Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2517

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
C/05/447355 / HZ ZA 25-36
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 schenkingsakteArt. 3 schenkingsakteArt. 7A:1804 BW (oud)Art. 7A:1805 BW (oud)Art. 3:39 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betwisting renteverplichtingen en nakoming geldleningsovereenkomsten tussen vader en kinderen

De kinderen van vader vorderen betaling van rente en aflossing van bedragen die vader en hun overleden moeder aan hen hebben geschonken en die vervolgens als geldlening zijn terugontvangen. De notariële schenkingsakte uit 1996 bepaalt een jaarlijkse rente van 6% over de geschonken bedragen. Daarnaast stellen de kinderen dat er meerdere geldleningsovereenkomsten zijn gesloten met renteverplichtingen, hoewel deze niet schriftelijk zijn vastgelegd.

Vader betwist de vaste renteafspraak en stelt dat hij op verzoek van de kinderen is gestopt met rente betalen vanwege fiscale redenen. De kinderen ontkennen dit verzoek en wijzen op het eenzijdig stoppen van vader met betalingen vanaf 2009/2010. De rechtbank oordeelt dat vader jaarlijks rente heeft betaald en dat er sprake is van renteverplichtingen, maar dat de schriftelijke vastlegging ontbreekt, waardoor toepassing van oude BW-artikelen over vormvoorschriften relevant is.

De rechtbank wijst vader aan om te bewijzen dat de kinderen hem hebben verzocht te stoppen met rente betalen, omdat dit van belang is voor de vraag of vader tekortgeschoten is en voor zijn verweren zoals rechtsverwerking en verjaring. De zaak wordt aangehouden voor nadere uitlatingen van partijen over deze juridische gevolgen. De beslissing volgt na verdere bewijslevering.

Uitkomst: De rechtbank wijst bewijsopdracht toe aan vader over de vermeende afspraak tot stopzetting van rente en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/447355 / HZ ZA 25-36
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van

1.[naam eiser 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[naam eiser 2],
te [woonplaats] ,
3.
[naam eiser 3],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [de eisers] ,
advocaat: mr. R. Teerink,
tegen
[naam gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: vader,
advocaat: mr. N. Nijenhuis-Kloosterboer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 april 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 oktober 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[de eisers] zijn de kinderen van vader en de op [overlijdensdatum] overleden mevrouw [de erflaatster] (hierna: erflaatster).
2.2.
Erflaatster heeft bij uiterste wilsbeschikking van 11 januari 1978 over haar nalatenschap beschikt. Zij heeft daarbij vader en [de eisers] tot haar erfgenamen benoemd. Verder heeft zij de ouderlijke boedelverdeling op haar nalatenschap van toepassing verklaard, zodat alle bezittingen en schulden naar haar overlijden zijn toebedeeld aan vader.
2.3.
Bij notariële akte van 20 december 1996 hebben vader en erflater aan ieder van [de eisers] een bedrag van (omgerekend) € 17.751,00 geschonken. In de schenkingsakte is – voor zover relevant – het volgende bepaald:

[…]De comparanten onder 1 verklaarden ten laste van de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap te schenken aan ieder van hun voornoemde kinderen, te weten de comparanten onder 2 tot en met 4 genoemd, een bedrag in contanten groot negenendertigduizend eenhonderd negentien gulden (f.39.119,00),
Welke bedragen zij verklaarden aan de begiftigden schuldig te blijven onder de navolgende bepalingen:
2. De schuldig erkende hoofdsommen zullen te allen tijde, geheel of gedeeltelijk aflosbaar zijn.
3. Over de schuldig erkende bedragen of het resterende gedeelte daarvan is een rente verschuldigd gelijk aan zes procent (6%) per jaar, jaarlijks te voldoen op eenendertig december, voor het eerst op eenendertig december negentienhonderd zevenennegentig over het sedert heden verstreken tijdvak.[…]
2.4.
Vader en erflaatster hebben naast voornoemde notariële schenking tussen 1997 en 2009 enkele bedragen aan [de eisers] geschonken. [de eisers] hebben de ontvangen bedragen vervolgens terug overgemaakt aan vader en erflaatster.
2.5.
Vader is in 2009 gestopt met het betalen van rente aan [eiser 1] . In 2010 is vader gestopt met het betalen van rente aan [eiser 2] en [eiser 3] .
2.6.
Op 29 maart 2019 heeft notaris mr. [notaris] namens vader aan [de eisers] een brief gestuurd betreffende de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster. In die brief staat – voor zover relevant voor deze procedure – het volgende:

[…]Tevens overweegt uw vader om – onder gelijke voorwaarden als in de vorige alinea vermeld – onverplicht over te gaan tot aflossing van de door hem en zijn echtgenote uit vrijgevigheid aan de kindere schuldig gebleven bedragen en van de door hem aan zijn kinderen geschonken en vervolgens door hen aan hem ter leen gegeven bedragen. […]
2.7.
[de eisers] hebben bij brieven van 22 december 2019 aanspraak gemaakt op betaling van de rente over het schuldig erkende bedrag en de geleende bedragen. Vader is niet overgegaan tot betaling van rente.
2.8.
Op 9 januari 2025 hebben [de eisers] vader geschreven dat hij tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomsten. Zij hebben de ontbinding van de geldleningsovereenkomsten ingeroepen en vader gesommeerd de geleende bedragen en verschuldigde rente te voldoen.

3.Het geschil

3.1.
[de eisers] vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad
I. vader te veroordelen jegens [eiser 1] tot betaling van € 90.851,00, vermeerderd met wettelijke rente over € 33.246,00 vanaf 3 februari 2020, over € 3.325,00 vanaf 16 februari 2020, over € 3.325,00 vanaf 16 februari 2021, over € 3.325,00 vanaf 16 februari 2022, over € 3.325,00 vanaf 16 februari 2023, over € 3.325,00 vanaf 16 februari 2024 en over € 40.983,00 vanaf 18 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
II. vader te veroordelen jegens [eiser 1] tot betaling van € 1.541,15, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
III. vader te veroordelen jegens [eiser 2] tot betaling van € 96.838,00, vermeerderd met wettelijke rente over € 32.568,00 vanaf 3 februari 2020, over € 3.619,00 vanaf 16 februari 2020, over € 3.619,00 vanaf 16 februari 2021, over € 3.619,00 vanaf 16 februari 2022, over € 3.619,00 vanaf 16 februari 2023, over € 3.619,00 vanaf 16 februari 2024 en over € 46.178,00 vanaf 18 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
IV. vader te veroordelen jegens [eiser 2] tot betaling van € 1.543,48, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
V. vader te veroordelen jegens [eiser 3] tot betaling van € 105.201,00, vermeerderd met wettelijke rente over € 34.945,00 vanaf 3 februari 2020, over € 3.883,00 vanaf 16 februari 2020, over € 3.883,00 vanaf 16 februari 2021, over € 3.883,00 vanaf 16 februari 2022, over € 3.883,00 vanaf 16 februari 2023, over € 3.883,00 vanaf 16 februari 2024 en over € 50.844,00 vanaf 18 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
VI. vader te veroordelen jegens [eiser 3] tot betaling van € 1.595,48, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
VII. vader te veroordelen in de proceskosten, de beslagkosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het vonnis.
3.2.
Vader voert verweer. Vader concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eisers] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De notariële schenking
4.1.
Partijen zijn het erover eens dat de notariële schenking door vader en erflaatster aan [de eisers] is gedaan en dat vader over de aan ieder van [de eisers] geschonken bedragen jaarlijks 6% rente dient te betalen. Dit komt neer op een bedrag van € 1.065,00 per jaar. Vader heeft – voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling – aangevoerd dat de jaarlijkse rente op grond van artikel 2 van Pro de schenkingsakte niet verschuldigd zou zijn. In artikel 2 van Pro de schenkingsakte (zoals weergegeven onder 2.3) staat dit echter niet. Dit artikel ziet op vervroegde aflossing van de schuldig erkende hoofdsommen. Uit artikel 3 van Pro de schenkingsakte volgt juist dat vader de verschuldigde rente jaarlijks moet voldoen.
De geldleningen
4.2.
[de eisers] stellen dat naast voornoemde notariële schenkingen ook sprake is van meerdere overeenkomsten van geldlening tussen ieder van hen en vader. Zij voeren aan dat vader en erflaatster aan ieder van [de eisers] meerdere bedragen hebben geschonken, welke bedragen zij vervolgens hebben (terug)geleend van [de eisers] Vader heeft hierover wisselende standpunten ingenomen. Vader betwist niet dat vanaf 1996 door hem en erflaatster bedragen naar ieder van [de eisers] zijn overgemaakt, welke bedragen vervolgens door vader en erflaatster zijn terugontvangen van [de eisers] Volgens vader ligt hieraan geen geldleningsovereenkomst ten grondslag. Tijdens de mondelinge behandeling is namens vader wel erkend dat de geschonken bedragen vervolgens geleend zijn van [de eisers] Uit de door [de eisers] ter onderbouwing overgelegde bankafschriften volgt dat tussen 1997 en 2009 meermaals bedragen zijn overgeboekt aan ieder van [de eisers] en dat laatstgenoemden vervolgens de ontvangen bedragen terug overboekten aan vader (en erflaatster). Uit deze overboekingen, gezien in het licht van de toelichting van partijen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat vader (tot haar overlijden samen met erflaatster) de aan ieder van [de eisers] geschonken bedragen als geldlening heeft terugontvangen. Uit de door [de eisers] overgelegde bankafschriften volgt dat de geleende bedragen optellen tot € 37.658,00 voor [eiser 1] , € 42.559,00 voor [eiser 2] en € 46.961,00 voor [eiser 3] . De rechtbank volgt vader niet in zijn stelling dat sprake is van geldleningsovereenkomsten onder de ontbindende voorwaarde dat gestopt wordt met het betalen van rente. Vader heeft onvoldoende onderbouwd dat een dergelijke voorwaarde is overeengekomen en [de eisers] hebben dit betwist. Verder heeft (de advocaat van) vader tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat een dergelijke voorwaarde niet overeengekomen is.
4.3.
Partijen verschillen vervolgens van mening over de voorwaarden waaronder de overeenkomsten van geldlening zijn gesloten. Daarbij gaat het vooral om de vraag of rente is overeengekomen en, zo ja, welk percentage. Volgens [de eisers] is rente overeengekomen. Zij stellen dat – gelijk aan de notariële schenkingsakte – een jaarlijkse rente van 6% is overeengekomen. Vader betwist dat een (vast) rentepercentage is overeengekomen. Hij voert aan dat nooit iets op schrift is gesteld.
4.4.
Uit de door [de eisers] overgelegde bankafschriften volgt dat vader (en erflaatster) tussen 1997 en 2009 (nagenoeg) jaarlijks bedragen aan ieder van [de eisers] hebben overgemaakt waarbij uit de omschrijving volgt dat het gaat om rente. De betaalde bedragen aan rente waren hoger dan het rentebedrag over de notariële schenkingen. Vader heeft op verschillende momenten in deze procedure ook het standpunt ingenomen dat weliswaar rente werd betaald, maar dat geen sprake was van een vast overeengekomen percentage bij de geldleningen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat partijen overeengekomen zijn dat rente verschuldigd is door vader over de door hem van [de eisers] geleende bedragen. Partijen hebben immers uitvoering gegeven aan die afspraak in die zin dat vader jaarlijks rente heeft betaald.
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat de geldleningsovereenkomsten niet op schrift zijn gesteld. In artikel 7A:1804 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (oud), dat ten tijde van het aangaan van de geldleningsovereenkomsten gold, staat dat de hoogte van de bedongen rente schriftelijk moet worden overeengekomen. Dit wetsartikel betreft een vormvoorschrift waarvan de niet-inachtneming tot gevolg heeft dat de renteafspraak nietig is (artikel 3:39 BW Pro). Artikel 7A:1805 BW (oud) bepaalt evenwel dat (wel) de wettelijke rente verschuldigd is als de hoogte van de bedongen rente niet schriftelijk is bepaald. Nu geen van partijen (expliciet) is ingegaan op de artikelen 7A:1804 en 7A:1805 BW (oud), zullen zij in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de gevolgen van de toepasselijkheid van deze artikelen voor de vorderingen van [de eisers] Daarbij moeten partijen in het bijzonder ingaan op de omvang van de vorderingen van [de eisers] , op de gevolgen van voornoemde artikelen voor de vraag of vader is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen en in het verlengde daarvan of vader in verzuim is geraakt. Partijen mogen zich hierover uitlaten bij akte.
Tekortkoming in de nakoming
4.6.
Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.1 staat vast dat vader uit hoofde van de notariële schenkingsakte jaarlijks rente aan ieder van [de eisers] dient te betalen. Niet in geschil is dat vader voornoemde rente heeft betaald tot en met 2009 (aan [eiser 1] ) respectievelijk 2010 (aan [eiser 2] en [eiser 3] ). Hierna is vader gestopt met het doen van jaarlijkse rentebetalingen. De vraag die partijen verdeeld houdt is of vader hierdoor is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen. [de eisers] stellen dat dit het geval is.
4.7.
Hoewel vader erkent dat hij uit hoofde van notariële schenkingsakte jaarlijks rente verschuldigd is, voert hij aan dat hij is gestopt met het betalen van rente op verzoek van [de eisers] Zij hebben dit aan vader gevraagd vanwege de fiscale verplichtingen die voor hen voortvloeiden uit de jaarlijkse rentebetalingen. Vader voert ter verdere onderbouwing aan dat deze afspraak tussen partijen wordt bevestigd doordat [de eisers] jarenlang geen aanspraak hebben gemaakt op rentebetalingen. [de eisers] betwisten dat zij vader hebben verzocht om de jaarlijkse rentebetalingen te staken. Volgens hen is vader daarmee uit het niets gestopt. Zij hebben vader tussen 2009/2010 en 2019 niet verzocht over te gaan tot betaling vanwege onrust binnen de familie.
4.8.
Voordat kan worden beoordeeld of vader is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiend uit de notariële schenkingsakte, moet worden vastgesteld of partijen hebben afgesproken dat vader (tijdelijk) geen rente meer hoefde te betalen. Deze stelling is verder relevant in het kader van het beroep van vader op rechtsverwerking en in het kader van zijn verjaringsverweer. De rechtbank kan gelet op de stelling van vader en de betwisting daarvan door [de eisers] nog niet vaststellen of [de eisers] vader hebben verzocht te stoppen met de jaarlijkse rentebetalingen. Nu vader zich beroept op de rechtsgevolgen van deze stelling, rust de bewijslast van deze stelling op hem (artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering). De rechtbank zal vader daarom opdragen deze stelling te bewijzen. Om proceseconomische redenen zal dit bewijs eerst na de hiervoor genoemde aktewisseling worden opgedragen.
4.9.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 11 februari 2026 voor uitlating door partijen over (uitsluitend) hetgeen is bepaald in rechtsoverweging 4.5,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
RG/Ma