in de periode 25 november 2020 tot en met 15 december 2020, althans begin 2021, voormalig cursisten van [groep verweerders 3] . per e-mail te benaderen met onjuiste informatie en beweringen,
b. (…),
3.2.
gebiedt [de verzoekster] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan de advocaat van [groep verweerders 3] . een lijst toe te zenden van alle personen en/of organisaties die door [de verzoekster] per e-mail zijn benaderd – zulks ongeacht van welk e-mailaccount daarbij gebruik is gemaakt – met een e-mail met gelijke of vergelijkbare inhoud als de e-mails zoals bij dagvaarding als productie 16 zijn overgelegd,
3.3.
veroordeelt [de verzoekster] om aan [groep verweerders 3] . een dwangsom te betalen van
€ 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij geen gevolg geeft aan het gebod van 3.2, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,
3.4.
gebiedt [de verzoekster] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan de onder 3.2 genoemde personen en/of organisaties een e-mail te zenden met de navolgende inhoud:
“Dear [groep verweerders 3] graduate,
I refer to my previous email which was send to you from the email accounts
[emailadres 2] or [emailadres 3] or [emailadres 1] .
I sincerely apologize for he fact that none of the information in my previous email about [groep verweerders 3] is correct. The content of my email was unlawful. Therefore there is no reason to worry that anything [groep verweerders 3] did or didn’t do has any consequences for your certificate issued by [groep verweerders 3] .
Kind regards,
[de verzoekster] ”,
3.5.
veroordeelt [de verzoekster] om aan [groep verweerders 3] . een dwangsom te betalen van
€ 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij geen gevolg geeft aan het gebod van 3.4, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,
(…)
2.11.
Bij brieven van 3 juli 2023 en 16 januari 2025 heeft [de verzoekster] aan [verwerend bedrijf 1] , [verweerster 1] en [groep verweerders 2] gevraagd of zij op 25 november 2020 een e-mail hebben ontvangen vanuit het e-mailadres [emailadres 1] , en zo ja of het verzoek is gedaan door [groep verweerders 3] om het bericht door te sturen en om te verklaren of dit bericht eerder is doorgestuurd aan [groep verweerders 3] . In de brieven staat ook het verzoek om het EML-bestand door te zenden van de ontvangen e-mail.
2.12.
Bij arrest van 3 december 2024 heeft het gerechtshof het eindvonnis van de rechtbank van 31 mei 2023 bekrachtigd. Voor zover relevant, heeft het hof het volgende overwogen:
(…)
3.10.
Het hof is allereerst van oordeel dat met deze rapporten is komen vast te staan dat de mailberichten afkomstig zijn van een door [de verzoekster] gebruikt mailadres en dat de berichten niet zijn aangepast. Uit het deskundigenonderzoek volgt immers dat de headerinformatie van de mailberichten aantoont dat de berichten vrijwel niet verstuurd kunnen zijn zonder daadwerkelijk toegang te hebben tot de inloggegevens van het mailaccount [emailadres 1] . De omstandigheid dat in het deskundigenbericht niet een uitdraai van de header is opgenomen betekent niet dat de deskundige de headerinformatie
niet heeft gecontroleerd. In het deskundigenrapport is immers vermeld dat dit wel is gebeurd. [de verzoekster] betoogt onder overlegging van een beknopt mailbericht van NFO dat er meervoudige checks hadden moeten plaatsvinden, te weten DMARC en SPF controles, maar [groep verweerders 3] c.s. wijzen erop dat DMARC en SPF onderdeel uitmaken van de e-mailheader en dat de deskundige alle e-mailheaders afdoende heeft gecontroleerd. In het licht hiervan had van [de verzoekster] een nadere onderbouwing verwacht mogen worden waaruit daadwerkelijk blijkt dat in dit concrete geval een ontoereikende controle heeft plaatsgevonden. De verdere verwijzing naar de door haar ook nog overgelegde algemene informatiepagina van Microsoft volstaat hiervoor niet. Het hof sluit zich verder aan bij wat de rechtbank in ro. 2.6 van het eindvonnis heeft overwogen.
3.11.
Daarnaast heeft de deskundige toegelicht dat is gekeken naar de EML-bestanden. Hij heeft hiervan vastgesteld dat hierin geen wijzigingen kunnen hebben plaatsgevonden omdat het aanpassen van de berichten zichtbaar zou zijn geweest in de DKIM-sleutel. Ook dit draagt bij tot het bewijs dat de mailberichten afkomstig zijn van het mailadres van [de verzoekster] en dat de berichten niet zijn aangepast. De omstandigheid dat de deskundige volgens [de verzoekster] ten onrechte geen melding heeft gemaakt van ontbrekende bijlagen betekent niet dat geen waarde kan worden gehecht aan zijn oordeel. [groep verweerders 3] c.s. hebben hierover toegelicht dat zij in deze procedure de via de oud-cursisten ontvangen/bij hen opgevraagde mails als productie hebben overgelegd zonder bijlagen, maar dat zij de EML-bestanden van die mailberichten aan de deskundige hebben verstrekt en dat als bij het bericht
een bijlage aanwezig was, die is meegestuurd. Zoals de rechtbank in ro. 2.10 van het eindvonnis heeft overwogen, heeft [de verzoekster] voldoende de gelegenheid gehad om de mailberichten die onderdeel waren van het onderzoek te downloaden om ze te kunnen controleren, maar zij heeft daarvan toen geen gebruik gemaakt. Dat zij dit heeft nagelaten omdat zij de (link van de) deskundige wantrouwde en zij daardoor de betwisting van de geldigheid van het deskundigenbericht van Riscon niet concreet kan onderbouwen, komt voor haar rekening.
3.12.
[de verzoekster] komt verder met dezelfde kritiekpunten die zij ook in de procedure bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft naar aanleiding daarvan de deskundige nadere vragen gesteld, waarna de deskundige op deze punten gemotiveerd is ingegaan. Dat de antwoorden van de deskundigen niet steeds een exact antwoord op de nadere gestelde vragen bevatte, doet er niet aan af dat met die antwoorden wel in voldoende mate aan de achter de vragen schuilende verzoeken om nadere informatie is voldaan. Het hof sluit zich aan bij wat de rechtbank daarover heeft overwogen in ro. 2.3 tot en met 2.7, 2.11 en 2.12 van het eindvonnis. Bij die stand van zaken kon [de verzoekster] niet volstaan met het opnieuw naar voren brengen van haar kritiekpunten en het kaal betwisten van de juistheid van (de wijze van totstandkoming van) het deskundigenonderzoek, maar had zij deze punten
nader moeten onderbouwen, bijvoorbeeld met een door haar zelf ingeschakelde deskundige. Dat heeft ze echter nagelaten.
(…)
2.13.
In opdracht van [de verzoekster] heeft een deskundige van [bedrijf] in zijn rapport van 27 januari 2025 de vraag beantwoord of het mogelijk is om de internetheaders van een reeds verstuurd en ontvangen e-mailbericht, in de vorm van een EML-bestand, aan te passen om te laten lijken dat de e-mail door een andere afzender is verstuurd. De deskundige concludeert dat de mogelijkheid bestaat om een reeds verstuurd en ontvangen
e-mailbericht in de vorm van een EML-bestand te wijzigen zonder dat dit tijdens een headeranalyse van het aangepaste e-mailbericht blijkt, als men bij die analyse slechts de beschikking heeft over het aangepaste EML-bestand.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[de verzoekster] verzoekt na wijziging van eis dat de rechtbank bij zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking bepaalt dat:
Primair:
1. gerekwestreerden wordt bevolen om binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking de hieronder onder a tot en met d opgesomde gegevens af te geven en/of te verstrekken, niet rechtstreeks aan [de verzoekster] , maar aan Responders.NOW, dan wel een door de rechtbank aan te wijzen onafhankelijke IT-deskundige, opdat de betreffende gegevens door deze IT­ deskundige op ordelijke en reconstrueerbare wijze kunnen worden veiliggesteld, zulks op zodanige wijze die waarborgt dat het de originele, niet-gemodificeerde gegevens betreft:
a. de originele e-mails die gerekwestreerden zouden hebben ontvangen in de periode van 25 november 2020 tot en met 15 december 2020, althans begin 2021, vanuit het e­mailadres [emailadres 1] en/of [emailadres 4] , dan wel een ander e-mailadres met daarin negatieve uitlatingen over [groep verweerders 3] ;
b. diezelfde e-mailberichten in het originele bestandsformaat (zoals .eml, .msg of ander door de betreffende e-mailprogramma/provider aangeboden "raw" formaat), inclusief alle bijlagen en met volledige e-mailheaders;
c. het e-mailbericht met het bijbehorende EML-bestand met negatieve uitlatingen over [groep verweerders 3] daarin, dat gerekwestreerden aan [groep verweerders 3] hebben doorgestuurd;
d. enig ander e-mailbericht met bijbehorend EML-bestand dat gerekwestreerden in het kader van deze kwestie tussen [groep verweerders 3] en [de verzoekster] naar [groep verweerders 3] dan wel de deskundigen PSG en Riscon hebben doorgestuurd, inclusief de bijbehorende e­ mail waarmee zij dit EML-bestand hebben doorgestuurd;
2. en bepaalt dat:
a. de hiervoor onder 1. bedoelde gegevens door of onder toezicht van de aangewezen IT-deskundige rechtstreeks vanuit de relevante e-mailaccounts van gerekwestreerden worden geëxporteerd naar het onder 1.b genoemde formaat;
b. de aangewezen IT-deskundige de onder 1. bedoelde e-mailberichten in het betreffende e-mailaccount selecteert aan de hand van:
- de in het verzoekschrift genoemde periode,
- de genoemde e-mailadressen van [de verzoekster] , althans de e-mailadressen die haar in het arrest d.d. 3 december 2024 zijn toegeschreven,
- en/of de in dit verzoekschrift omschreven inhoud (negatieve uitlatingen over [groep verweerders 3] );
c. de aangewezen IT-deskundige van de wijze van veiligstelling een rapport opmaakt, waarin in ieder geval wordt vastgelegd:
- de identiteit van de betrokken belanghebbende,
- het gebruikte apparaat en e-mailprogramma/provider,
- de gehanteerde zoekcriteria,
- datum en tijdstip van de export,
- de bestandsnamen van de veiliggestelde berichten/bestanden,
- de cryptografische hash-waarde (bijvoorbeeld SHA1 of SHA-256) per veiliggesteld bestand;
d. de aangewezen IT-deskundige de veiliggestelde bestanden, tezamen met het rapport, vervolgens digitaal en op beveiligde wijze ter beschikking stelt aan de advocaat/advocaten van [de verzoekster] ;
e. de aangewezen IT-deskundige bij de uitvoering van zijn opdracht zoveel mogelijk de vertrouwelijkheid van overige e-mailcorrespondentie van gerekwestreerden waarborgt en geen kennisneemt van andere e-mails dan voor zover strikt noodzakelijk voor het traceren van de hierboven omschreven berichten;
f. de aangewezen IT-deskundige werkzaam is bij een organisatie die beschikt over een vergunning als particulier recherchebureau, verleend door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, en beschikt over een legitimatiebewijs particulier onderzoeker (gele-pas).
Subsidiair:
3. gerekwestreerden worden bevolen om binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking de navolgende gegevens af te geven en/of te verstrekken aan [de verzoekster] of de door [de verzoekster] aangewezen advocaat, dan wel een door de rechtbank aan te wijzen persoon, opdat de betreffende gegevens op een dusdanige manier worden verstrekt zodat vaststaat dat het de originele, niet- gemodificeerde gegevens betreft:
a. de originele e-mails die zij zouden hebben ontvangen in de periode 25 november 2020 tot en met 15 december 2020, althans begin 2021, vanuit het e-mailadres [emailadres 1] en/of [emailadres 4] , dan wel een ander
e-mailadres met daarin negatieve uitlatingen over [groep verweerders 3] ;
b. diezelfde e-mailberichten in het originele bestandsformaat (zoals .eml, .msg of ander door de betreffende e-mailprogramma/provider aangeboden "raw" formaat), inclusief alle bijlagen en met volledige e-mailheaders;
c. het e-mailbericht met het bijbehorende EML-bestand met negatieve uitlatingen over [groep verweerders 3] daarin, dat gerekwestreerden hebben doorgestuurd;
d. enig ander e-mailbericht met bijbehorend EML-bestand dat gerekwestreerden in het kader van deze kwestie tussen [groep verweerders 3] en [de verzoekster] naar [groep verweerders 3] dan wel de deskundigen PSG en Riscon hebben doorgestuurd, inclusief de bijbehorende e-mail waarmee zij dit EML-bestand hebben doorgestuurd;
Zowel primair als subsidiair:
4. dat iedere gerekwestreerde een onmiddellijk opeisbare dwangsom verbeurt van € 500,- (vijfhonderd euro) voor iedere dag (waarbij een gedeelte van een dag geldt als één dag) met een maximum van € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro) indien en zolang de betreffende gerekwestreerde niet volledig voldoet aan de onder 1, 2 of 3 omschreven veroordeling;
5. Met hoofdelijke veroordeling van gerekwestreerden in de proces- en nakosten.
3.2.
[de verzoekster] stelt dat [groep verweerders 3] de EML-bestanden die zij aan de deskundige van Riscon heeft gestuurd heeft gemanipuleerd waardoor het lijkt alsof de e-mailberichten vanaf het
e-mailadres van [de verzoekster] zijn verstuurd. De onderzoeken van PSG recherche en Riscon zijn gebaseerd op deze door [groep verweerders 3] doorgestuurde e-mailberichten. De deskundigen hebben niet de orginele bestanden, zoals deze zich bevonden bij de daadwerkelijke ontvangers, veilig gesteld. Daardoor is nooit vastgesteld of de EML-bestanden authentiek zijn. [de verzoekster] wil met dit verzoek de beschikking krijgen over de EML-bestanden van de e-mailberichten die door gerekwestreerden zijn ontvangen. Alleen met deze bronbestanden kan worden vastgesteld wie de betreffende e-mailberichten heeft verzonden. [bedrijf] heeft immers aangetoond in haar rapport dat EML-bestanden eenvoudig kunnen worden gemanipuleerd en dat manipulatie van de EML-bestanden alleen kan worden uitgesloten wanneer het orginele e-mailbericht direct bij de bron, zijnde de ontvanger, wordt veiliggesteld door een deskundige. Responders.NOW heeft de expertise om de e-mailberichten bij de gerekwestreerden veilig te stellen. De resultaten van het onderzoek wil [de verzoekster] gebruiken in een nieuw aanhangig te maken bodemprocedure tegen [groep verweerders 3] waarin zij [groep verweerders 3] op grond van onrechtmatige daad wil aanspreken en/of een vordering tot herroeping van het arrest van het gerechtshof in wil stellen op grond van artikel 382 Rv Pro.
3.3.
[verwerend bedrijf 1] en [verweerster 1] verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek. [verwerend bedrijf 1] stelt dat zij aan de deskundige van Riscon de e-mail die zij van het adres [emailadres 1] heeft ontvangen als EML-bestand heeft doorgestuurd. [verweerster 1] beschikt volgens haar niet meer over het orginele door haar ontvangen e-mailbericht, maar slechts over een verzonden e-mailbericht van 18 november 2022, waarbij zij het
EML-bestand van het e-mailbericht dat zij van het adres [emailadres 1] heeft ontvangen heeft doorgestuurd aan de deskundige van Riscon. Nu [de verzoekster] stelt dat van doorgestuurde EML-bestanden niet de authenticiteit kan worden gecontroleerd, heeft zij geen belang bij het verstrekken van dit EML-bestand. [verwerend bedrijf 1] meent vervolgens dat in rechte reeds vast staat dat [de verzoekster] het betreffende e-mailbericht heeft verzonden, nu zowel de rechtbank als het gerechtshof tot dat oordeel zijn gekomen. Omdat in deze procedures reeds bewijs is geleverd en gewaardeerd, is een voorlopige bewijsverrichting als de onderhavige niet meer mogelijk. [verwerend bedrijf 1] en [verweerster 1] betogen vervolgens samen dat de stelling van [de verzoekster] dat [groep verweerders 3] de inhoud van het e-mailbericht zou hebben gemanipuleerd niet is onderbouwd. Nu niet is gesteld dat [verwerend bedrijf 1] en [verweerster 1] de EML-bestanden hebben gemanipuleerd, ligt voldoende vast dat [de verzoekster] reeds beschikt over de tekst van de door [verwerend bedrijf 1] en [verweerster 1] ontvangen e-mailberichten. [verwerend bedrijf 1] en [verweerster 1] betwisten vervolgens dat [groep verweerders 3] onrechtmatig jegens [de verzoekster] heeft gehandeld. Er is niet onrechtmatig gehandeld, omdat de tekst van het door [verwerend bedrijf 1] aan de deskundige doorgezonden bericht identiek is aan het bericht dat in het rapport is opgenomen en het gerechtshof heeft geoordeeld dat het e-mailbericht met deze tekst vanaf het adres [emailadres 1] is verzonden aan onder meer [verwerend bedrijf 1] . Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat er een rechtsverhouding bestaat tussen [groep verweerders 3] en [de verzoekster] . Daarom is er onvoldoende belang bij toewijzing van het verzoek. [verwerend bedrijf 1] en [verweerster 1] merken voorts op dat het verzoek ook niet toewijsbaar is, voor zover het ziet op andere e-mailberichten, nu onduidelijk is welke berichten dit zijn en welke rechtsverhouding daarmee kan worden bewezen. Dit verzoek is slechts een fishing expedition.
[verwerend bedrijf 1] en [verweerster 1] merken nog op dat nu [de verzoekster] geen gebruik heeft gemaakt van het aanbod van de deskundige van Riscon om een link te sturen met daarin de door hem onderzochte EML-bestanden, zoals omschreven in rechtsoverwegingen 2.10 tot en met 2.12 van het vonnis van de rechtbank van 31 mei 2023, zij er onvoldoende belang bij heeft dat derden nu inspanningen verrichten om de betreffende EML-bestanden te verzenden.
[verwerend bedrijf 1] en [verweerster 1] menen nog dat voor het opleggen van een dwangsom geen aanleiding bestaat.
[verweerster 1] betoogt ten slotte dat [verwerend bedrijf 2] als vof niet tot een doen of laten kan worden veroordeeld, omdat de vof geen drager van rechten en plichten is en dus niets kan doen of nalaten.
3.4.
Ook [groep verweerders 2] voert verweer. Volgens haar is er onvoldoende belang bij toewijzing van het verzoek, omdat de betreffende EML-bestanden ook van [groep verweerders 3] kunnen worden verkregen. Ook is er onvoldoende belang, omdat [groep verweerders 2] volgens haar het orginele EML-bestand al aan [de verzoekster] heeft verzonden. Verder ontbreekt het voldoende belang volgens [groep verweerders 2] , omdat in rechte vast staat dat [de verzoekster] de betreffende
e-mailberichten heeft verzonden en er daarom niet met de gegevens waarom is verzocht een andere beslissing kan worden verkregen. [groep verweerders 2] voegt toe dat de gestelde manipulatie van de EML-bestanden nergens uit blijkt. Gelet op het voorgaande ontbreekt dus enig belang bij het verzoek én maakt [de verzoekster] daarmee misbruik van bevoegdheid met haar verzoek, aldus [groep verweerders 2] wijst er vervolgens op dat de deskundige van Riscon heeft aangeboden om [de verzoekster] een link te sturen met de EML-bestanden, wat haar de gelegenheid had gegeven om de bestanden zelf te (laten) onderzoeken. Ook heeft de deskundige haar in de gelegenheid gesteld om haar loggegevens te verstrekken, waarmee de locatie kan worden vastgesteld vanwaar de e-mailberichten zijn verstuurd. Vervolgens betwisten [groep verweerders 2] de gestelde rechtsbetrekking tussen [de verzoekster] en [groep verweerders 3] , op de grond dat de stelling dat de EML-bestanden zijn gemanipuleerd door [groep verweerders 3] niet is onderbouwd en er dus reeds in rechte vast staat dat [de verzoekster] de betreffende e-mailberichten heeft gestuurd. [groep verweerders 2] meent verder dat de gegevens waar [de verzoekster] om verzoekt, onvoldoende bepaald zijn nu zij niet heeft toegelicht welke e-mailberichten zij wil hebben. [groep verweerders 2] is slechts het bericht bekend uit rechtsoverweging 2.13 van het vonnis van de rechtbank van
3 november 2021, welk bericht dus al is doorgezonden aan [de verzoekster] . [groep verweerders 2] verzet zich ten slotte tegen het verbinden van dwangsommen aan enige veroordeling van [groep verweerders 2]

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank zal de verzoeken van [de verzoekster] afwijzen. [de verzoekster] heeft namelijk geen belang bij toewijzing van haar verzoek, nu een vordering tot herroeping van het arrest van het gerechtshof geen kans van slagen heeft en daardoor een vordering op grond van onrechtmatige daad tegen [groep verweerders 3] evenmin.
Aan deze beslissingen ligt het volgende ten grondslag.
4.2.
Het recht op inzage, afschrift of uittreksel van gegevens voorafgaande aan een procedure of voordat die procedure op de rol is ingeschreven is geregeld de artikelen
196 - 204 Rv. Op grond van artikel 196 Rv Pro kan de rechter op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de rechter het verzoek toewijst, tenzij hij van oordeel is dat: a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is, b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat, c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde, d. er misbruik van bevoegdheid wordt gemaakt; of e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
Op het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens zijn op grond van artikel 204 Rv Pro de artikelen 194, 195 en 195a Rv van overeenkomstige toepassing. In deze artikelen is geregeld dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Degene die over de gegevens beschikt, ook als dit een derde is die geen partij is bij de rechtsbetrekking waarop de gegevens betrekking hebben, is verplicht daarvan inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij hem een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
Een verzoek om inzage, afschrift of uittreksel kan ook worden verzocht met het oog op het instellen van een vordering tot herroeping van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis (en daarmee ook een arrest) op grond van artikel 382 Rv Pro.
Herroeping van een vonnis is mogelijk als:
a. het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd;
b. het berust op stukken, waarvan de valsheid na de uitspraak is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of;
c. de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
Een vordering tot herroeping moet worden ingesteld binnen drie maanden nadat de grond voor herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. De termijn vangt niet aan dan nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. [1]
Als het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel wordt ingediend ter onderbouwing van een vordering tot herroeping, dan dient het verzoek te zijn gericht op gegevens waarmee verzoeker deze vordering kan onderbouwen. Het verzoek dient te worden afgewezen als de gegevens waarvan inzage, afschrift of uittreksel wordt verzocht uitsluitend dienen ter onderbouwing van eerder door het gerechtshof verworpen stellingen of betwistingen of als bij voorbaat duidelijk is dat een vordering tot herroeping niet kan slagen, want dan ontbreekt een voldoende belang bij inzage, afschrift of uittreksel. [2]
4.3.
De grondslagen die [de verzoekster] stelt voor haar in te stellen vordering tot herroeping is bedrog en dat het arrest berust op stukken die vals blijken te zijn, namelijk de gemanipuleerde EML-bestanden. Dit zijn de hiervoor onder a. en b. genoemde gronden. Zowel bij de rechtbank als het gerechtshof is door [de verzoekster] en [groep verweerders 3] uitvoerig gedebatteerd over de door [de verzoekster] gestelde manipulatie van de EML-bestanden door [groep verweerders 3] . De rechtbank heeft zelfs de deskundige van Riscon gevraagd of de EML-bestanden kunnen zijn gemanipuleerd, waarop de deskundige heeft geantwoord dat dit niet het geval is. Zoals hiervoor reeds is overwogen, dient een procedure tot herroeping van een vonnis of arrest er niet toe om reeds gewisselde standpunten te herhalen of van een nadere onderbouwing te voorzien. [de verzoekster] heeft in zowel de procedure bij de rechtbank als het gerechtshof alle gelegenheid gehad om haar standpunt dat de EML-bestanden door [groep verweerders 3] zijn gemanipuleerd uiteen te zetten, nader te onderbouwen en om dat te laten onderzoeken. Van die mogelijkheden heeft zij onvoldoende gebruik gemaakt, zo heeft ook het gerechtshof overwogen in zijn rechtsoverweging 3.12. [3] Dat [de verzoekster] , zoals zij ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft gesteld, niet kon beschikken over de orginele
EML-bestanden waarmee zij kon aantonen dat die bestanden daadwerkelijk waren gemanipuleerd, omdat gerekwestreerden deze niet wilden verstrekken, doet aan dit oordeel niet af. Daarbij komt dat [de verzoekster] met de gegevens waarvan zij afschrift verzoekt alsnog wil bewijzen dat [groep verweerders 3] met de EML-bestanden heeft geknoeid. Dat is de kern van het standpunt dat [de verzoekster] zowel bij de rechtbank als het gerechtshof heeft ingenomen, en zowel door de rechtbank als het gerechtshof is gepasseerd. Daarmee wenst [de verzoekster] in feite de reeds gevoerde procedure over te doen. Ook daar is het middel van herroeping niet voor bedoeld.
4.4.
Nu [de verzoekster] in de procedures bij de rechtbank en het gerechtshof heeft aangevoerd dat de EML-bestanden door [groep verweerders 3] zijn gemanipuleerd, waren, haar stellingen volgend, de gronden voor herroeping reeds ontstaan en was [de verzoekster] in die procedures reeds bekend met die gronden. Zij had daarom binnen drie maanden na het arrest van het gerechtshof, gedateerd op 3 december 2024, haar vordering tot herroeping moeten instellen, zoals artikel 383 lid 1 Rv Pro voorschrijft. De termijn om een vordering tot herroeping in te stellen is dus inmiddels verstreken en daarom kan [de verzoekster] niet langer de vordering met succes instellen.
4.5.
De conclusie uit het voorgaande is dat de vordering tot herroeping van het in kracht van gewijsde gegane arrest van het gerechtshof geen kans van slagen heeft. Daarom is er geen belang bij afschrift van gegevens om die vordering te kunnen onderbouwen.
4.6.
Dat herroeping van het arrest van het gerechtshof niet meer mogelijk is heeft ook gevolgen voor de vordering uit onrechtmatige daad die [de verzoekster] overweegt in te stellen tegen [groep verweerders 3] . Op grond van artikel 236 Rv Pro hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis (of arrest), in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. Dit geldt ook voor de beslissingen die door de rechtbank en het gerechtshof zijn genomen over de manipulatie van de EML-bestanden, welke inhouden, kort gezegd, dat met de rapporten van PSG en Riscon is komen vast te staan dat de e-mailberichten afkomstig zijn van een door [de verzoekster] gebruikt
e-mailadres en dat deze berichten niet zijn aangepast. [4] Een vordering op grond van onrechtmatige daad zal afstuiten op de bindende kracht van deze beslissingen. Daarom ontbreekt een voldoende belang bij afschrift van gegevens om deze vordering, gegrond op onrechtmatige daad, te kunnen onderbouwen.
4.7.
[de verzoekster] zal worden veroordeeld in de proces- en nakosten in de procedure tegen [verwerend bedrijf 1] en [verweerster 1] en [groep verweerders 2] , zoals door hen verzocht, nu [de verzoekster] in het ongelijk is gesteld.
4.8.
De proceskosten van [verwerend bedrijf 1] en [verweerster 1] worden begroot op:
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punt × € 653,00)
Totaal
1.637,00
4.9.
De proceskosten van [groep verweerders 2] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punt × € 653,00)
Totaal
1.396,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de verzoeken af,
5.2.
veroordeelt [de verzoekster] in de proceskosten in de procedure tegen [verwerend bedrijf 1] en [verweerster 1] , aan de zijde van [verwerend bedrijf 1] en [verweerster 1] tot op heden begroot op € 1.637,00,
5.3.
veroordeelt [de verzoekster] in de na deze beschikking ontstane kosten van [verwerend bedrijf 1] en [verweerster 1] , begroot op € 189,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [de verzoekster] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 98,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
5.4.
verklaart deze beschikking wat betreft de kostenveroordelingen in 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
veroordeelt [de verzoekster] in de proceskosten in de procedure tegen [groep verweerders 2] , aan de zijde van [groep verweerders 2] tot op heden begroot op € 1.396,00,
5.6.
veroordeelt [de verzoekster] in de na deze beschikking ontstane kosten van [groep verweerders 2] , begroot op € 189,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [de verzoekster] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 98,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van den Toorn en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. M.M.K.J. Steketee op 7 april 2026.
1782 / 1496

Voetnoten

1.artikel 383 lid 1 Rv Pro.
2.HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:727 en Gerechtshof Den Haag 6 april 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:552.
3.Weergegeven in rechtsoverweging 2.12 van deze beschikking.
4.Zie de rechtsoverwegingen 2.11 en 2.12 van het vonnis van de rechtbank van 31 mei 2023 en rechtsoverwegingen 3.10-3.12 van het arrest van 3 december 2024.