Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2504

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
05/233102.25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling ontucht met minderjarige in langdurige geheime relatie

In deze strafzaak heeft de rechtbank Gelderland een man veroordeeld voor ontuchtige handelingen met een minderjarige, gepleegd in de periode april tot en met augustus 2004. De verdachte had destijds een geheime seksuele relatie met het toen 15-jarige slachtoffer, waarbij sprake was van vaginale penetratie, pijpen en tongzoenen. De rechtbank achtte de beschuldiging wettig en overtuigend bewezen op basis van de gedetailleerde en consistente verklaring van het slachtoffer, ondersteund door getuigenverklaringen en app-verkeer uit 2023.

De verdachte ontkende de beschuldigingen, maar zijn verklaringen werden door de rechtbank als onvoldoende geloofwaardig beoordeeld. De rechtbank concludeerde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan seksueel misbruik van een minderjarige, waarbij het leeftijdsverschil en de kwetsbaarheid van het slachtoffer een belangrijke rol speelden. De rechtbank legde een taakstraf van 240 uur op, de maximale taakstraf, en een gevangenisstraf van 181 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank wees een schadevergoeding toe van €3.000 aan het slachtoffer wegens immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 juni 2004. De hogere schadevordering van €12.000 werd afgewezen wegens complexiteit en verwezen naar de civiele rechter. Een contactverbod werd niet opgelegd omdat de verdachte na de aangifte geen contact meer had gezocht. De uitspraak weerspiegelt een zorgvuldige afweging van de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de maatschappelijke ontwikkelingen rond zedenzaken.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 240 uur taakstraf, 181 dagen gevangenisstraf waarvan 180 voorwaardelijk, en €3.000 schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.233102.25
Datum uitspraak : 31 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1972 in [geboorteplaats] ,
woonadres: [adres] in [woonplaats] .
Verdachte wordt hierna [verdachte] genoemd.

1.Inleiding

Op 17 maart 2026 is er over deze zaak een openbare strafzitting geweest in de rechtbank in Zutphen. [verdachte] was daarbij aanwezig als verdachte. Hij kwam zonder advocaat; de rechtbank heeft dat met hem besproken, hij bleef bij zijn beslissing zich niet door een advocaat te laten bijstaan. Op diezelfde zitting waren ook aanwezig [aangever] (hierna wordt zij [aangever] genoemd) met haar advocaat mr. M.J. Ellenbroek, haar partner en twee familieleden.
Tijdens de zitting is gesproken over het feit waarvan [verdachte] wordt verdacht. Daarbij heeft de rechtbank de stukken uit het strafdossier met hem doorgenomen en hem daarover vragen gesteld. Daarna heeft [aangever] een verklaring voorgelezen en heeft haar advocaat de schadevordering toegelicht die [aangever] heeft ingediend. Tot slot heeft de rechtbank met [verdachte] gesproken over zijn persoonlijke omstandigheden. De officier van justitie kon ook vragen stellen.

2.De opbouw van dit vonnis

De rechtbank zal hierna eerst weergeven waar [verdachte] van wordt verdacht. De standpunten van de officier van justitie en van [aangever] komen daarna aan de orde, net als de reactie daarop van [verdachte] .
Vervolgens is te lezen welke beslissingen de rechtbank heeft genomen. Daarna zal rechtbank uitleggen hoe en waarom het tot die beslissingen is gekomen.
Als laatste zal de rechtbank nog ingaan op het schadebedrag dat [aangever] van [verdachte] vordert. Ook daarbij komen eerst de standpunten van iedereen aan de orde, en daarna de onderbouwde beslissing van de rechtbank.
De rechtbank vindt het in deze zaak belangrijk om dit allemaal in - ook voor niet-juristen - begrijpelijk Nederlands te doen. In het laatste gedeelte van het vonnis is plaats gemaakt voor een juridische weergave van de tenlastelegging en van de beslissingen van de rechtbank in deze zaak. Dat is om aan de regels te voldoen die het Wetboek van Strafvordering aan een strafvonnis stelt, en om dat vonnis zo ook voor strafrechtjuristen controleerbaar te maken.

3.Waarvan wordt [verdachte] verdacht?

[verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de maanden april tot en met augustus 2004 meerdere keren seks heeft gehad met de toen 15-jarige [aangever] , met wie hij niet was getrouwd, waarbij sprake was van vaginale penetratie, pijpen en tongzoenen.

4.De standpunten

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de beschuldiging bewezen kan worden en dat [verdachte] daarvoor 30 maanden gevangenisstraf moet krijgen. Daarnaast vraagt de officier van justitie de rechtbank om te bepalen dat [verdachte] drie jaar lang geen contact mag opnemen met [aangever] . Niet rechtstreeks en ook niet via iemand anders.
Reactie van [verdachte]
zegt dat wat er in de beschuldiging staat, niet klopt. Hij is het dan ook niet eens met de strafeis van de officier van justitie. Hij heeft geen bezwaar tegen een eventueel contactverbod.
[verdachte] zegt dat hij er geen rekening mee had gehouden dat de officier van justitie een gevangenisstraf zou kunnen eisen. Die eis komt hard bij hem aan. Hij heeft twee zoons en heeft het thuis nu redelijk op orde, zegt [verdachte] verder. Een lange gevangenisstraf zou voor hem ‘het einde’ betekenen, waarmee hij bedoelt dat hij dan niets meer heeft.

5.Welke beslissingen heeft de rechtbank genomen?

De rechtbank vindt dat er
voldoende bewijsis voor de beschuldiging, wat betekent dat [verdachte] zich aan
een strafbaar feitschuldig heeft gemaakt, namelijk:
‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam’.
Hij is daar volgens de rechtbank
als daderook ten volle verantwoordelijk voor, en daarmee
strafbaar.
De rechtbank legt [verdachte] een
taakstraf van 240 uurop. Dat is de hoogste taakstraf die de rechtbank kan opleggen. Als [verdachte] die taakstraf niet of niet helemaal verricht, moet hij maximaal 120 dagen in hechtenis vastzitten.
Daarnaastzal de rechtbank ook een
gevangenisstraf opleggen van 181 dagen (dat is 6 maanden en 1 dag
). Daarvan zal de rechtbank 180 dagen (6 maanden) geheel voorwaardelijk opleggen. Dat betekent dat [verdachte]
één dag naar de gevangenis moet. Die overige 6 maanden hoeft hij niet naar de gevangenis, tenzijhij in de komende twee jaren weer een (vergelijkbaar) strafbaar feit pleegt. Die periode van twee jaren heet de proeftijd. De rechtbank vindt een contactverbod met [aangever] niet nodig.

6.Hoe is de rechtbank tot het bewijs gekomen?

Als iemand een strafbaar feit heeft gepleegd, moet die dader worden veroordeeld en in de meeste gevallen ook: straf krijgen. Het slachtoffer heeft dan ook vaak recht op een schadevergoeding. Maar de rechtbank kan iemand niet zomaar veroordelen. Om te voorkomen dat een onschuldige wordt veroordeeld, moet er wel voldoende bewijs zijn dat de beschuldiging klopt.
In zedenzaken als deze komt het geregeld voor dat de verklaringen van een verdachte en die van het (vermeende) slachtoffer lijnrecht tegenover elkaar staan: de verdachte ontkent wat de aangever zegt dat er is gebeurd. Ook hier is dat het geval. In deze zaak zijn er bovendien geen getuigen die rechtstreeks iets van de seksuele handelingen hebben gezien.
Om te kunnen vaststellen of de beschuldiging (toch) bewezen is, kijkt de rechtbank naar de zogenaamde bewijsmiddelen. De aangifte is zo’n bewijsmiddel, maar de rechtbank kan ook gebruik maken van andere stukken uit het strafdossier, zoals bijvoorbeeld getuigenverklaringen of schriftelijke stukken (zoals bijvoorbeeld brieven, berichtjes, rekeningafschriften). Ook uit de verklaringen van de verdachte bij de politie of tijdens de zitting kan de rechtbank bewijs halen.
De wet stelt daarbij wel als voorwaarde, dat er tenminste twee bewijsmiddelen moeten zijn waaruit kan worden afgeleid dat de beschuldiging klopt. Dat wordt ook wel ‘wettig bewijs’ genoemd. Alléén de aangifte is dus niet genoeg. Die twee bewijsmiddelen mogen bovendien niet uit één en dezelfde bron komen. Met andere woorden: als de bewijsmiddelen erop neerkomen dat alleen de verklaringen van de aangever worden gebruikt (bijvoorbeeld omdat een getuige alleen kan verklaren wat aangever hem of haar heeft verklaard), dan kan dat niet tot een veroordeling leiden. Daar komt bij, dat de rechter op basis van dat wettig bewijs ook ervan
overtuigdmoet zijn dat de beschuldiging klopt. Dat betekent: bij meer dan een beetje twijfel moet de rechter vrijspreken.
De hoogste rechter van Nederland (de Hoge Raad) heeft aan rechters voorgeschreven welke stappen ze in zaken als deze moeten zetten om te beoordelen of een beschuldiging als deze kan worden bewezen als de verdachte ontkent. Allereerst moet de rechtbank beoordelen of de aangifte betrouwbaar is. Daarna moet gekeken worden of er ander (‘steun’)bewijs is.
Hierna zal de rechtbank in de tekst via voetnoten verwijzen naar pagina’s uit het strafdossier [1] of naar wat er tijdens de zitting is gezegd. Zo is terug te vinden wat de rechtbank voor het bewijs gebruikt.
6.1.
De verklaring van [aangever]
heeft op 7 juni 2024 aangifte gedaan bij de politie. [2] Daarin staat dat zij in 2004 in de voetbalkantine werkte. Daar had zij [verdachte] leren kennen.
De broer van [verdachte] voetbalde in die tijd bij [voetbalclub 1] . Toen [verdachte] haar uitnodigde om een keer met hem mee te gaan naar een wedstrijd in Rotterdam deed ze dat graag. Een vriendin van [aangever] die ook in de kantine werkte, [naam 1] , (hierna wordt zij [naam 1] genoemd) mocht ook mee. Een collega reed.
Tijdens de wedstrijd legde [verdachte] een hand op het been van [aangever] en raakte hij haar ook daarna een paar keer aan. Na de wedstrijd reden ze met vier personen terug. De collega, [naam 2] , en [naam 1] stapten onderweg op verschillende plaatsen uit en [aangever] bleef alleen met [verdachte] in de auto. Afgesproken was dat [verdachte] [aangever] zou thuisbrengen, maar in plaats daarvan reed hij naar de Zandenplas. Hij parkeerde daar, kwam achterin de auto zitten en begon [aangever] zonder aarzeling meteen te zoenen. [aangever] hield hem niet tegen en zoende hem ook terug. Voor haar gevoel kon ze hem niet afwijzen: [verdachte] had immers veel geregeld en alles betaald die avond.
Na de zoen vroeg [verdachte] aan [aangever] om haar broek uit te doen. Dat deed [aangever] . Ongeveer tegelijkertijd deed [verdachte] zijn broek naar beneden, tot op zijn enkels. Vervolgens vroeg [verdachte] aan [aangever] om op hem te komen zitten. Ook dat deed ze. Ze voelde dat zijn penis bij haar naar binnen ging. Dat deed pijn. Toen ze dat tegen verdachte zei, stelde hij voor dat ze op de achterbank op haar rug zou gaan liggen. Dit deed zij. Hij ging op haar liggen en ging weer direct naar binnen in haar vagina. Hij kwam al snel klaar. Voor [aangever] was dit de eerste keer dat ze seks had.
In de periode daarna hadden zij regelmatig (gemiddeld één keer per week) seks. Vooral in [woonplaats] (waar ze allebei woonden), maar ook bij zijn moeder op de camping in [woonplaats] . Het initiatief voor de seks kwam van beiden. Hij nodigde haar bij hem uit, wanneer zijn vrouw op haar werk was. De dag ervoor sms'te hij dan en zei hij dat hij de poort voor [aangever] open zou draaien en de achterdeur open zou doen zodat zij snel naar binnen kon zonder dat buren het zouden zien. Wanneer [aangever] dan langs kwam, was [verdachte] al naakt of had hij een badjas aan. Ze moest hem dan eerst pijpen. Dit vond ze vies, maar dat deed ze om hem te plezieren. Zij zagen elkaar nooit zonder dat er seks was. De relatie die zij hadden was geheim. Alleen [naam 1] wist er verder van.
Ze sms’ten en belden dagelijks. Haar ouders zagen op een gegeven moment een hele hoge telefoonrekening en waren daar boos om. Kort daarna zag de moeder van [aangever] de fiets van [aangever] een keer in de tuin van verdachte staan. Zij woonden bij elkaar om de hoek. Moeder belde toen [verdachte] op om te vragen of [aangever] bij hem was. Verdachte ontkende dat, maar op dat moment lagen [aangever] en hij naakt op zijn bed. Ze bedachten toen samen een smoes: dat [aangever] iets voor de voetbal had moeten ophalen bij verdachte.
Verdachte gedroeg zich jaloers. Zo werd hij een keer boos omdat [aangever] te lang met een jongen had gepraat. Hij kwam haar toen met de auto ophalen van school en reed heel hard op de snelweg. Hij was boos en zei dat als [aangever] niet zou zeggen wat hij wilde horen, hij de auto van de weg zou rijden. [aangever] kon niet uit de auto komen en belde toen in paniek [naam 1] om hulp.
Op [geboortedag] 2004, precies de dag dat [aangever] 16 jaar werd, vertelde [verdachte] dat zijn vrouw bevallen was. [aangever] realiseerde zich toen dat het niet goed was wat zij deden, en beëindigde de relatie. Daarna wilde zij het eigenlijk vertellen aan de vrouw van verdachte. Ze heeft een aantal keer gebeld maar hing telkens toch weer op, omdat ze dan niet durfde te praten. Verdachte was daar boos over. [aangever] heeft ook een keer een broodje pindakaas naar het huis gegooid.
Jaren later, toen [aangever] aangifte ging doen, kon ze zich nog precies de kleur, het merk en het kenteken van de auto van verdachte herinneren. Ook wist ze zijn mobiele nummer nog uit haar hoofd. Toen ze hem in 2023 een bericht stuurde via Whatsapp had hij nog precies hetzelfde nummer als toen.
6.2.
Oordeel van de rechtbank over de betrouwbaarheid van de aangifte
De rechtbank vindt de aangifte van [aangever] betrouwbaar. [aangever] heeft - ondanks het lange tijdsverloop van meer dan 20 jaar - gedetailleerd verklaard over wat er tussen haar en [verdachte] is gebeurd. Zij heeft bijvoorbeeld specifiek verklaard over wanneer en waar de seks plaatsvond.
Haar verklaringen zijn ondanks het tijdsverloop steeds hetzelfde gebleven. De aangifte komt overeen met wat zij eerder aan haar vriendin [naam 1] en aan haar man heeft verteld.
De details in de verklaring sluiten aan bij andere gegevens uit het strafdossier. Zo verklaart [naam 1] dat [aangever] haar in die tijd een keer huilend en in paniek opbelde en vertelde dat zij samen met [verdachte] in de auto zat en dat hij haar niet liet gaan. Ook zijn er punten uit de verklaring van [verdachte] zelf, die overeenkomen met de verklaringen van [aangever] . Volgens verdachte kan het bijvoorbeeld kloppen dat hij met [aangever] gezoend heeft bij [voetbalclub 1] . Zijn zoon, [naam 3] , is (inderdaad) op [geboortedag] 2004 geboren. Ook heeft [verdachte] verklaard over het broodje pindakaas dat door [aangever] tegen zijn huis werd gegooid. Verder verklaart hij dat hij door [aangever] een aantal keren werd gebeld waarbij zij dan telkens als hij opnam, meteen weer ophing of had opgehangen.
Wat haar verklaring verder nog geloofwaardig maakt, is dat [aangever] [verdachte] niet alleen maar in een kwaad daglicht plaatst. Zo zegt ze dat hij niet altijd degene was die het initiatief nam tot de seks, maar juist dat zij dat zelf óók deed. Daarmee stelt ze zich kwetsbaar op.
Dit alles maakt dat de rechtbank [aangever] gelooft en haar verklaring voldoende betrouwbaar vindt om als bewijsmiddel te gebruiken.
6.3.
Steunbewijs
6.3.1.
Getuige [getuige] : de vader van aangeefster [aangever]
De vader van [aangever] heeft als getuige bij de politie een verklaring afgelegd. [3] Toen aangeefster [aangever] hem kort geleden vertelde van de feiten die zich in 2004 hadden afgespeeld, keek hij daar niet raar van op, zo verklaart hij. Hij en zijn vrouw (de moeder van [aangever] ) hadden in die tijd namelijk al argwaan gehad en hij had zijn dochter zelfs vaak gewaarschuwd. [4]
De vader van [aangever] kreeg in die tijd een hoge telefoonrekening van de telefoon van [aangever] . Uit een specificatie van die rekening bleek dat er één nummer vaak naar voren kwam. Dat bleek het nummer van [verdachte] te zijn. [5]
[verdachte] kon zich tijdens de zitting een gesprek herinneren met de vader van [aangever] over een hoge telefoonrekening. Ook verklaarde [verdachte] tijdens de zitting dat hij destijds geregeld contact had met aangeefster [aangever] , in de vorm van bellen en sms’jes waarbij het over van alles ging. [6] Hij noemde het zelfs ‘stalking’, zo vaak als aangeefster [aangever] contact met hem opnam. Het bevestigt dat aangeefster [aangever] en [verdachte] in die periode veel contact met elkaar hadden. Zoveel zelfs, dat het de aandacht van haar ouders trok.
Die grote hoeveelheid telefonisch contact past bij de verklaring van aangeefster [aangever] dat zij in die periode een relatie met elkaar hadden.
De vader van [aangever] heeft ook bevestigd dat haar moeder (de vrouw van getuige) een keer de fiets van aangeefster [aangever] voor het huis van [verdachte] had zien staan. Dat was opvallend omdat aangeefster [aangever] op dat moment op school had moeten zijn. Moeder belde [verdachte] toen op en vroeg of haar dochter bij [verdachte] was, maar hij ontkende dat. Toen moeder later haar dochter confronteerde, zei die dat ze iets moest ophalen bij [verdachte] . [7]
Aangeefster [aangever] verklaart dat de seks vaak bij [verdachte] thuis plaatsvond. De getuigenverklaring van haar vader ondersteunt haar verklaring dat zij bij verdachte thuis is geweest (gelet op het feit dat haar fiets voor het huis van [verdachte] is gezien door haar moeder), op een moment dat dat niet logisch was en zij daar in principe niks te zoeken had. Hoewel [verdachte] tegenover de politie en de rechters heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren of hij een telefoongesprek met de moeder van aangeefster [aangever] heeft gevoerd, verklaart hij bij de politie wel dat het kan dat aangeefster [aangever] iets bij hem heeft opgehaald. [8]
Dit alles laat voldoende zien dat [aangever] in die periode inderdaad bij verdachte in huis is geweest. De verklaring van haar vader geeft daar nog meer steun aan, onder meer over de reden die verdachte gaf voor de aanwezigheid van de fiets van [aangever] bij zijn huis op een moment dat [aangever] op school moest zijn.
6.3.2.
Het app-verkeer uit 2023
In het dossier zitten afbeeldingen van een Whatsapp-gesprek tussen [aangever] en [verdachte] uit 2023. [verdachte] heeft ook bevestigd dat dit gesprek heeft plaatsgevonden. [9] De inhoud van het gesprek is als volgt:
[aangever] : Hey, komt je een soortgelijke situatie bekend voor? (
zij stuurt een link naar een nos.nl-artikel getiteld ‘Acteur Thijs Römer voor rechter in zedenzaak (…)’)
[verdachte] : Poeh.. // Je ziet er goed uit trouwens!
[aangever] : Ach houd je mond man, viespeuk // Jij 32, ik 15 hè. // Wat heb jij daar een misbruik van gemaakt.
[verdachte] : Pardon?
[aangever] : Wat begrijp je niet?
[verdachte] : Wat is dit?
[aangever] : Doe maar of je neus bloedt.
[verdachte] : Waarom doe je zo
[aangever] : Het is hartstikke strafbaar wat jij hebt gedaan en het houdt mij met vlagen nog altijd bezig.
[verdachte] : Mijn schuld??
[aangever] : Dit is een vraag?
[verdachte] : Waar komt dit ineens vandaan?
[aangever] : Waar dit ineens vandaan kwam? // Ik heb steeds meer last van alles wat jij gedaan hebt. 15 (!) jaar was ik. Zo beïnvloedbaar als wat en totaal niet volwassen. En jij, 32 jaar oud, hebt daar zo intens misbruik van gemaakt. Echt, zeker nu ik zelf kinderen heb besef ik het me des te meer. // Wat bezielde jou in godsnaam? //
( [aangever] stuurt een foto van een tekstbericht)Dit las ik laatst en besefte me weer wat een vreselijk vies en naar spelletje jij gespeeld hebt. // Dit lijkt ons verhaal wel. Ik weet niet of je het je beseft maar het is zo strafbaar wat jij hebt gedaan. Bovenstaande 'man’ zit momenteel vast voor precies hetzelfde als jij hebt gedaan bij mij.
[verdachte] : Eerst altijd naar jezelf kijken. Nee, was niet goed. Zorg goed voor jezelf!
[aangever] : Heb jij überhaupt empathie? // Eerst naar mezelf kijken? // Nee hè? [10]
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] zegt dat het ‘niet goed’ was en dat [aangever] eerst naar zichzelf moet kijken. Daaruit wordt duidelijk dat [verdachte] het in de apps heeft over wie de schuld had, maar niet over wat er feitelijk is gebeurd. Dat ontkent hij niet.
Tijdens de terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat dit gesprek voor zijn gevoel ging over een incident op de achterbank van een auto waarbij [verdachte] – op initiatief van [aangever] en [naam 1] – met zijn hand in hun broeken zou zijn gegaan en zijn hand op hun geslachtsdelen zou hebben gelegd. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring ongeloofwaardig is.
In de eerste plaats verklaart [verdachte] wisselend over wat er op de achterbank plaatsgevonden zou hebben. Eerst verklaarde hij dat [aangever] haar hand bovenop de broek van [verdachte] bij zijn geslachtsdeel zou hebben gelegd, later zou hij bij zowel [aangever] als [naam 1] zijn hand in de broek hebben gestoken op hun geslachtsdeel. Verder hebben zowel [aangever] als [naam 1] niet over een dergelijke situatie verklaard.
In de tweede plaats is de rechtbank van oordeel dat het ongeloofwaardig is dat [verdachte] met zijn appjes zou hebben verwezen naar het incident op de achterbank. [aangever] heeft het over een vergelijkbare zaak (waarin sprake was van ontucht met minderjarigen) en verder heeft zij het over ‘spelletjes spelen’, ‘intens misbruik maken’, ‘alles wat jij gedaan hebt’. Dat sluit niet aan bij een eenmalig incident, en wel bij wat [aangever] in haar aangifte over de seksuele relatie tussen beiden heeft verklaard.
6.3.3.
De verklaringen van [verdachte] zelf
Sommige stukken uit de verklaringen van [verdachte] bij de politie en tijdens de zitting zijn hiervoor al genoemd. Die verklaringen neemt de rechtbank ook mee als steunbewijs. [11] Andere onderdelen van die verklaringen die de rechtbank ziet als steunbewijs zijn:
- Hij verklaart dat hij [aangever] kent vanuit de voetbalkantine. [aangever] werkte daar samen met haar vriendin, [naam 1] . De jongere broer van [verdachte] voetbalde bij [voetbalclub 2] en [voetbalclub 1] . [verdachte] regelde dat hij met groepen naar die wedstrijden ging. [12] Ze gingen dan met meerdere auto’s of met een bus. [aangever] en [naam 1] zijn twee of drie keer mee geweest. [13] [verdachte] was toen 31 of 32, [aangever] was toen 15 of 16. [14] Na de wedstrijd gingen ze nog naar de business club. Op de terugweg reed een vriend van [verdachte] , omdat hij zelf alcohol gedronken had. [15]
- [naam 2] ging ook wel eens mee naar de wedstrijden. Hij was er vaak bij. Hij dronk geen alcohol en daarom reed hij soms terug. [16]
- [verdachte] heeft verklaard dat zijn moeder in die tijd op een camping in [woonplaats] woonde. [17]
- [verdachte] heeft [aangever] een keer van school opgehaald met de auto. [18]
6.4.
Conclusie
De verklaring van [aangever] is betrouwbaar en er is voldoende steunbewijs om die verklaring te bevestigen. Dat maakt dat de beschuldiging wettig bewezen is. De rechtbank heeft bovendien ook de overtuiging dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen.

7.Waarom legt de rechtbank (deze) straf op?

Omdat de rechtbank heeft vastgesteld dat [verdachte] een strafbaar feit heeft gepleegd en er geen redenen zijn om hem daar niet ten volle voor verantwoordelijk te houden, is de vraag welke straf daarop moet volgen. Om die te kunnen bepalen kijkt de rechtbank naar verschillende factoren. De rechtbank kijkt bijvoorbeeld naar welk soort strafbaar feit gepleegd is, de ernst van dat feit, en de omstandigheden waaronder dat feit is begaan. De rechtbank heeft ook gekeken of er zaken uit het persoonlijk leven zijn van [verdachte] die van invloed moeten zijn op de hoogte van de straf.
[verdachte] heeft vier maanden lang met regelmaat seks gehad met [aangever] , terwijl zij 15 jaar was en hijzelf meer dan twee keer zo oud. Ook al had zij een actief aandeel: dat is seksueel misbruik en dat is strafbaar. Minderjarigen moeten op een veilige manier de kans krijgen om in hun eigen tempo te leren omgaan met seksualiteit en moeten daarbij kunnen vertrouwen op volwassenen. De wet beschermt kinderen tot de leeftijd van 16 daarin – juist ook tegen zichzelf, omdat zo’n relatie door het leeftijdsverschil en de kwetsbaarheid van een puber niet gelijkwaardig is en ook niet veilig voor de minderjarige.
[verdachte] heeft die verantwoordelijkheid uit het oog verloren en alleen oog gehad voor zijn eigen zin in seks. Door de seksuele relatie aan te gaan met [aangever] heeft hij haar psychisch ernstig beschadigd, iets wat bij [aangever] pas op latere leeftijd boven water is gekomen. Uit de slachtofferverklaring blijkt hoe ingrijpend de ervaringen van [aangever] met [verdachte] zijn geweest.
[verdachte] blijft ontkennen, en blijft zeggen dat wat er is gebeurd weinig voorstelde en niet zijn schuld was. In zijn appjes van 2023 wijst [verdachte] zelfs naar [aangever] .
‘Mijn schuld?’en
‘Eerst naar jezelf kijken’, zegt hij in die appjes. Blijkbaar beseft [verdachte] niet hoe ernstig het is wat hij heeft gedaan en dat hij degene is die daarvoor verantwoordelijk is.
Hoewel de seks hoe dan ook strafbaar was omdat [aangever] pas 15 jaar oud was, ziet de rechtbank in het dossier wel dat [verdachte] [aangever] niet heeft
gedwongentot seks. [aangever] heeft gezegd dat zij [verdachte] hoog had zitten en zich gevleid voelde door zijn aandacht. Zij nam zelf ook initiatief. De rechtbank benoemt dit niet om de schuld bij [verdachte] weg te nemen, maar omdat die context belangrijk is bij het bepalen van de hoogte van de straf.
De rechtbank heeft verder gekeken naar het strafblad van [verdachte] met datum 11 februari 2026. De gebeurtenissen waar het om draait, hebben al in 2004 plaatsgevonden. Dat is nu 22 jaar geleden. Hoewel [verdachte] wel eerder strafbare feiten heeft gepleegd, is hij nooit eerder voor een vergelijkbaar feit (een zedenfeit) veroordeeld. Niet vóór 2004, maar ook niet ná 2004. Het gedrag van [verdachte] lijkt dus geen patroon te zijn, maar een losstaande gebeurtenis die zich niet meer heeft herhaald.
De reclassering heeft een rapport opgesteld over [verdachte] . De datum van dat rapport is 7 januari 2026. Daar heeft de rechtbank ook naar gekeken. De reclassering ziet in het leven van [verdachte] geen noemenswaardige problemen. Hij heeft een woning, een baan en een gezin. Ook op het gebied van seksualiteit hebben zij geen zorgen. De kans dat hij in de toekomst weer een soortgelijk feit pleegt, schat de reclassering daarom als laag in. De rechtbank kan zich vinden in die inschatting van de reclassering.
De rechtbank is zich bewust van de ontwikkelingen in de samenleving sinds de ‘Me too’-beweging en de roep om hardere en hogere straffen ten aanzien van zedenmisdrijven. Tegelijkertijd moet de rechtbank uitspraak doen in deze concrete zaak, en moet de rechtbank de in deze zaak relevante omstandigheden bij de gedragingen van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden daarin meenemen. Ook heeft de rechtbank deze zaak vergeleken met andere, soortgelijke strafzaken en de straffen die daarin zijn opgelegd. Die straffen zijn veel lager dan de straf die de officier van justitie in deze zaak eist. Kijkend naar de specifieke omstandigheden in deze strafzaak en de straffen in die andere, soortgelijke, strafzaken is de rechtbank uitgekomen op een lagere straf dan de straf die door de officier van justitie is geëist.
Om recht te doen aan de ernst van de gedragingen van [verdachte] zal de rechtbank aan [verdachte] de maximale taakstraf opleggen van 240 uur. Daarnaast legt de rechtbank [verdachte] nog een voorwaardelijke gevangenisstraf op
De rechtbank legt ook een gevangenisstraf op van 181 dagen (dat is 6 maanden en 1 dag). Daarvan zal de rechtbank 180 dagen (6 maanden) geheel voorwaardelijk opleggen, als stok achter de deur.
Het contactverbod
De rechtbank heeft besloten om geen contactverbod op te leggen.
Onder omstandigheden mag de rechtbank iemand beperken in zijn vrijheid om te gaan en te staan waar hij wil, maar daarvoor moet wel voldoende reden zijn. [verdachte] is na de aangifte een keer bij de ouders van [aangever] aan de deur geweest om verhaal te halen, maar daarna niet meer. Hij heeft tijdens de zitting ook gezegd dat hij dat niet meer zal doen. Hij is niet bij [aangever] zelf langs geweest en heeft haar ook niet op andere manieren benaderd of lastig gevallen. Dit heeft hij niet gedaan na de aangifte, maar voor zover de rechtbank weet ook niet in de 22 jaar daarvoor. Al met al is er onvoldoende reden om een contactverbod met [aangever] op te leggen.

8.De schadevordering

8.1.
De vordering en de standpunten
[aangever] vordert een vergoeding in geld voor de immateriële schade die zij zegt te hebben geleden door toedoen van [verdachte] . Immateriële schade is psychische schade als gevolg van bijvoorbeeld pijn, verdriet of angst. De omvang van die schade is door [aangever] begroot op € 12.000,- . Daarnaast vordert ze rente over dat bedrag. Om te zorgen dat [verdachte] dat bedrag ook echt aan haar betaalt, wil ze ook dat de rechtbank de zogenaamde ‘schadevergoedingsmaatregel’ aan [verdachte] oplegt. Die schadevergoedingsmaatregel houdt onder andere in dat een slachtoffer van een misdrijf niet zelf een deurwaarder of incassobureau hoeft in te schakelen om het bedrag te innen, maar dat de overheid (het CJIB) dat doet.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie adviseert aan de rechtbank om de vordering van [aangever] , van € 12.000,- met rente, toe te wijzen met de schadevergoedingsmaatregel.
Reactie van [verdachte]
vindt de schadevordering van [aangever] niet terecht en in ieder geval veel te hoog.
8.2.
Welke beslissingen heeft de rechtbank genomen?
De rechtbank vindt dat [aangever] immateriële schade heeft geleden door wat [verdachte] heeft gedaan. In geld is die
schade € 3.000,- en dat bedrag moet [verdachte] dan ook aan [aangever] betalen. Daarbij komt de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 15 juni 2004. Ook de schadevergoedingsmaatregel legt de rechtbank op.
De rechtbank zal [aangever] voor de
rest van haar vordering niet-ontvankelijkverklaren. Dat betekent dat verdachte dat resterende bedrag van € 9.000,- in deze procedure niet hoeft te betalen. Dit deel van de vordering is te complex om in deze strafprocedure vast te stellen. [aangever] kan nog wel naar een andere rechter gaan, de civiele rechter, om alsnog te proberen dit bedrag vergoed te krijgen.
8.3.
De redenen voor de beslissing
De advocaat van [aangever] heeft de vordering van [aangever] toegelicht. Zij zegt dat bij [aangever] door een arts een depressieve stoornis en PTSS is vastgesteld, een psychische aandoening waarbij iemand door traumatische ervaringen lang last kan houden van angst, herbelevingen en spanning.
De rechtbank vindt dat er voldoende juridische redenen zijn om ervan uit te gaan dat sprake is van immateriële schade door het misbruik. Het is algemeen bekend dat seksueel misbruik, zeker bij jonge slachtoffers, vaak langdurig tot ernstige psychische problemen leidt. De rechtbank is ook van oordeel dat die door [verdachte] moet worden vergoed. De vraag is, welk bedrag in geld dat moet zijn.
Hoeveel psychische schade is veroorzaakt door het misbruik (en hoeveel misschien door andere oorzaken) is hier niet zo makkelijk precies vast te stellen. In de stukken hierover, zoals de brief van
MoleMann Mental Healthleest de rechtbank niet alleen dat [aangever] onder psychische behandeling staat, maar ook dat er meerdere andere gebeurtenissen in het leven van [aangever] zijn geweest die psychische schade (kunnen) hebben toegebracht. Dit volgt ook uit de verklaring van de vader van [aangever] . [verdachte] heeft gezegd dat hij het vervelend vindt voor [aangever] als zij ergens last van heeft maar dat hij niet de veroorzaker is van die schade en dat hij het in ieder geval niet eens is met de hoogte van het schadebedrag door het misbruik.
Om meer
precieste kunnen vast te stellen hoeveel schade is veroorzaakt door het seksueel misbruik, zou de rechtbank nog nader onderzoek moeten laten doen, bijvoorbeeld door er een onafhankelijke deskundige over te laten rapporteren of door getuigen te laten horen. Dat vergt te veel van deze strafprocedure, die daardoor te lang zou gaan duren.
Wat wel kan, is dat de rechtbank de hoogte van de schade schat. Dat zal de rechtbank doen aan de hand van de zogenaamde ‘Rotterdamse schaal’. Dat is een door deskundigen gemaakt overzicht (te raadplegen via www.rechtspraak.nl) van allerlei soorten strafbare feiten en de hoogte van de schadevergoedingen die rechters voor die feiten toekennen. Er worden daarbij allerlei omstandigheden genoemd die weer verder van invloed zijn op de hoogte van de schadevergoeding.
In deze zaak heeft de rechtbank gekeken naar het onderdeel ‘ontucht met minderjarigen’. Volgens de rechtbank vallen de feiten die [verdachte] gepleegd heeft onder categorie ‘(c): Tamelijk ernstig’. Voor deze categorie feiten staat een schadevergoeding van € 1.500,- tot € 6.000,-.
De rechtbank schat op deze manier de psychische schade die [aangever] heeft geleden in geld op € 3.000,- Dat bedrag is in deze strafprocedure toewijsbaar. Voor het overige kan [aangever] niet bij de strafrechter terecht maar, zoals hiervoor al is uitgelegd, wel eventueel bij de kantonrechter. De rechtbank zal [aangever] voor de rest van haar vordering niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank zal daarbij ook de wettelijke rente toekennen vanaf 15 juni 2004. Dit is het midden van de bewezenverklaarde periode. Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Om dit strafvonnis compleet te maken, volgen nu de officiële tekst van de tenlastelegging en de beslissingen in meer formele, juridische bewoordingen.

9.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 1 september 2004 te [woonplaats] , althans in Nederland,
met [aangever] , geboren op [geboortedag] 1988, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,
buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever] ,
te weten (telkens)
- het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [aangever] en/of
- het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [aangever] en/of
- het (tong)zoenen met/van die [aangever] .

10.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, namelijk dat:
hij
op een of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 1 april 2004 tot en met 1 september 2004 te [woonplaats] , althans in Nederland,
met [aangever] , geboren op [geboortedag] 1988, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,
buiten echt,
een of meerontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit
of mede bestonden uithet seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever] ,
te weten
(telkens
)- het brengen
en/of bewegenvan zijn, verdachtes, penis in de vagina en
/oftussen de schaamlippen van die [aangever] en
/of- het brengen
en/of bewegenvan zijn, verdachtes, penis in de mond van die [aangever] en
/of- het
(tong
)zoenen met
/vandie [aangever] .
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
[verdachte]zal daarvan worden vrijgesproken.

11.De kwalificatie van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

12.De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.

13.De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

14.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

15.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen;
 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 180 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen (4 maanden);
  • veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 3.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2004 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] een bedrag te betalen van € 3.000,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2004 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 30 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.A. Arts (voorzitter), mr. J.S.W. Lucassen en mr. A. Tegelaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Dams, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 maart 2026.
Mrs. Arts, Tegelaar en Dams zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024220113, gesloten op 5 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte, p. 9-18.
3.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 37-40.
4.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 38.
5.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 38, 39.
6.Verklaring van verdachte ter terechtzitting.
7.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 40.
8.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 68.
9.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 60 en 68.
10.Proces-verbaal van aangifte, bijlage, p. 19-24.
11.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 57-70; en verklaring van verdachte ter terechtzitting.
12.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 58.
13.Verklaring van verdachte ter terechtzitting.
14.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 58.
15.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 58 en verklaring van verdachte ter terechtzitting.
16.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 66.
17.Verklaring van verdachte ter terechtzitting.
18.Verklaring van verdachte ter terechtzitting.