Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2508

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
11758788 \ CV EXPL 25-5107
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:438 BWArt. 1:439 BWArt. 1:440 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering geldlening en gevolgen bewindvoering in civiele procedure

De eisers vorderden betaling van geldbedragen van twee gedaagden, stellende onrechtmatige daad, onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking, en subsidiair terugbetaling van geldleningen. De rechtbank constateerde dat onvoldoende concrete rechtsfeiten waren gesteld om de primaire en subsidiaire grondslagen te dragen. Wel werd erkend dat sprake was van geldleningen.

Een van de gedaagden stond ten tijde van de lening onder bewind. De rechtbank oordeelde dat de geldleningsovereenkomst rechtsgeldig was, maar dat op grond van artikel 1:440 BW Pro de schuldeiser geen verhaal kan halen op het onder bewind staande vermogen als hij het bewind kende of behoorde te kennen. Dit was hier het geval, waardoor de vordering tegen deze gedaagde werd afgewezen.

Tegen de andere gedaagde werd de vordering toegewezen tot betaling van €7.125, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de opeisbaarheidsdatum. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens niet voldoen aan de wettelijke vereisten. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Vordering tegen gedaagde 1 toegewezen tot betaling van €7.125 met rente, vordering tegen gedaagde 2 afgewezen wegens bewind.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11758788 \ CV EXPL 25-5107
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van

2 2. [naam eiser 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeentenaam] ),
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [de eisers] (mannelijk enkelvoud),
gemachtigde: mr. M.P. Harten,
tegen

1.[naam gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeentenaam] ),
gemachtigde: de heer [gedaagde 2] ,

2.2. [naam gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeentenaam] ),
gemachtigde: mr. M.D.N. Jumelet,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde 2] en gezamenlijk [de gedaagden] (vrouwelijk enkelvoud).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 augustus 2025
- het bericht van 10 maart 2026 met productie(s) van [de gedaagden]
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Namens
[de eisers] zijn verschenen mevrouw [naam schoondochter] (schoondochter)
en hun gemachtigde. [gedaagde 2] is verschenen, mede als gemachtigde van [gedaagde 1] . [gedaagde 2] zelf is ter zitting bijgestaan door zijn gemachtigde. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde 2] is bij beschikking van 10 juni 2020 door de kantonrechter van deze rechtbank onder bewind gesteld, met benoeming van Balans Financiële zekerheid B.V. tot bewindvoerder. Het bewind is gepubliceerd in het Centraal curatele en bewindregister.
2.2.
Uit rekeningafschriften (productie 2 bij dagvaarding) van de door [de eisers] bij Rabobank aangehouden bankrekening volgt dat verschillende mutaties hebben plaatsgevonden gedurende de periode maart 2024 t/m augustus 2024 met als tegenrekening de door [gedaagde 1] bij ING Bank aangehouden bankrekening. Deze mutaties betreffen overboekingen van de bankrekeningen van [de eisers] naar de bankrekening van [gedaagde 1] . Ook hebben overboekingen in omgekeerde richting plaatsgevonden. Op basis van deze bankafschriften heeft in de genoemde periode een vermogensverschuiving van € 9.168,50 plaatsgevonden van de bankrekening van [de eisers] naar [gedaagde 1] . Rondom dagen dat bedragen van [de eisers] naar [gedaagde 1] zijn overgemaakt hebben storneringen plaatsgevonden van automatische incasso’s die van de bankrekening van [de eisers] hebben plaatsgevonden.
2.3.
Bij beschikking van 11 juni 2025 is door de kantonrechter van deze rechtbank het bewind van [gedaagde 2] per 1 juli 2025 opgeheven.

3.Het geschil

3.1.
[de eisers] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van € 7.125,00, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
3.2.
Daarnaast vordert [de eisers] - samengevat - veroordeling van [gedaagde 2] tot betaling van € 16.250,00, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
3.3.
Aan deze vorderingen legt [de eisers] zowel tegen [gedaagde 1] als tegen [gedaagde 2] het volgende ten grondslag:
 primair: onrechtmatige daad,
 subsidiair: ongerechtvaardigde verrijking,
 meer subsidiair: onverschuldigde betaling,
 uiterst subsidiair terugbetaling van een aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] verstrekte geldlening.
3.4.
Door [de gedaagden] is erkend dat zij een geldbedrag uitgeleend heeft gekregen van [de eisers] Bedragen zijn zowel contant als via bankoverschrijving uitgeleend Volgens eigen berekening bedraagt het nog terug te betalen geldbedrag € 10.200,00. [de gedaagden] betwist de primaire, subsidiair en meer subsidiair grondslagen. [de gedaagden] wil het geleende bedrag terugbetalen en heeft daartoe ook voorstellen gedaan. [gedaagde 2] verweert zich voorts tegen de vorderingen door te wijzen op de omstandigheid dat hij ten tijde van de verstrekking van de geldlening onder bewind stond.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Ter zitting is door de kantonrechter aan de orde gesteld dat de dagvaarding summier is. Van een eisende partij mag tenminste verwacht worden dat concrete rechtsfeiten worden gesteld die, in het licht van de aangevoerde juridische grondslagen, de vorderingen kunnen dragen.
4.2.
De kantonrechter overweegt dat door [de eisers] enkel een opgave is gedaan van een vermogensverschuiving die zou hebben plaatsgevonden van [de eisers] naar [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde 2] . De vermogensverschuiving van [de eisers] naar [gedaagde 1] is onderbouwd met rekeningafschriften. [gedaagde 1] heeft erkend dat zij bedragen heeft ontvangen en dat dit telkens geldleningen betreffen. De vermogensverschuiving van [de eisers] naar [gedaagde 2] is onderbouwd met een drietal notities waarin een opsomming staat van bedragen, twee parafen/handtekeningen en de data 7, 11, 13 en 16 juli 2024. Uit deze notities volgt, zo stelt [de eisers] , dat aan [gedaagde 2] door [de eisers] een bedrag in contanten van € 16.250,00 is verstrekt. [gedaagde 2] betwist dat zijn handtekening op de notities staat en dat aan hem een bedrag is verstrekt ter hoogte van € 16.250,00. Hij erkent contante bedragen te hebben ontvangen van [de eisers] Over die bedragen heeft hij verklaard dat sprake is van een geldlening. Tezamen met het aan [gedaagde 1] geleende bedrag, moet [de gedaagden] nog een bedrag van € 10.200,00 terugbetalen.
4.3.
Zonder nadere feitelijke onderbouwing kan niet worden aangenomen dat deze vermogensverschuivingen onrechtmatig zijn, onverschuldigd hebben plaatsgevonden, dan wel hebben geleid tot een ongerechtvaardigde verrijking van [de gedaagden] Het is aan [de eisers] om hiervoor relevante rechtsfeiten te stellen, hetgeen door [de eisers] is nagelaten. Hierbij komt dat door [de gedaagden] is erkend dat zij een bedrag van [de eisers] heeft ontvangen uit hoofde van geldlening. Door de gemachtigde van [de eisers] is ter zitting nog expliciet gewezen op de inhoud van de als productie 1 bij dagvaarding overgelegde aangifte wegens oplichting en/of verduistering. De inhoud van deze aangifte maakt het voorgaande niet anders. Het relaas in de aangifte is niet sluitend en bevat veel vermoedens. Verder wordt in deze aangifte ook gesproken van een vermogensverschuiving uit hoofde van een geldlening.
4.4.
Bij deze stand van zaken is de kantonrechter van oordeel dat de primair, subsidiair en meer subsidiair aangevoerde grondslagen de vorderingen niet kunnen dragen. Aangezien door [de eisers] onvoldoende rechtsfeiten zijn gesteld is nadere bewijslevering niet aan de orde. Het tijdens de mondelinge behandeling nog gedane algemene bewijsaanbod zal dan ook worden gepasseerd.
Geldlening
4.5.
Gelet op de erkenning door [de gedaagden] , heeft de kantonrechter als vaststaand aan te nemen dat [de eisers] aan [de gedaagden] een geldlening heeft verstrekt. Partijen nemen ook allen het standpunt in dat daarover niets schriftelijk is vastgelegd. De kantonrechter overweegt dan ook dat op deze geldlening de bepalingen uit Boek 7, Titel 2C BW van toepassing zijn.
[gedaagde 2] kan niet worden aangesproken tot terugbetaling
4.6.
Alvorens op de verdere inhoud van de geldleningsovereenkomst in te gaan, zal de kantonrechter eerst het verweer van [gedaagde 2] bespreken dat hij vanwege zijn onderbewindstelling niet kan worden aangesproken tot terugbetaling van de geldlening. [gedaagde 2] heeft ten onrechte in zijn conclusie van antwoord dit verweer onderbouwd door te wijzen op de regeling van het testamentair bewind (Boek 4, Titel 5, Afdeling 7 BW). Dit is tijdens de mondelinge behandeling door [gedaagde 2] erkend. De kantonrechter begrijpt zijn verweer echter zo dat [gedaagde 2] een beroep doet op het bepaalde in artikel 1:439 BW Pro.
4.7.
De kantonrechter overweegt als volgt. In artikel 1:438 BW Pro staat dat het beheer over de onder bewind staande goederen aan de bewindvoerder toekomt en dat de rechthebbende slechts met medewerking van de bewindvoerder of met machtiging van de kantonrechter over de onder bewind staande goederen kan beschikken. Volgens artikel 1:439 lid 1 BW Pro is een beschikkingshandeling bij het ontbreken van die medewerking of machtiging ongeldig jegens een partij die het bewind kende of behoorde te kennen.
De kantonrechter stelt voorop dat het sluiten van een overeenkomst van geldlening niet valt onder de werking van de artikelen 1:438 en 1:439 BW, omdat het niet gaat om een beheers- of beschikkingshandeling van de rechthebbende (in dit geval [gedaagde 2] ) met betrekking tot de onder bewind staande goederen, maar juist om een andere rechtshandeling die tot schulden leidt. [1] Dit betekent - anders dan [gedaagde 2] heeft willen betogen - dat de door [gedaagde 2] gedurende het bewind gesloten geldleningsovereenkomst rechtsgeldig is.
4.8.
Wel is het bepaalde in artikel 1:440 lid 1 BW Pro op deze situatie van toepassing. Dit artikel regelt dat schulden ontstaan uit een handeling met een onder bewind gestelde – waaraan de bewindvoerder geen medewerking heeft verleend of waarvoor geen machtiging van de kantonrechter is – niet verhaald kunnen worden op de onder bewind staande goederen, als de schuldeiser het bewind kende of behoorde te kennen. Op grond de laatste volzin van artikel 1:440 lid 1 BW Pro brengt het einde van het bewind hierin geen wijziging.
4.9.
Als vaststaand neemt de kantonrechter aan dat de geldleningsovereenkomst tussen [de eisers] en [gedaagde 2] niet met medewerking van de bewindvoerder of met machtiging van de kantonrechter is gesloten. Dit betekent dat [de eisers] op grond van artikel 1:440 lid 1 BW Pro geen betaling van de openstaande schuld kan vorderen, als hij het bewind van [gedaagde 2] kende of behoorde te kennen.
4.10.
Of [de eisers] het bewind op het moment van het afsluiten van de geldleningsovereenkomst kende of behoorde te kennen, hangt af van de omstandigheden van het geval en van het al dan niet gepubliceerd zijn van het bewind. Vast staat dat het bewind van [gedaagde 2] ten tijde van de vermogensverschuiving stond gepubliceerd in het voor iedereen gratis te raadplegen Centraal curatele- en bewindregister. Bekendheid met het bewind mag dan worden verondersteld. Daarnaast heeft [gedaagde 2] verklaard dat [de eisers] bekend was met het bewind. Dit is door [de eisers] niet weersproken. Gezien het voorgaande moet worden aangenomen dat [de eisers] het bewind kende, dan wel behoorde te kennen.
4.11.
Dit heeft tot gevolg dat het bepaalde in artikel 1:440 lid 1 BW Pro in de weg staat aan toewijzing van de vordering tot terugbetaling van de ter lening aan [gedaagde 2] verstrekte bedragen. De schuld kan immers niet verhaald worden op het vermogen van [gedaagde 2] . De vordering (i) tegen [gedaagde 2] zal dan ook worden afgewezen. De nevenvordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten is ook niet toewijsbaar. Deze vordering treft immers hetzelfde lot als de hoofdvordering.
[gedaagde 1] dient de geldlening terug te betalen
4.12.
Hiervoor in rov. 4.5 heeft de kantonrechter geoordeeld dat tussen [de eisers] en [gedaagde 1] een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen en dat daarover niets is vastgelegd. Dit betekent dat de kantonrechter aan de hand van de toepasselijke wettelijke regeling zal beoordelen of en zo ja per wanneer de geldlening opeisbaar is (geworden). Ook zal de kantonrechter beoordelen welk bedrag [gedaagde 1] moet terugbetalen aan [de eisers]
4.13.
Over het tijdstip van terugbetaling hebben partijen geen concrete afspraken gemaakt, althans dat is niet gebleken. Aan de bij conclusie van antwoord enkel door [gedaagde 2] ingenomen stelling dat de geldlening pas op 31 december 2030 terugbetaald moet zijn, gaat de kantonrechter voorbij. Deze stelling heeft [gedaagde 2] ter zitting immers verlaten, bovendien is die stelling niet ingenomen namens [gedaagde 1] in de procedure tegen haar. Uit het bepaalde in artikel 7:129e BW volgt daarom dat [gedaagde 1] verplicht is het geleende bedrag terug te geven binnen zes weken nadat de uitlener heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Uit het summiere procesdossier begrijpt de kantonrechter dat [de eisers] concreet tot opeising is overgegaan met de brief van 15 oktober 2024 (productie 4 bij dagvaarding). Dit betekent dat het uitgeleende bedrag opeisbaar is geworden op 26 november 2024.
4.14.
Over de omvang van het uitgeleende bedrag, en dus het bedrag dat [gedaagde 1] moet terugbetalen, bestaat verschil van inzicht. [de eisers] noemt verschillende bedragen. Ook ter zitting zijn weer andere bedragen genoemd in vergelijking met de bedragen genoemd in de dagvaarding. Die bedragen zijn ook moeilijk te rijmen met de vermogensverschuiving die kan worden vastgesteld aan de hand van de rekeningafschriften. De door [de eisers] , genoemde bedragen zijn ieder hoger dan het bedrag dat door [gedaagde 1] is erkend. [gedaagde 1] heeft namelijk erkend dat zij en [gedaagde 2] in totaal € 18.000,00 hebben geleend. Daarvan is terugbetaald € 7.800,00. Aldus resteert nog een terug te betalen bedrag van € 10.200,00.
4.15.
De kantonrechter overweegt als volgt. In het midden kan worden gelaten welk concreet bedrag [de eisers] aan [gedaagde 1] heeft uitgeleend en moet worden terugbetaald. Zowel [de eisers] als [gedaagde 1] gaan namelijk uit van een bedrag dat hoger is dan het bedrag dat [de eisers] van [gedaagde 1] vordert. [de eisers] vordert immers betaling van [gedaagde 1] van € 7.125,00. Aangezien de kantonrechter niet meer kan toewijzen dan door een partij is gevorderd, zal [gedaagde 1] worden veroordeeld tot betaling van € 7.125,00 aan [de eisers] Als niet door [gedaagde 1] betwist zal de kantonrechter [gedaagde 1] ook veroordelen tot betaling van de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag. Anders dan gevorderd is de wettelijke rente pas verschuldigd nadat het door [gedaagde 1] terug te betalen bedragen opeisbaar is geworden. [gedaagde 1] is dan ook pas wettelijke rente verschuldigd met ingang van 27 november 2024, de dag nadat zij de geldlening had moeten terugbetalen.
4.16.
[de eisers] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aangezien [gedaagde 1] niet in verzuim verkeerde toen de aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW Pro werd verstuurd, terwijl artikel 6:96 lid 6 BW Pro dat wel verlangt, is niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro voldaan. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.17.
In de uitkomst van de procedure en het bestaan van een (afgeleide) familierechtelijke band tussen partijen, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [de eisers] te betalen een bedrag van € 7.125,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 27 november 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
61389 \ 51588