Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
AV)van toepassing, waarin onder meer het volgende is bepaald:
3.Het geschil
primairverklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen partijen betreffende het gehuurde door opzegging eindigt per 31 januari 2026, althans per een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum,
4.De beoordeling
“daadwerkelijk”en
“behoorlijk”gebruik van het gehuurde in de zin van artikel 1.1 AV is zoverre geen sprake. Het had op de weg van [de gedaagde] gelegen om, nadat zij kennis had genomen van het openbreken van haar woning door de brandweer, zich binnen afzienbare tijd bij [de eiser] te melden en niet pas na vier maanden. Dit klemt te meer nu sprake was van een ernstig verwaarloosde en vervuilde woning. Een dergelijke situatie leidt niet alleen tot brandgevaar, maar heeft ook het risico op ongedierte tot gevolg. Bovendien ligt het op haar weg om ervoor te zorgen dat tijdens haar vaak langdurige afwezigheid toezicht wordt gehouden op de woning. De kantonrechter kwalificeert ook dit handelen van [de gedaagde] als laakbaar. Ook in zoverre is sprake dat [de gedaagde] zich niet heeft gedragen zoals een goed huurder betaamt.