Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2510

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
12032604 HA VERZ 25-83
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 BWArt. 7:678 BWArt. 7:673 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens geweld in zorgrelatie met kwetsbare cliënte afgewezen

Werkgever Stichting Zozijn heeft werknemer op staande voet ontslagen vanwege het gebruik van geweld tegen een kwetsbare cliënte tijdens een incident op 16 juli 2025. De werknemer verzocht primair om vernietiging van het ontslag en betaling van de transitievergoeding. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag rechtsgeldig was omdat er een dringende reden bestond en het ontslag onverwijld is gegeven.

De feiten betreffen een incident waarbij de werknemer de cliënte drie keer in de buik sloeg terwijl zij op de grond lag, hetgeen in strijd is met professionele gedragsnormen en de gedragscode van Zozijn. De werknemer erkende het incident niet volledig, maar kon het ook niet ontkennen na confrontatie met videobeelden. Het onderzoek door een extern bureau bevestigde de ernst van het incident.

De kantonrechter stelde vast dat het ontslag op staande voet gerechtvaardigd was en dat de werknemer geen recht had op een transitievergoeding vanwege ernstig verwijtbaar handelen. Ook de verzoeken tot wedertewerkstelling, loonbetaling en vergoeding van buitengerechtelijke kosten werden afgewezen. Het voorwaardelijke tegenverzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst werd niet behandeld omdat het ontslag niet werd vernietigd.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wegens geweld tegen een cliënte is rechtsgeldig en het verzoek tot vernietiging en transitievergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer / rekestnummer: 12032604 \ HA VERZ 25-83
Beschikking van 31 maart 2026
in de zaak van
[naam verzoeker / verwerende in tegenverzoek],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna te noemen: [de verzoekende] ,
gemachtigde: mr. R. Meijers (ARAG SE Rechtsbijstand),
tegen
de stichting
STICHTING ZOZIJN,
te Wilp,
verwerende partij,
verzoekende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna te noemen: Zozijn,
gemachtigde: mr. A.E. Doornbos.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties,
- het verweerschrift met producties en (voorwaardelijke) tegenverzoeken,
1.2.
Op 3 maart 2026 vond de mondelinge behandeling plaats. [de verzoekende] is verschenen en werd bijgestaan door mr. Meijers. Namens Zozijn zijn mevrouw [HR adviseur] (HR Adviseur) en mevrouw [manager] (manager) verschenen, bijgestaan door mr. Doornbos. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, door Zozijn zijn spreekaantekeningen overgelegd en door de griffier zijn aantekeningen gemaakt.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1.
Werkgever Zozijn heeft haar werknemer [de verzoekende] op staande voet ontslagen. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat de werknemer geweld heeft gebruikt in de zorgrelatie met een kwetsbare cliënte. In deze zaak verzoekt de werknemer primair om vernietiging van het ontslag op staande voet, dan wel veroordeling van Zozijn tot betaling van de transitievergoeding. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat de werkgever een dringende reden had voor opzegging van de arbeidsovereenkomst en het ontslag bovendien onverwijld is gegeven. Omdat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer, heeft de werknemer geen recht op een transitievergoeding. Aan de behandeling van het voorwaardelijke tegenverzoek van de werkgever, komt de kantonrechter niet toe.

3.De feiten

3.1.
Zozijn is actief in de gehandicaptenzorg. Zij biedt dienstverlening en faciliteiten op het gebied van ondersteunen, begeleiden en behandelen. Ook biedt zij verblijf en scholing aan van volwassenen en kinderen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking, niet-aangeboren hersenletsel en ernstige ontwikkelingsproblemen of stoornissen.
3.2.
[de verzoekende] , geboren op [geboortedatum] , is sinds 15 mei 2009 in dienst bij Stichting Zozijn. De functie van [de verzoekende] is specialistisch ondersteuner met een loon van € 3.860,99 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de vigerende cao Gehandicaptenzorg van toepassing. [de verzoekende] werkt sinds 2022 op de locatie het Pannenhuis.
3.3.
Op 16 juli 2025 heeft in het Pannenhuis een incident met een cliënte plaatsgevonden, waarbij [de verzoekende] betrokken was.
3.4.
[de verzoekende] heeft van dit incident een melding Incidenten Cliëntenzorg en Arbeidsongevallen (MICA-melding) gemaakt. Hierin staat – voor zover relevant – het volgende:

Beschrijf het incident in eigen woorden:
[cliënte] wilde niet eten met de rest dus ging ze op haar kamer zitten. De tijd vorderde en ze is meermaals geroepen. De opmerking van een collega die zei doe maar rustig aan je hebt tot half 6 de tijd om te eten schoot ten onrechte in het verkeerde keelgat bij [cliënte] .
We hoorde een hoop kabaal op haar kamer en gingen polshoogte nemen.
[cliënte] stormde de kamer uit recht op ons af ze pakte mij en een collega heeft haar gefixeerd op de grond.
De ideale fixatie was niet mogelijk op dat moment (achter haar zitten met de armen gekruist voor haar borst langs en de polsen vastgepakt door de begeleiding.
Ze begon te bonken, wilde mij bijten en spuugde daardoor hebben we haar hoofd moeten vasthouden. [cliënte] begon te schreeuwen dat we haar aan het verstikken waren. Dit kan niet omdat we slechts haar hoofd vast hadden en de luchtwegen, mond en keel vrij waren.
Ook sloeg ze om haar heen ik probeerde haar arm vast te houden maar schoot er vanaf waardoor ik met mijn hand op haar borst terecht kwam.
[cliënte] interpreteerde dat als slaan, zei dit ook tegen mij
Verder schold ze ons uit voor van alles en nog wat.
Later is ze naar haar kamer gegaan.
[cliënte] heeft tijdens de worsteling mijn T shirt kapot getrokken
3.5.
Eveneens op 16 juli 2025 heeft [de verzoekende] twee e-mails gestuurd aan [gedragswetenschapper] (gedragswetenschapper Zozijn). Daarin staat – voor zover relevant – het volgende:

Wil jij de MICA van vandaag even nakijken?
[cliënte] beticht mij van alles en dreigt stappen te ondernemen.
Wellicht komt dit op jou bordje maar dan heb ik jou er op gewezen.
en

Nog een aanvulling: [naam] heeft aan collega’s berichten laten lezen van [cliënte] waarin ze klaagt over dat ik haar meermaals geslagen heb en uitgescholden. Verder dat [naam] haar heeft laten struikelen wat ook niet klopt.
Ik eis dat er wel wat mee gedaan wordt want dit kan echt niet!!
Merk dat ik erg boos word hierover omdat het als onrechtvaardig voelt en het indirect gevaar vormt voor mijn werk. Zowel werken met cliënten door angstinboezeming als voor mij persoonlijk mbt mijn functie.
3.6.
Daarop heeft [gedragswetenschapper] op 17 juli 2025 – voor zover relevant – het volgende geantwoord:

Ik ben het helemaal met je eens dat het bijzonder onwenselijk is, dat er daarna dat soort dingen over jou/jullie gezegd worden en dat dit breed verspreid wordt. Als er beschuldigende uitspraken worden gedaan, is het super belangrijk om alles in zoveel details als mogelijk, feitelijk op te schrijven in de rapportages, MICA meldingen etc.
[…]
het zijn geen fijne uitspraken die ze doet en de beschuldigingen die zij uit, kunnen daardoor heel persoonlijk voelen. Dit is ook wel bekend van haar.
3.7.
[de verzoekende] heeft op het bericht van [gedragswetenschapper] op 24 juli 2025 – voor zover relevant – het volgende geantwoord:

Ik krijg in ieder geval het gevoel veilig te zijn i.p.v. het gevoel dat ik elk moment gelyncht kan worden.
[…]
De dag erop was het tijd voor een gesprek met [cliënte] .
[medewerker] heeft mij bijgestaan in het gesprek. Daarin gaf ze toe dat ze dacht dat ze geslagen was puur omdat ze wat voelde op haar borst en heeft ze sorry gezegd voor het hele gebeuren.”
3.8.
Op 10 oktober 2025 is bij Zozijn bekend geworden dat er een GIF-bestand bestaat waarop te zien is dat [de verzoekende] de betreffende cliënte in haar buik slaat, terwijl zij op de grond ligt.
3.9.
Daarop heeft Zozijn op 13 oktober 2025 opdracht gegeven aan AVAQ – Vidocq (hierna: het onderzoeksbureau) om onderzoek te doen naar de MICA-melding van 16 juli 2025 in relatie tot een mogelijk vastgelegd geweldsincident.
3.10.
Op 23 oktober 2025 heeft Zozijn het betreffende GIF-bestand voor het eerst zelf gezien.
3.11.
Op 28 oktober 2025 is [de verzoekende] gehoord door het onderzoeksbureau. In dit gesprek heeft [de verzoekende] onder meer uitgelegd wat er volgens hem is gebeurd op 16 juli 2025. Verder heeft hij – voor zover relevant – het volgende verklaard:

U vraagt mij of er verder nog bijzonderheden zijn van deze situatie, waarna ik verklaar dat dit volgens mij niet zo is. Misschien wast details, maar ik vond het vooral heel vervelend. Het heeft me wakker gehouden. Ik heb gehandeld zoals ik zou moeten handelen, met het fixeren en zo.
[…]
U zegt mij dat er meer gebeurt is dat ik nu zou zeggen. U vraagt mij of ik 100% zeker weet dat ik haar niet heb geslagen, waarna ik zeker weet dat ik niet heb geslagen. Ik heb met de wetenschap van nu ook niet meer geweld gebruikt dan ik zou moeten doen.
U geeft aan dat het belangrijk is dat ik aangeef hoe de fixatie heeft plaatsgevonden, waarna ik verklaar dat ik ben doorgeschoten, maar niet verder. [cliënte] had gezegd dat ze in elkaar was geslagen. Ik kan me alleen maar herinneren dat het zou kunnen zijn dat ik ben doorgeschoten. Ik heb ook niet gezien dat andere mensen hebben geslagen. Ik weet van niks. Ik heb niet iemand in elkaar getrapt. U geeft aan dat er een verschil zit in elkaar trappen en iets meer gedaan dan je nu beschrijft. U geeft aan dat het aan mij is om het hele verhaal te vertellen. Ik heb niet uitgehaald of zo. U vraagt mij of ik zeker weet dat ik geen andere handelingen heb verricht dan fixeren of uitschieten, waarna ik verklaar dat ik geen klap heb gegeven of zo. U geeft aan dat ik de ruimte krijg om het echte verhaal te vertellen, waarna ik verklaar dat ik het snap. Ik zou niet weten wat ik moet toevoegen. Ik heb niet geslagen. Ik heb wat weggehaald, onder andere haar opgetrokken knieën. Ik demonstreer hoe ik de handeling heb verricht. [naam] was er ook bij. Er kwamen later ook andere mensen bij. Vermoedelijk bij haar benen. Zij spartelde, sloeg, spuugde. Ik viel door met mijn arm op haar. Zij deed haar knieën omhoog. Ik weerde dit af. Ik heb niet gestompt. Ik had wel emotie in me. Ik had ook verdriet. Ik ben haar maatje. Ik weet 100% zeker dat ik geen fysiek geweld heb gebruikt.
3.12.
Op 28 oktober 2025 heeft Zozijn het originele videobestand, waaruit het GIF-bestand is gemaakt, verkregen. Op 29 oktober 2025 is [de verzoekende] met deze beelden geconfronteerd in een gesprek met het onderzoeksbureau. Uit het gespreksverslag blijkt – voor zover relevant – het volgende:

U geeft aan dat u ziet dat ik drie keer uithaal op de buik van een client.
Ik geef aan dat ik me dit niet op deze manier kan herinneren. Ik heb hier ook geen verklaring voor.
U vraagt of dit proportioneel is. Ik geef aan dat ik dit mij niet kan herinneren.
Ik vind dit erg ernstig en ik schrik hier enorm van.
U geeft aan dat ik een professional ben welke met deze doelgroep werkt en dat dit absoluut buiten proportie is. Ik kan het me echt niet voorstellen. Ik schrik er wel van.
Ik zie dat het anders is gegaan dan dat ik gisteren heb verklaard. Ik baal ervan dat het zo is gebeurd. Het spijt mij enorm. Ik maak me ernstige zorgen.
Ik snap het echt niet, dit staat haaks tegenover mijn karakter. Deze manier van handelen leer je absoluut niet op je opleidingen bij fixeren. Dit is niet normaal.
3.13.
Op 29 oktober 2025 is [de verzoekende] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief zijn de gebeurtenissen van 16 juli 2025 uiteengezet. Ook staat daarin:

Uw gedrag zoals hiervoor omschreven is zeer in strijd met de gedragsnormen binnen onze organisatie. Met uw handelen heeft u uw verantwoordelijkheid als werknemer op grove wijze veronachtzaamd en heeft u zich schuldig gemaakt aan onprofessioneel gedrag en geweld in de zorgrelatie met een kwetsbare cliënte. U bent hierover ook langere tijd en op meerdere momenten niet open en eerlijk geweest.

4.Het verzoek en het tegenverzoek

Het verzoek van [de verzoekende]
4.1.
verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van de procedure om Zozijn te gelasten [de verzoekende] binnen 48 uur toe te laten tot zijn normale werkzaamheden, op straffe van een dwangsom. Ook verzoekt [de verzoekende] om Zozijn te veroordelen tot betaling van het gebruikelijke loon, onder overlegging van deugdelijke loonspecificaties, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.
4.2.
Verder verzoekt [de verzoekende] , samengevat:
primair
I. het ontslag op staande voet te vernietigen,
II. Zozijn te veroordelen tot wedertewerkstelling van [de verzoekende] in de gebruikelijke werkzaamheden binnen 48 uur, op straffe van een dwangsom,
III. Zozijn te veroordelen tot betaling van het gebruikelijke salaris vanaf 29 oktober 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente,
IV. Zozijn te veroordelen tot het verstrekken van deugdelijke loonspecificaties, op straffe van een dwangsom,
subsidiair (voor het geval het primaire verzoek wordt ingetrokken)
V. Zozijn te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding ter hoogte van
€ 22.457,40, te vermeerderen met de wettelijke rente,
VI. Zozijn te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van € 17.965,92, te vermeerderen met de wettelijke rente,
VII. Zozijn te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding ter hoogte van
€ 25.134,86, te vermeerderen met de wettelijke rente,
VIII. Zozijn te veroordelen tot het verstrekken van deugdelijke specificaties waarin de bedragen van de billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom,
meer subsidiair
IX. Zozijn te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding ter hoogte van
€ 25.134,86, te vermeerderen met de wettelijke rente,
X. Zozijn te veroordelen tot het vertrekken van een deugdelijke specificatie waarin het bedrag van de transitievergoeding is verwerkt, op straffe van een dwangsom,
primair, subsidiair en meer subsidiair
XI. Zozijn te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.430,58, te vermeerderen met wettelijke rente,
XII. proceskosten.
4.3.
[de verzoekende] stelt daartoe, samengevat, dat Zozijn geen dringende reden had om de arbeidsovereenkomst op te zeggen en dat de arbeidsovereenkomst niet onverwijld is opgezegd. [de verzoekende] heeft jarenlang naar behoren gefunctioneerd en hij kan zich niet herinneren dat hij cliënte heeft geslagen. Ook is Zozijn onvoldoende voortvarend te werk gegaan, omdat zij pas op 29 oktober 2025 de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd terwijl het incident al op 16 juli 2025 heeft plaatsgevonden.
4.4.
Zozijn voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Zij voert – samengevat – aan dat er een dringende reden bestond voor het ontslag en dat het ontslag bovendien onverwijld is gegeven.
Het (voorwaardelijke) tegenverzoek van Zozijn
4.5.
Zozijn verzoekt (voorwaardelijk) om de arbeidsovereenkomst met [de verzoekende] te ontbinden. Primair op grond van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, subsidiair op grond van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding en meer subsidiair op grond van de cumulatiegrond. Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair verzoekt Zozijn de kantonrechter voor recht te verklaren dat [de verzoekende] geen recht heeft op een transitievergoeding, een billijke vergoeding en de wettelijke rente. Tot slot verzoekt Zozijn proceskosten.
4.6.
[de verzoekende] voert verweer tegen het (voorwaardelijke) ontbindingsverzoek en voert – samengevat – aan dat geen grond voor ontbinding bestaat en dat Zozijn geen poging heeft gedaan om de verstoorde arbeidsverhouding op te lossen.

5.De beoordeling

van het verzoek
Voorlopige voorziening
5.1.
Omdat in deze zaak direct een eindbeslissing zal worden genomen, behoeft het verzoek van [de verzoekende] tot het treffen van een voorlopige voorziening geen beoordeling.
Er is sprake van een dringende reden
5.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de verzoekende] niet de switch gemaakt naar de subsidiaire verzoeken tot toekenning van een billijke vergoeding, de vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Daarom wordt niet toegekomen aan beoordeling van die verzoeken (en samenhangende nevenverzoeken). Het gaat in deze zaak dus allereerst om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of Zozijn moet worden veroordeeld tot wedertewerkstelling en betaling van loon onder verstrekking van deugdelijke loonspecificaties.
5.3.
Voorop wordt gesteld dat een ontslag op staande voet alleen geldig is als daarvoor een dringende reden is (artikel 7:677 lid 1 en Pro 7:678 BW). Het moet daarbij gaan om zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet hoeft te laten voortduren. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook in het oordeel te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben.
5.4.
[de verzoekende] heeft opgeworpen dat het maar de vraag is of Zozijn een dringende reden had voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Met Zozijn is de kantonrechter van oordeel dat het drie maal slaan van een cliënte terwijl zij op de grond ligt, een dringende reden oplevert op grond waarvan redelijkerwijs niet van Zozijn kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook [de verzoekende] lijkt van mening te zijn dat deze gedragingen niet door de beugel kunnen. Zo heeft hij tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij de beelden waarop het incident van 16 juli 2025 te zien is, verschrikkelijk vindt en dat hij vindt dat niet zo met cliënten moet worden omgegaan. De gedragingen van [de verzoekende] zijn daarnaast niet in lijn met de professionele standaarden van Zozijn, welke onder meer zijn vastgelegd in de gedragscode van Zozijn en het protocol fysieke fixatie. Maar ook zonder dergelijke professionele standaarden had [de verzoekende] kunnen of behoren te weten dat zijn gedrag onaanvaardbaar was en het einde van zijn arbeidsovereenkomst tot gevolg zou kunnen hebben. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat [de verzoekende] al ruim 16 jaar werkzaam is voor Zozijn en jaarlijks fixatietrainingen volgt. Kortom, het drie maal slaan van een cliënte zoals is gebeurd op 16 juli 2025 kan volgens de kantonrechter worden aangemerkt als een dringende reden die een opzegging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt.
5.5.
Het betoog van [de verzoekende] dat hij een
black-outhad en zich daardoor niet meer kan herinneren dat hij cliënte heeft geslagen, maakt het voorgaande niet anders. Vast staat immers dat [de verzoekende] de verweten gedraging heeft verricht en bovendien heeft [de verzoekende] niet onderbouwd dat hij een
black-outhad. Ook strookt het betoog niet met de MICA-melding die [de verzoekende] direct na het incident heeft opgesteld en met de verklaring die hij ruim drie maanden na het incident heeft gegeven aan het onderzoeksbureau. In deze verklaring heeft [de verzoekende] namelijk (redelijk) gedetailleerd uiteengezet hoe de fixatie heeft plaatsgevonden en daarbij verklaard dat hij zeker weet dat hij geen fysiek geweld jegens cliënte heeft gebruikt. Hij heeft daarbij op geen enkel moment verklaard dat hij zich (een gedeelte van) het incident niet meer kan herinneren. Tot slot heeft [de verzoekende] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij tijdens zijn werkzaamheden ontelbaar vaak fixaties van cliënten heeft meegemaakt, maar heeft hij nagelaten een verklaring te geven voor het feit waarom juist bij dit incident sprake was van een
black-out.
5.6.
Verder begrijpt de kantonrechter dat [de verzoekende] – na het zien van de videobeelden – spijt heeft van het slaan van de cliënt. Ook heeft [de verzoekende] gesteld dat hij 16 jaar lang naar behoren heeft gefunctioneerd en dat het werk bij Zozijn erg belangrijk voor hem is. Tot slot heeft hij betoogd dat het voor hem hoogstwaarschijnlijk onmogelijk is om ander werk in de zorg te vinden, omdat Zozijn een melding heeft gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg. Het voorgaande legt echter gelet op de aard en de ernst van het incident onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen. Kortom, Zozijn had een dringende reden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst met [de verzoekende] .
De arbeidsovereenkomst is onverwijld opgezegd
5.7.
Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet moet er verder onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Dat betekent dat dit zo snel mogelijk moet gebeuren. De eis van onverwijldheid speelt een rol vanaf het moment dat bij de tot ontslag bevoegde functionaris het vermoeden van een dringende reden is ontstaan. De vraag wanneer van een vermoeden van een dringende reden kan worden gesproken, moet aan de hand van subjectieve criteria beantwoord worden. Dit betekent dat het moment waarop de betreffende persoon daadwerkelijk kennis had van de dringende reden beslissend is. Bij de beoordeling hoeveel tijd mag verstrijken vanaf het ontstaan van het vermoeden van een dringende reden tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, zijn de omstandigheden van het geval beslissend. De werkgever moet wel steeds voortvarend te werk gaan.
5.8.
In dit verband voert [de verzoekende] aan dat de arbeidsovereenkomst niet onverwijld is opgezegd. Hieraan legt hij ten grondslag dat hij de MICA-melding al op 16 juli 2025 heeft gedaan en dat daarin staat dat cliënte het contact als slaan interpreteerde. Volgens [de verzoekende] had Zozijn op dat moment nader onderzoek naar het voorval moeten doen. Bovendien heeft [de verzoekende] op 29 oktober 2025 nog een halve dag gewerkt, voordat hij op staande voet werd ontslagen.
5.9.
Zozijn betoogt dat zij wel degelijk nader onderzoek heeft gedaan. Zo is naar aanleiding van de MICA-melding zowel per e-mail als telefonisch contact geweest met [de verzoekende] . Zozijn is er vanuit gegaan dat de inhoud van de MICA-melding van [de verzoekende] als professioneel zorgverlener klopte. Daarbij is meegewogen dat de betreffende cliënte kampt met een verstandelijke beperking en een reactieve hechtingsstoornis, waarbij zij dingen over anderen kan zeggen die niet waar zijn. Op basis van de inhoud van de MICA-melding en de e-mails die [de verzoekende] naar aanleiding van het incident naar [gedragswetenschapper] heeft gestuurd (zie onder 3.5.), is getracht de band tussen [de verzoekende] en cliënte te herstellen. Pas op 10 oktober 2025 heeft Zozijn
gehoorddat er een GIF-bestand bestond waarop te zien is dat [de verzoekende] cliënte in haar buikstreek slaat. Vervolgens heeft Zozijn vrijwel direct opdracht gegeven aan een onderzoeksbureau om onderzoek te doen naar het voorval. Zozijn heeft het GIF-bestand pas op 23 oktober 2025 zelf gezien en op 28 oktober 2025 is Zozijn pas in het bezit gekomen van het originele videobestand waarop het (verkorte) GIF-bestand is gebaseerd. De volgende dag, 29 oktober 2025, is [de verzoekende] op staande voet ontslagen. Volgens Zozijn heeft [de verzoekende] die dag bovendien niet eerst een halve dag gewerkt, maar was hij slechts een half uur aanwezig.
5.10.
Met Zozijn is de kantonrechter van oordeel dat de arbeidsovereenkomst met [de verzoekende] onverwijld is opgezegd. Gelet op het tijdsverloop tussen het incident en het moment waarop Zozijn in het bezit kwam van het GIF-bestand en de originele videobeelden, valt volgens de kantonrechter niet in te zien op basis van welk vermoeden Zozijn eerder had moeten handelen en welke stappen zij daarbij had moeten ondernemen. Immers heeft [de verzoekende] steeds verklaard dat hij cliënte niet heeft geslagen. Uit de beschikbare informatie zijn, naast de beelden, geen andere aanwijzingen naar voren gekomen dat er meer aan de hand was dan [de verzoekende] steeds heeft verklaard. Vanaf het moment dat bij Zozijn het vermoeden van een dringende reden rees, te weten het moment dat zij hoorde dat er een GIF-bestand bestond waarop te zien is dat [de verzoekende] de verweten gedraging verricht, heeft zij voortvarend gehandeld door binnen drie dagen opdracht te geven aan een extern onderzoeksbureau. Bovendien heeft [de verzoekende] niet onderbouwd dat hij nog een halve dag is toegelaten tot zijn werkzaamheden op 29 oktober 2025.
Conclusie ontslag op staande voet
5.11.
Het verzoek van [de verzoekende] tot vernietiging van het ontslag op staande voet zal worden afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is. Dat betekent dat de daarmee samenhangende nevenverzoeken tot doorbetaling van loon te vermeerderen met wettelijke rente, verstrekking van deugdelijke loonspecificaties en wedertewerkstelling ook zullen worden afgewezen.
[de verzoekende] heeft geen recht op een transitievergoeding
5.12.
Meer subsidiair maakt [de verzoekende] aanspraak op betaling van een transitievergoeding. Hij betoogt dat hij niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld (artikel 7:673 lid 7 sub c BW Pro) en dat het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 7:673 lid 8 BW Pro).
5.13.
De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [de verzoekende] . Het drie maal slaan in de buikstreek van een cliënte is een ernstig vergrijp. Dat dit vergrijp [de verzoekende] in mindere mate zou kunnen worden toegerekend op basis van de door [de verzoekende] gestelde
black-out, is in het geheel niet onderbouwd (zie ook onder 5.5.). verder heeft [de verzoekende] nog gewezen op de reden voor het ontslag, de lengte van de arbeidsovereenkomst, zijn goede staat van dienst, de gevolgen van de beëindiging en zijn persoonlijke omstandigheden. Deze omstandigheden kunnen echter niet tot de conclusie leiden dat aan [de verzoekende] billijkheidshalve de transitievergoeding moet worden toegekend.
5.14.
Het voorgaande betekent dat het verzoek tot betaling van de transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente, onder verstrekking van een deugdelijke specificatie, zal worden afgewezen.
Buitengerechtelijke kosten
5.15.
Het verzoek van [de verzoekende] om Stichting Zozijn te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, wordt eveneens afgewezen, omdat daarvoor geen rechtsgrond bestaat.
Proceskosten
5.16.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.
van het (voorwaardelijke) tegenverzoek
5.17.
Op het verzoek van Zozijn om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, hoeft niet te worden beslist. De voorwaarde waaronder Zozijn dat verzoek heeft gedaan, is namelijk niet vervuld. Hiervoor is immers beslist dat het ontslag op staande voet niet wordt vernietigd.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het verzoek
6.1.
wijst het verzoek af,
6.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
in het tegenverzoek
6.3.
stelt vast dat de voorwaarde waaronder het verzoek is ingediend niet is vervuld.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.F. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
SG