Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2483

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
462030
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.127 AWArt. 24.1 concessieovereenkomstECLI:EU:C:2008:351 (Pressetext)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot voortzetting concessieovereenkomst exploitatie A0-displays Arnhem

Eiser sloot met de gemeente Arnhem een concessieovereenkomst voor exploitatie van A0-reclamedisplays na een aanbestedingsprocedure. Eiser beloofde onvoorwaardelijk binnen een week na definitieve gunning de displays te plaatsen. De gemeente stelde dat eiser niet aan deze termijn voldeed en dat de displays niet voldeden aan de afgesproken afmetingen.

Eiser voerde aan dat de locatielijst onjuist was, dat zij vertraging had door benodigde paspanelen en dat de gemeente haar niet loyaal had gefaciliteerd. De gemeente ontkende dit en stelde dat de ontbinding terecht was vanwege toerekenbare tekortkomingen van eiser.

De rechtbank oordeelde dat eiser zich contractueel had verbonden aan de strikte plaatsingstermijn en dat de gemeente redelijkerwijs mocht verwachten dat de displays binnen die termijn geplaatst zouden worden. De vertraging en afwijkingen in afmetingen waren voor rekening van eiser. Het accepteren van afwijkende afmetingen zou een verboden wezenlijke wijziging van de aanbesteding zijn.

Daarom was de ontbinding door de gemeente rechtsgeldig en gerechtvaardigd. De vorderingen van eiser tot voortzetting van de overeenkomst, schadevergoeding en andere voorzieningen werden afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af en bevestigt de rechtmatigheid van de ontbinding van de concessieovereenkomst door de gemeente Arnhem.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/462030 / KG ZA 26-36
Vonnis in kort geding van 30 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
[naam eisend bedrijf] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
kantoorhoudende te [plaatsnaam] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaten: mrs. Tj.P. Grünbauer en M. Blok,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE ARNHEM,
zetelende en kantoorhoudende te Arnhem,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaten: mrs. J.C. Mosselman en M.J. Mutsaers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 25 van 27 januari 2026,
- de akte wijziging en vermeerdering van eis en overlegging producties 26 t/m 32 van [eiser] van 4 maart 2026,
- de (gedeeltelijke) conclusie van antwoord met producties 1 t/m 5 van de Gemeente, ingediend op 5 maart 2026,
- productie 33 van [eiser] , ingediend op 5 maart 2026,
- een verzoek om verlenging van de spreektijd van de Gemeente, ingediend op 5 maart 2026,
- de reactie van de voorzieningenrechter op het verzoek om verlenging van de spreektijd van 5 maart 2026,
- de aanvullende producties 6 t/m 11 van de Gemeente, ingediend op 5 maart 2026,
- de aanvullende producties 34 en 35 van [eiser] , ingediend op 6 maart 2026,
- de aanvullende productie 12 van de Gemeente, ingediend op 6 maart 2026,
- de mondelinge behandeling van 9 maart 2026
- de pleitnota van [eiser] ,
- de pleitnota van de Gemeente.
2. De feiten
2.1.
[eiser] is een onderneming die zich bezighoudt met het exploiteren van vormen van out- of home reclame.
2.2.
De Gemeente heeft een aanbestedingsprocedure georganiseerd voor het exploiteren van A0-reclamedisplays aan licht- en trolleymasten in Arnhem. Tot de aanbestedingsdocumentatie behoort onder andere de Leidraad Concessie Procedure A0-displays Gemeente Arnhem van 20 augustus 2025 met zaaknummer 3970152 (hierna: de leidraad). In de leidraad staat, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, het volgende:
1
INLEIDING
1.1
Algemeen
(…)
De Concessie A0-displays betreft het voor eigen rekening en risico exploiteren van A0-displays, door Rechthebbende tijdelijk bevestigd aan licht- trolleymasten op toegewezen locaties, binnen de voorschriften zoals opgesteld door de gemeente Arnhem. De Rechthebbende betaalt hiervoor per jaar een huurvergoeding aan de gemeente Arnhem, die eigenaar is van de licht- en trolleymasten. Het aantal locaties voor de A0-displays bedraagt bij aanvang van de overeenkomst 240 stuks. Deze aanbesteding richt zich niet op een exact aantal locaties binnen het grondgebied van de gemeente Arnhem, maar op de exploitatie in Arnhem als geheel. De gemeente Arnhem behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor om de omvang aan locaties op enig moment, binnen de lopende overeenkomst, uit te breiden of anderszins aan te passen.
(…)
Door middel van het indienen van een Inschrijving gaat Inschrijver akkoord met alle voorwaarden en modaliteiten van deze procedure, zoals de geschiktheidseisen, de procedure, het Programma van Eisen, de gunningscriteria, etc.
(…)
1.8
Aantallen
Op dit moment heeft de gemeente Arnhem 240 locaties beschikbaar waar A0-displays kunnen worden bevestigd of worden behouden. Het exploitatierecht is niet specifiek gelieerd aan een exact aantal locaties (aan de licht- en trolleymasten), maar aan de uitoefening van dit recht als geheel binnen de gemeente Arnhem, waarbinnen het aantal locaties kan fluctueren
(…)
1.11
Gunningscriterium
De AD hanteert als gunningscriterium "beste prijs-kwaliteitverhouding" (beste PKV). Inschrijvingen worden beoordeeld op kwalitatief en prijstechnisch aanbod. Deze gunningscriteria worden nader uitgewerkt in hoofdstuk 5.
(…)
1.13
1.13
Wachtkamerconstructie
De AD is voornemens om één Overeenkomst te sluiten met één Rechthebbende. Eveneens wordt er een wachtkamerovereenkomst gesloten met de als tweede geëindigde Inschrijver. Kenmerkend voor deze wachtkamerovereenkomst is dat hierin geen opdracht is opgenomen. Deze Inschrijver komt uitsluitend voor de exploitatie van de Concessie in aanmerking indien de gegunde Rechthebbende, om wat voor reden dan ook, niet in staat blijkt de verplichtingen vanuit de Concessie na te komen.
(…)
2 PROCEDURE
De navolgende algemene procedureregels zijn van toepassing op deze procedure.
2.1
Algemene procedureregels
(…)
9. Het aanbieden van de Inschrijving houdt in dat de Inschrijver, zonder voorbehoud, volledig met de voorwaarden van de procedure, zoals beschreven in de Aanbestedingsdocumenten, waaronder deze leidraad, de bijlage (n) en de eventuele nota ('s) van inlichtingen, instemt. Indien een Inschrijver toch voorwaarden en/of voorbehouden en/of alternatieven of varianten aan zijn Inschrijving verbindt, zal de AD de betreffende Inschrijver uitsluiten van (verdere) deelname aan de aanbesteding.
(…)
25. Na verzending van het voornemen tot gunning geldt, conform artikel 2.127 AW
2012, een opschortende termijn van 20 kalenderdagen, waarbinnen een afgewezen Inschrijver tegen dit voornemen een kort geding aanhangig kan maken. Deze termijn is tevens een vervaltermijn. Dit betekent dat afgewezen Inschrijvers na verstrijken van deze termijn geen bezwaar meer kunnen maken naar aanleiding van het gunningsvoornemen dan wel tegen deze aanbestedingsprocedure en niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Na het verstrijken van de termijn van 20 kalenderdagen is de AD vrij om, conform het voornemen tot gunning, tot definitieve gunning over te gaan.
(…)
2.2
2.2
Planning
(…)
4 PROGRAMMA VAN EISEN
In dit hoofdstuk zijn de eisen opgenomen waar Inschrijver minimaal aan moet voldoen en mee moet instemmen om voor de exploitatie van A0-displays in aanmerking te kunnen komen. Door het indienen van de Inschrijving verklaart Inschrijver onvoorwaardelijk akkoord te gaan met het onderstaande Programma van Eisen en de Concessie-overeenkomst. Indien de AD constateert uit de Inschrijving dat Rechthebbende tijdens de uitvoering niet zal voldoen aan deze eisen, zal hij van verdere deelname aan de procedure uitgesloten worden.
(…)
4.5
Uiterlijk van de A0-displays
(…)
De displayhoogte is circa 125 cm en de breedte circa 90 cm. Tussen het display en het maaiveld zit circa 40 tot maximaal 50 cm. Waar verschillende displays van paal naar opvolgende paal bevestigd zijn dienen deze in rechte lijn te zijn bevestigd, alle even hoog, alle in dezelfde hoek naar de openbare weg
(…)
4.8
4.8
Locaties voor A0-displays
De Rechthebbende verplicht zich ertoe om deze voorzieningen enkel te plaatsen op locaties die in overleg met de gemeenten zijn vastgesteld en dient zelf te beschikken over de (mogelijk) benodigde vergunningen. Het recht tot exploitatie van A0 reclame aan licht- en trolleymasten is niet specifiek gelieerd aan een exact aantal locaties, maar aan de uitoefening van dit recht als geheel binnen de gemeente Arnhem, waarbinnen het aantal locaties kan fluctueren. De stad is in economisch opzicht steeds in beweging waardoor de behoefte van verenigingen, organisaties, instellingen en bedrijven ook steeds in beweging is, waarmee de behoefte aan evenementen en publieksuitingen eveneens voortdurend in beweging is. De gemeente Arnhem behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor om de
omvang aan locaties op enig moment, binnen de lopende overeenkomst, uit te breiden,
verminderen of anderszins aan te passen.
(…)

5.GUNNINGSCRITERIA

5.1
5.1
Algemeen
In dit hoofdstuk zijn de gunningscriteria met betrekking tot de gevraagde dienstverlening
beschreven.
De gunning wordt gebaseerd op de hierna te noemen criteria:
5.2.
Netwerken;
5.3.
Plan van aanpak en displaybeheer;
5.4.
Duurzaamheid en circulariteit
5.5.
Social return;
5.6
Tarief A
5.7.
Huurvergoeding.
(…)
5.3
K2 Subgunningscriterium Plan van aanpak en Displaybeheer
Naast ‘Netwerken’ vormt het plan van aanpak en displaybeheer een belangrijk gunningcriterium. In onderhavige aanbestedingsstukken heeft de gemeente Arnhem aangegeven wat zij in relatie tot de uitoefening van de concessie belangrijk vindt. De belangrijkste punten die in het gevraagde plan van aanpak minimaal aan de orde moeten komen staan hieronder beschreven.
a.
Plan van Aanpak; de belangrijkste kernpunten waar het plan van aanpak minimaal op dient in te gaan zijn de navolgende:
1. Omschrijf de technische implementatie (stappen en de planning van definitieve gunning tot en met het aanbrengen nieuwe displays en het aanbrengen van de eerste A0 posters).
(…)
5.9
Beoordeling gunningscriteria
Voor de beoordeling van de Inschrijvingen hanteert de AD de volgende (sub)gunningscriteria:
(…)”
2.3.
Naar aanleiding van de leidraad zijn er door verschillende geïnteresseerden vragen gesteld welke door de Gemeente zijn beantwoord in de Nota van Inlichtingen van 11 september 2025 (hierna: de NvI). Voor zover voor de beoordeling relevant staat in de NvI het volgende:
2.4.
Bij brief van 3 november 2025 heeft de Gemeente aan [eiser] meegedeeld dat zij in totaal drie inschrijvingen heeft ontvangen en beoordeeld en dat de inschrijving van [eiser] is beoordeeld met de beste prijs-kwaliteitverhouding. De Gemeente schrijft in de brief dat dat betekent dat zij voornemens is de concessieovereenkomst met [eiser] te sluiten.
2.5.
Bij brief van 25 november 2025 heeft de Gemeente aan [eiser] meegedeeld dat de Gemeente geen bezwaren heeft ontvangen tegen het voornemen tot gunning en dat de concessieovereenkomst definitief gegund wordt aan [eiser] .
2.6.
Op 1 december 2025 hebben partijen op grond van de Gemeente georganiseerde aanbestedingsprocedure voor het exploiteren van A0 reclamedisplays een concessieovereenkomst gesloten. In de concessieovereenkomst staat onder meer het volgende:
“(…)
Artikel 1 Opdracht Pro en Bijlagen
(…)
1.2
Als bijlagen bij deze overeenkomst behoren en daarvan één geheel uitmakend, de navolgende stukken:
(…)
 Aanbieding/offerte van rechthebbende met bijlagen d.d. 22 oktober 2025;
(…)
Artikel 5 Locaties Pro A0-displays
5.1
De concessiehouder verplicht zich ertoe om deze voorzieningen enkel te plaatsen op
locaties die in overleg met de gemeenten zijn vastgesteld en dient zelf te beschikken
over de (mogelijk) benodigde vergunningen. Op het moment van afsluiten van
onderhavige overeenkomst mogen in de gemeente Arnhem 240 A0-reclamedisplays,
verspreid over de stad en conform de door de gemeente geleverde richtlijnen,
geplaatst worden. De bijlage waarop de huidige locaties per licht- en trolleymast zijn weergegeven maakt een onlosmakelijk deel uit van deze overeenkomst en is als
bijlage bijgevoegd.
5.2
Het recht tot exploitatie van A0 reclame aan licht- en trolleymasten is niet specifiek
gelieerd aan een exact aantal locaties, maar aan de uitoefening van dit recht als
geheel binnen de gemeente Arnhem, waarbinnen het aantal locaties kan fluctueren.
De stad is in economisch opzicht steeds in beweging waardoor de behoefte van
verenigingen, organisaties, instellingen en bedrijven ook steeds in beweging is,
waarmee de behoefte aan evenementen en publieksuitingen eveneens voortdurend in
beweging is. De gemeente Arnhem behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor om de omvang aan locaties op enig moment, binnen de lopende overeenkomst, uit te
breiden, verminderen of anderszins aan te passen.
(…)
5.4
Naast de specifieke bijlage over de 240 locaties en de in de aanbesteding genoemde
specifieke richtlijn (Arnhemse Richtlijnen Verkeersdoorstroming), als bijlage
bijgevoegd, over het verkeer in Arnhem, is de overige algemene wet- en regelgeving
onverkort van toepassing en indien op enigerlei wijze vergunningen vereist zijn, is
rechthebbende zelf verantwoordelijk voor het verwerven daarvan.
(…)”
2.7.
De Gemeente heeft de wachtkamerovereenkomst gesloten met [bedrijf] (hierna: [bedrijf]).
2.8.
Op 4 december 2025 hebben partijen een kennismakingsgesprek gevoerd. Nadien is tussen partijen een geschil gerezen omtrent de actualiteit van de locatielijst. Bij e-mailbericht van 12 december 2025 heeft de Gemeente [eiser] verzocht om een overzicht aan te leveren van de locaties die afwijken van de door de Gemeente aangeleverde locatielijst. De Gemeente heeft tevens verzocht om een toelichting bij de gewijzigde locaties te vermelden, omdat die informatie noodzakelijk is om een oordeel te vormen en tot eventuele goedkeuring te komen.
2.9.
Bij e-mailbericht van 12 december 2025 heeft [eiser] de Gemeente voorgesteld dat de Gemeente een correcte lijst samenstelt, omdat het voor haar ondoenlijk is om per locatie een motivering te maken met terugwerkende kracht. [eiser] schrijft verder dat haar lijst voldoet aan alle eisen en dat er (onnodige) vertraging optreedt met het plaatsen van de displays.
2.10.
Bij e-mailbericht van 15 december 2025 heeft [eiser] de Gemeente naar aanleiding van een gesprek die ochtend onder meer bevestigd dat de Gemeente akkoord is met de locatielijst van [eiser] en dat is aangegeven dat er geen omgevingsvergunning noodzakelijk is voor het plaatsen van de displays. [eiser] schrijft verder in het e-mailbericht dat zij alle 240 displays uiterlijk eind januari 2026 geplaatst zal hebben, omdat er voor het grote deel paspanelen nodig zijn in verband met de dikte van de masten. Deze kan zij pas bestellen bij een definitieve vaststelling van de locaties, omdat er met verschillende mastdiameters gewerkt wordt. [eiser] schrijft dat zij bij 62 lichtmasten binnen zeven dagen direct zou kunnen plaatsen, maar dat zij nog geen vulling heeft. [eiser] wil daarom graag de content van ACM ontvangen. Ook schrijft [eiser] dat de reden dat zij nog geen vulling heeft is gelegen in het feit dat zij haar sales nog niet heeft kunnen opstarten, omdat zij geen terugkoppeling heeft op de start van de overeenkomst en door de aanhoudende onduidelijkheid ten aanzien van de locatielijst en de omgevingsvergunning.
2.11.
Bij brief van 19 december 2025 heeft de advocaat van de Gemeente aan [eiser] bericht dat zij zich conform haar planning in haar plan van aanpak heeft verplicht om binnen 7 dagen na gunning alle displays te plaatsen en dat [eiser] daarin geen onderscheid heeft gemaakt tussen type masten en/of andere voorbehouden. Volgens de Gemeente is de wijziging in de planning onacceptabel en vormt het een schending van de concessieovereenkomst. De Gemeente schrijft verder dat [eiser] van rechtswege in verzuim is geraakt en dat de Gemeente daarom het recht heeft om de overeenkomst te ontbinden. Ook benadrukt de Gemeente dat het plan van aanpak zwaar heeft meegewogen in de aanbesteding en in de beoordeling van de inschrijving van [eiser] en dat de planning met name van belang is gelet op de nadere verkiezingen in maart 2026. De Gemeente schrijft nog dat, voor zover [eiser] extra maatregelen moet treffen om de displays passend te maken, voor rekening en risico van [eiser] komt. De Gemeente heeft [eiser] verder verzocht en voor zover nodig gesommeerd om met inachtneming van de locatielijst uiterlijk 31 december 2025 alle displays op te hangen waarvan de locatie niet is gewijzigd, zijnde volgens de eigen toelichting van [eiser] ongeveer 85% van het totaal aantal displays (204 displays), waarbij de displays dienen te zijn gevuld conform hetgeen daarover is overeengekomen en door [eiser] is toegezegd in haar aanbieding. Ten aanzien van de overige 15% heeft de Gemeente voorgesteld dat partijen nadere afspraken maken met betrekking tot de controle en de gewijzigde locaties.
2.12.
Bij brief van 24 december 2025 heeft de advocaat van [eiser] aan de advocaat van de Gemeente bericht dat aan de zijde van [eiser] geen sprake is van verzuim, dat zij al het mogelijke doet om de displays te plaatsen maar dat zij voor de levering van de panelen afhankelijk is van derden, terwijl de vakantieperiode vertraging oplevert. Verder schrijft de advocaat dat als de Gemeente een correcte lijst had opgenomen in het bestek en niet met een omgevingsvergunning op de proppen was gekomen [eiser] begin november de benodigde zijpanelen had kunnen bestellen. Verder merkt de advocaat op dat de door de Gemeente gestelde termijn voor nakoming niet redelijk is mede gelet op de komende feestdagen.
2.13.
Bij e-mailbericht van 5 januari 2026 heeft de advocaat van de Gemeente aan de advocaat van [eiser] bericht dat [eiser] niet binnen de gestelde termijn heeft voldaan aan de sommatie van de Gemeente. Ten aanzien van de locatielijst schrijft de advocaat onder verwijzing naar de relevante artikelen in de concessieovereenkomst dat op voorhand bekend was dat deze kon afwijken van de feitelijke situatie en dat de gevolgen van die wijzigingen voor rekening van de concessiehouder blijven. Verder betwist de advocaat dat de Gemeente op de proppen is gekomen met een omgevingsvergunning en verwijst hij naar artikel 5.1 van de concessieovereenkomst waarin staat dat [eiser] zelf dient te beschikken over (mogelijk) benodigde vergunningen. De advocaat schrijft verder dat de Gemeente bereid is om [eiser] een laatste kans te bieden om aan haar verplichtingen te voldoen en heeft daartoe namens de Gemeente een voorstel gedaan, inhoudende een bevestiging dat alle displays uiterlijk 31 januari 2026 zijn opgehangen en voor ongeveer 20% aan locaties waarvan [eiser] wil afwijken moet uiterlijk 14 januari 2026 door [eiser] worden aangegeven wat de aanleiding is voor die afwijking.
2.14.
Bij brief van 7 januari 2026 heeft de advocaat van [eiser] een tegenvoorstel gedaan aan de Gemeente, inhoudende dat [eiser] de displays zal plaatsen conform de bij de brief gevoegde locatielijst welke lijst op 15 december 2025 door de Gemeente is geaccordeerd. De advocaat schrijft verder dat [eiser] de displays conform deze lijst uiterlijk 31 januari 2026 zal hebben geplaatst.
2.15.
Op 8 januari 2026 heeft de Gemeente een klacht ontvangen van [bedrijf] over de afmetingen van de door [eiser] opgehangen displays, welke volgens [bedrijf] afweken van de bij aanbesteding gestelde eisen. [bedrijf] heeft de Gemeente voorgesteld om de huidige concessieovereenkomst te beëindigen en te gunnen aan [bedrijf] conform de wachtkamerovereenkomst of aansprakelijkheid te erkennen en een schadevergoeding aan [bedrijf] te betalen voor gederfde winst.
2.16.
Bij brief van 9 januari 2026 heeft de advocaat van de Gemeente aan de advocaat van [eiser] onder meer bericht dat zij er door een derde op is gewezen dat de tot dusver door [eiser] opgehangen displays niet voldoen aan de overeengekomen eisen, dat de Gemeente niet kan tornen aan de voorgeschreven afmetingen, dat indien zij dat wel zou doen – en de door [eiser] gehanteerde afmetingen zou toestaan – zij zou handelen in strijd met de concessieovereenkomst en het eveneens zou kwalificeren als het (toestaan van) een verboden wezenlijke wijziging. De advocaat heeft [eiser] dan ook namens de Gemeente gesommeerd om uiterlijk 31 januari 2026 zowel de bestaande als de nog op te hangen displays integraal te laten voldoen aan de bij aanbesteding overeengekomen eisen, waaronder in ieder geval de eisen met betrekking tot de afmetingen zoals vastgelegd in artikel 8.2 van de concessieovereenkomst, alsmede om uiterlijk 12 januari 2026 te bevestigen dat zij in staat is aan voornoemde sommatie te voldoen. Verder heeft de advocaat in aanvulling op de sommatie namens de Gemeente een aantal afspraken opgenomen met betrekking tot de vulling van displays en de locatielijst.
2.17.
Bij brief van 13 januari 2026 heeft de advocaat van [eiser] aan de advocaat van de Gemeente laten weten dat [eiser] niet zal voldoen aan de sommaties van de Gemeente.
2.18.
Bij brief van 14 januari 2026 heeft advocaat van de Gemeente de concessieovereenkomst namens de Gemeente buitengerechtelijk ontbonden.
2.19.
De concessieovereenkomst wordt inmiddels uitgevoerd door [bedrijf], de partij met wie de wachtkamerovereenkomst was gesloten.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, na wijziging en vermeerdering eis, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Gemeente:
beveelt om onverkort uitvoering te blijven geven aan de op 11 december 2025 ondertekende concessieovereenkomst en [eiser] in de gelegenheid te stellen de overeengekomen werkzaamheden/exploitatie voort te zetten conform de bepalingen van die overeenkomst, althans totdat in een eventuele bodemprocedure anders is beslist,
verbiedt om de in de op 11 december 2025 ondertekende concessieovereenkomst omschreven werkzaamheden/exploitatie aan een of meer derden op te dragen, dan wel met derden overeenkomsten te sluiten die betrekking hebben op de uitvoering van die werkzaamheden/exploitatie, althans, voor zover de gemeente Arnhem
reeds met een derde een concessieovereenkomst is aangegaan, daaraan geen uitvoering te (laten) geven en de door die derde inmiddels geplaatste displays binnen veertien dagen na het ten dezen te wijzen vonnis te laten verwijderen en verwijderd te houden, totdat in een eventuele bodemprocedure anders is beslist,
3. verbiedt maatregelen te nemen die het onder 1. of 2. gestelde verhinderen of bemoeilijken, speciaal: de gemeente Arnhem te gehengen en gedogen dat [eiser] haar displays tegen een door de gemeente Arnhem te betalen vergoeding van
€ 68,00 exclusief btw per uur, voor elk uur dat [eiser] daar werkzaamheden voor moet verrichten, althans tegen een door de Rechtbank in goede justitie vast te stellen vergoeding, terugplaatst, nu zij [eiser] heeft gedwongen de eerder geplaatste displays te verwijderen,
4. gebiedt zich te gedragen als loyale concessieverlener en [eiser] op inhoudelijke vragen te antwoorden en loyaal mee te werken aan het updaten van de locatielijst totdat in een eventuele bodemprocedure anders is beslist,
5. veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de Gemeente na betekening van het vonnis in gebreke blijft aan de onder 1. tot en met 4. genoemde geboden/verboden te voldoen, met een maximum van € 500.000,00,
6. veroordeelt om binnen veertien dagen na het vonnis een voorschot van € 50.000,00 te betalen op aan [eiser] te vergoeden schade, geleden door de handelswijze van de Gemeente in deze zaak, althans tot toekenning van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorschot aan schadevergoeding,
7. veroordeelt in de kosten van dit geding, waaronder mede begrepen een salaris van de advocaat, en de nakosten indien betekening noodzakelijk zou blijken.
3.2.
De Gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het vonnis tot de dag der algehele voldoening en de nakosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] wil met de haar vorderingen bewerkstelligen dat zij in de gelegenheid wordt gesteld de in de concessieovereenkomst overeenkomen werkzaamheden voort te zetten en voorkomen dat de Gemeente met een derde een concessieovereenkomst sluit. Ook vordert [eiser] een voorschot op schadevergoeding. [eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij alles in het werk heeft gesteld om de concessie uit te voeren binnen bekwame tijd, maar dat zij op meerdere punten is gefrustreerd in haar inzet. Zo bleek volgens [eiser] de door de Gemeente opgestelde locatielijst op vele onderdelen niet te kloppen. Er bleken onder meer veel meer trolleymasten te zijn die specifieke paspanelen benodigde die besteld moesten worden, gecoat in de voorgeschreven RAL-kleur en dan pas konden ze worden gehangen. Ook heeft ACM [eiser] niet gefaciliteerd met een stoppercampagne en heeft de Gemeente haar telkens op het verkeerde been gezet door de toestemming voor de aanpassingen van de locatielijst op onredelijke wijze te onthouden, maar haar wel te binden aan een uitvoering van de concessie op een wijze die feitelijk onmogelijk en onrealistisch is. [eiser] vermoedt dat achtergrond van het geschil is dat haar inschrijving niet voorziet in een substantiële afdracht van gelden aan de Gemeente, terwijl [bedrijf], de partij die tweede is geworden, daarin wel heeft voorzien. [eiser] heeft de indruk dat dat de reden is dat de Gemeente niet verder met haar wil. De Gemeente heeft een en ander gemotiveerd weersproken.
4.2.
De vorderingen van [eiser] komen in de kern neer op een vordering tot nakoming van de – inmiddels buitengerechtelijk ontbonden – concessieovereenkomst. Aangezien partijen erover van mening verschillen of de concessieovereenkomst rechtsgeldig door de Gemeente is ontbonden, betekent dit concreet dat de gevorderde nakoming van de concessieovereenkomst alleen dan kan worden toegewezen, als -gelet op de rechtsverhouding tussen partijen en de toepasselijke materiële rechtsregels- aannemelijk is dat de concessieovereenkomst niet rechtsgeldig is ontbonden. Die situatie doet zich echter niet voor, zoals hierna nader zal worden toegelicht. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen. In het midden kan dan blijven of [eiser] een (spoedeisend) belang had bij haar vorderingen nu de concessie inmiddels wordt uitgevoerd door [bedrijf].
4.3.
Met betrekking tot de (tekortkomingen die ten grondslag liggen aan de) ontbinding wordt het volgende overwogen. Het geschil tussen partijen vloeit voort uit de door de Gemeente georganiseerde aanbestedingsprocedure voor het exploiteren van A0-displays aan licht- en trolleymasten in Arnhem. In het kader van de betreffende aanbestedingsprocedure heeft [eiser] , als onderdeel van het subgunningscriterium K2, een plan van aanpak gepresenteerd waarin zij zonder enig voorbehoud heeft toegezegd dat de A0-display’s door haar binnen een week, in week 49 van 2025, kunnen worden geplaatst. Deze toezegging lijkt te zijn gebaseerd op de door de Gemeente gegeven planning in de aanbestedingsleidraad, waarbij de Gemeente is uitgegaan van definitieve gunning in week 48 op 25 november 2025. Gelet op het door [eiser] gegeven tijdspad in haar plan van aanpak heeft de Gemeente de toezegging van [eiser] opgevat als ‘zeven dagen
na definitieve gunning’. Voorshands geoordeeld heeft de Gemeente dit redelijkerwijs ook zo mogen opvatten. Het plan van aanpak van [eiser] voorzag immers, gelijk aan de door de Gemeente gegeven planning in de leidraad, in een definitieve gunning van de opdracht in week 48. Door vervolgens op te nemen, zonder enig voorbehoud, dat de displays door haar in week 49 worden geplaatst, mocht de gemeente er vanuit gaan dat met een week werd bedoeld een week na definitieve gunning. In het plan van aanpak van [eiser] staat dat zij ervan op de hoogte is dat het plan van aanpak in relatie tot de exploitatie van de A0-displays voor de Gemeente van wezenlijk belang is en dat zij dat onderschrijft. Het was dan ook aan haar om in dit plan van aanpak duidelijkheid te geven over haar planning wetende dat die planning aldus onderdeel uitmaakte van haar aanbieding en dat niet nakoming daarvan een tekortkoming zou opleveren in de nakoming van de te sluiten concessieovereenkomst.
Bij brief van 25 november 2025 (week 48) heeft de Gemeente vervolgens aan [eiser] meegedeeld dat er geen bezwaren zijn tegen de gunning van de opdracht aan [eiser] en dat de opdracht dan ook definitief aan [eiser] wordt gegund. Onder deze omstandigheden mocht de Gemeente er vanuit gaan dat de displays ook daadwerkelijk in week 49 zouden worden opgehangen. Dat de concessieovereenkomst door partijen pas op 11 december 2025 door partijen is ondertekend, leidt niet tot een ander oordeel. De Gemeente heeft door definitieve gunning van de opdracht op 25 november 2025 aan [eiser] impliciet de aanbiedingen van de overige inschrijvers verworpen en beide partijen zijn er na de definitieve gunning op 25 november 2025 vanuit gegaan dat [eiser] de concessieovereenkomst zou uitvoeren. Partijen zijn immers kort daarna met elkaar in gesprek gegaan over de exploitatie van de concessie, zoals voorzien in diezelfde planning van [eiser] in week 48. In deze planning staat niet dat er pas een aanvang zou worden gemaakt met de genoemde acties en werkzaamheden na ondertekening van de concessieovereenkomst. Startpunt in de planning is de definitieve gunning en zoals hiervoor al aan de orde kwam is die in week 48 afgegeven. In het licht van al het voorgaande mag de Gemeente [eiser] aan de door haar toegezegde plaatsingstermijn van zeven dagen na definitieve gunning te houden. Temeer aangezien de concessieovereenkomst een uitvloeisel is van een aanbestedingsprocedure waardoor aan een afwijking van de betreffende termijn, gelet op de aard en de wijze van totstandkoming van die overeenkomst, hoge eisen moeten worden gesteld [1] .
4.4.
[eiser] heeft echter omstandigheden aangedragen waardoor zij niet in staat is geweest om de displays binnen de door haar toegezegde termijn te plaatsen en die -in haar eigen woorden- tot de conclusie zouden moeten leiden dat er geen sprake is van een tekortkoming die de ontbinding door de gemeente rechtvaardigt. Voor zover [eiser] (daarmee tevens) bedoelt te zeggen dat deze tekortkoming haar niet kan worden toegerekend (omdat sprake is van overmacht) of dat de Gemeente niet bevoegd is tot ontbinding omdat sprake is van schuldeisersverzuim, heeft het volgende te gelden.
Zo stelt [eiser] dat de door de Gemeente vervaardigde en bij de aanbestedingstukken gevoegde locatielijst verouderd en onjuist was. Volgens [eiser] bleek voor een groot aantal locaties de GPS-aanduiding niet exact te kloppen, was het ophangen van tientallen displays op vele locaties niet goed mogelijk in verband met andere aangebrachte zaken of constructies of door reconstructie met een nieuwe indeling van de openbare ruimte waardoor de masten midden in de struiken staan. Ook bleek een veel groter aantal locaties dan in de initiële locatielijst vermeld trolleymasten te betreffen, die dikker zijn en waarvoor speciale passtukken moeten worden vervaardigd. Zo stonden in de lijst van de Gemeente 34 masten gemarkeerd als trolleymasten, maar in de praktijk bleken dit er 80 te zijn. De Gemeente heeft hier tegenin gebracht dat [eiser] op eigen houtje de schouw heeft uitgevoerd terwijl in de aanbestedingsstukken uitdrukkelijk volgt dat de locatielijst altijd gezamenlijk moet worden vastgesteld en dat de regie bij de Gemeente blijft. Dit laatste is op zich niet betwist door [eiser] . Door vervolgens na te laten om op verzoek van de Gemeente toe te lichten welke locaties waarom moesten worden gewijzigd, heeft zij de vertraging die daarvan het gevolg was over zichzelf afgeroepen. Echter, wat hier verder ook van zij, volgens [eiser] heeft de Gemeente op 15 december 2025 (alsnog) haar akkoord gegeven op de door [eiser] aangepaste locatielijst. Onder die omstandigheden had [eiser] in elk geval vanaf 15 december 2025 de gelegenheid gehad om binnen zeven dagen de A0-displays op te hangen aan de masten. Ook die termijn heeft zij niet gehaald. De Gemeente kan in dat verband niet worden tegengeworpen dat [eiser] -zoals zij vervolgens naar voren heeft gebracht- vanwege de verouderde en onjuiste locatielijst onvoldoende paspanelen gelet op de verschillende diktes van de masten voorhanden had, aangezien zij op dat punt in haar plan van aanpak geen voorbehoud heeft gemaakt terwijl op voorhand voor alle inschrijvers duidelijk was dat binnen de Gemeente meerdere typen masten staan en exacte aantal daarvan ontbraken. Dat [eiser] daaromtrent geen voorbehoud heeft gemaakt klemt temeer, omdat in paragrafen 1.8 en 4.8 van de leidraad uitdrukkelijk staat vermeld dat de Gemeente ten tijde van de aanbestedingsprocedure 240 locaties beschikbaar heeft waar A0-displays kunnen worden bevestigd of worden behouden en dat het exploitatierecht niet specifiek is gelieerd aan een exact aantal locaties (aan de licht- en trolleymasten), maar aan de uitoefening van dit recht als geheel binnen de gemeente Arnhem, waarbinnen het aantal locaties kan fluctueren. Voorts staat in de leidraad dat de Gemeente zich uitdrukkelijk het recht voorbehoudt om de omvang van de locaties op enig moment, binnen de lopende overeenkomst, uit te breiden, verminderen of anderszins aan te passen. Deze bepalingen zijn overgenomen in artikel 5 van Pro de concept concessieovereenkomst die bij de aanbestedingsstukken was gevoegd. Het komt dan ook voor rekening en risico van [eiser] dat zij in haar inschrijving, meer concreet in haar plan van aanpak, een onvoorwaardelijke toezegging met betrekking tot de plaatsingstermijn heeft gedaan. Dat zij zich daarbij kennelijk onvoldoende rekenschap heeft gegeven van hetgeen in de aanbestedingsleidraad en in de concept concessieovereenkomst staat vermeld kan zij nu niet aan de Gemeente tegenwerpen. De Gemeente mocht er -gelet op het voorgaande- vanuit gaan dat [eiser] binnen de genoemde termijn van een week aan alle type masten de 240 genoemde displays kon bevestigen.
4.5.
Ook eventuele onduidelijkheid over een al dan niet aan te vragen vergunning, welke volgens [eiser] door de Gemeente is veroorzaakt, komt voor rekening en risico van [eiser] . In paragraaf 4.8 van de aanbestedingsleidraad en in artikelen 5.1 en 5.4 van de concessieovereenkomst staat dat de rechthebbende, aldus [eiser] , zelf dient te beschikken over de (mogelijk) benodigde vergunningen. Het kan de Gemeente dan ook niet worden tegengeworpen dat zij daarover geen duidelijkheid heeft verschaft aan [eiser] aangezien de verantwoordelijkheid op dit punt bij [eiser] ligt. Bovendien geldt ook daarvoor dat op dit punt op 15 december 2025 duidelijkheid is gekomen zodat dit (ook) niet in de weg hoefde te staan aan een uitvoering binnen -in elk geval- een week na 15 december 2025.
4.6.
Ten slotte is het aan [eiser] zelf te wijten dat zij niet (tijdig) concrete vulling beschikbaar had voor de (nog) te plaatsen displays. Ook hierin kan -anders dan [eiser] lijkt te stellen- geen grond worden gevonden om niet te voldoen aan de door haarzelf opgegeven planning. Ten eerste heeft [eiser] in haar inschrijving aangegeven dat zij voorafgaand aan de exploitatie proactief alle potentiële reclamemakers zal benaderen, dat haar database mede is opgebouwd door meer dan 10 jaar exploitatie van A0-displays in de gemeente Renkum en dat zij daarmee kennis en ervaring heeft opgedaan met campagnes uit Arnhem. In die inschrijving heeft [eiser] aldus de indruk gewekt dat zij meer dan ruime ervaring heeft, bekendheid met de Arnhemse evenementenwereld en een uitgebreid klantenbestand waar zij uit kan putten, waardoor zij kan voldoen aan de door de Gemeente vereiste vulling van de displays. Niet weersproken is bovendien dat uit de leidraad volgt dat ACM als uiterst redmiddel wordt benaderd in het geval de rechthebbende de displays niet gevuld krijgt. Onbetwist is ook dat [eiser] zelf verantwoordelijk is voor het tijdig aanschrijven van ACM en dat de Gemeente geen partij is bij (het maken van) afspraken tussen [eiser] en ACM. Het voorgaande in aanmerking genomen komt het voor rekening en risico van [eiser] dat zij, ondanks haar toezegging om de displays binnen zeven dagen na definitieve gunning te plaatsen, kennelijk toch onvoldoende campagnes beschikbaar had waardoor zij zich diende te wenden tot ACM. Dat ACM vervolgens niet tijdig stoppercampagnes aan haar kon leveren kan de Gemeente niet worden tegengeworpen.
4.7.
Onder al deze omstandigheden kan voorshands geoordeeld niet worden gezegd dat de Gemeente [eiser] heeft gefrustreerd of belet om de displays te plaatsen binnen de door haar toegezegde termijn. Voldoende aannemelijk is dan ook dat [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis door niet binnen een week na definitieve gunning -of in elk geval een week na 15 december 2025- het overeengekomen aantal displays te hebben opgehangen. De Gemeente was daarom bevoegd de concessieovereenkomst te ontbinden. Voor zover nog een ingebrekestelling nodig was voorafgaand aan de ontbinding, is die door de Gemeente nog verzonden op 19 december 2025. Bij brief van 19 december 2025 is [eiser] door de Gemeente namelijk nog een extra termijn gegeven om alle displays op te hangen waarvan de locatie niet was gewijzigd tot uiterlijk 31 december 2025. Dit betekende concreet dat [eiser] , volgens haar eigen toelichting op de gewijzigde locatielijst, ongeveer 85% van het totaal aantal displays (zijnde 204) uiterlijk op 31 december diende op te hangen. Met de Gemeente wordt deze termijn redelijk geacht, mede gelet op de door [eiser] gedane toezegging in haar plan van aanpak van zeven dagen na definitieve gunning op 25 november 2025. Ook als rekening wordt gehouden met de feestdagen in de genoemde periode bleef nog een termijn over die langer was dan die zeven dagen terwijl binnen die termijn bovendien niet alle 240 maar slechts 204 displays opgehangen dienden te worden.
[eiser] heeft vervolgens bij brief van 24 december 2025 aangegeven niet binnen de nader geboden termijn te kunnen voldoen aan haar verbintenis. Daarna stond het de Gemeente vrij om tot ontbinding over te gaan. Weliswaar zijn er daarna nog weer nieuwe berichten verzonden en nieuwe termijnen genoemd door de Gemeente, maar die kunnen redelijkerwijs niet anders worden geduid dan als termijnen die werden geboden om het reeds ontstane verzuim te zuiveren. Het ging -anders dan [eiser] lijkt te veronderstellen- niet om nieuwe termijnen waarbinnen nieuwe eisen werden gesteld.
4.8.
In de daarop volgende periode is nog wel een nieuwe tekortkoming door de Gemeente geconstateerd, die zij mede aan de buitengerechtelijke ontbinding van 14 januari 2026 ten grondslag heeft gelegd. Nadien is de Gemeente via een klacht van [bedrijf] namelijk gebleken dat de afmetingen van de op dat moment door [eiser] geplaatste displays niet voldeden aan de overeengekomen eisen. Uit metingen bleek dat de displays ruim 130 cm bij 94 centimeter waren, terwijl uit de nota van inlichtingen (vraag 29) blijkt dat de displays 120 bij 85 centimeter mogen meten. Bij brief van 9 januari 2026 heeft de advocaat van de Gemeente [eiser] daarom gesommeerd om vóór 31 januari 2026 zowel de bestaande als de nog op te hangen displays integraal te laten voldoen aan de bij aanbesteding overeengekomen eisen, waaronder in ieder geval de eisen met betrekking tot de afmetingen zoals vastgelegd in artikel 8.2 van de concessieovereenkomst, waarbij [eiser] eveneens is gesommeerd om vóór 12 januari 2026 vóór 14.00 uur te bevestigen dat zij in staat is aan voornoemde sommatie te voldoen. Vastgesteld moet worden dat de Gemeente, ondanks het belang bij spoedige plaatsing van de displays gelet op de gemeentelijke verkiezingen in maart 2026, [eiser] meerdere malen in de gelegenheid heeft gesteld om haar verzuim te zuiveren en alsnog te voldoen aan de op haar rustende verplichtingen uit de concessieovereenkomst, zoals ook hiervoor is overwogen. In dat licht moet ook deze brief worden gezien. Toen uit de brief van 13 januari 2026 van de advocaat van [eiser] bleek dat [eiser] niet binnen de gestelde termijn alsnog alle displays met het juiste formaat zou plaatsen, waardoor -voor zover al nodig- ook ten aanzien van deze tekortkoming verzuim is ingetreden, heeft de Gemeente besloten om op grond van artikel 24.1 van de concessieovereenkomst tot ontbinding van de concessieovereenkomst over te gaan. In het licht van al het voorgaande is de voorshandse conclusie dat de Gemeente de concessieovereenkomst bij brief van 14 januari 2026 bevoegdelijk heeft ontbonden.
4.9.
Deze ontbinding is ook gerechtvaardigd. In dat kader is mede van belang dat de overeenkomst tussen [eiser] en de Gemeente is gesloten na gunning in een aanbestedingsprocedure. Als uitgangspunt geldt dat wijzigingen tijdens de uitvoering van de aanbestede overeenkomst niet zijn toegestaan als dat zou leiden tot toelating van andere dan de oorspronkelijk geselecteerde gegadigden, de gunning van de opdracht aan een andere inschrijver mogelijk zou hebben gemaakt of andere deelnemers aan de aanbestedingsprocedure zouden hebben aangetrokken [2] . In het onderhavige geval heeft [eiser] zichzelf er contractueel en zonder voorbehoud toe verplicht om de displays binnen één week na definitieve gunning te plaatsen. Mede op basis van die toezegging en de daaraan verbonden score in het kader van de beoordeling van de inschrijving heeft de Gemeente de opdracht aan [eiser] gegund. Niet uit te sluiten is dat, indien [eiser] een langere plaatsingstermijn in haar aanbieding had opgenomen, dit tot een lagere score zou hebben geleid op subgunningscriterium K2 en dit de gunning aan een andere inschrijver mogelijk zou hebben gemaakt. Ook geldt in dit verband dat de afmetingseisen van de displays in de aanbestedingsstukken dwingend, op straffe van uitsluiting van verdere deelname aan de besteding, zijn voorgeschreven. Ondanks de in de aanbestedingsstukken voorgeschreven afmetingseisen heeft [eiser] ingeschreven met een andere afmeting displays die niet aan deze eisen voldoen. Ter zitting kwam naar voren dat [eiser] niet heeft opgemerkt dat in de aanbestedingsstukken displays met een andere maatvoering zijn uitgevraagd dan zij voorhanden had en dat zij daarom heeft ingeschreven met displays met een voor haar gebruikelijke maatvoering. De stelling van [eiser] dat de andere maatvoering evenwel niet leidt tot een wezenlijke wijziging, omdat de door haar gehanteerde displays landelijk gebruikelijk zijn, door verschillende gemeenten in Nederland worden gebruikt en dat haar leverancier ook aan concurrenten van [eiser] levert, kan niet worden gevolgd. Uit de afwijzingsbrief van de Gemeente aan [bedrijf] blijkt dat [bedrijf] juist is afgerekend op het feit dat zij niet voldoende van de door de Gemeente specifiek voorgeschreven afmeting displays op voorraad had bij aanvang van de concessieovereenkomst. Niet uit te sluiten is dat, indien de Gemeente displays met afmetingen zoals [eiser] die heeft opgehangen in de leidraad had voorgeschreven, [bedrijf] wel voldoende displays op voorraad had gehad en zij had kunnen inschrijven met een kortere plaatsingstermijn. Eveneens is niet uit te sluiten dat ook andere partijen zich (anders) hadden ingeschreven. De conclusie is dan ook dat het accepteren van displays met een andere afmeting dan is voorgeschreven in de aanbestedingsstukken -in combinatie met afwijking van de aangeboden plaatsingstermijn- zou leiden tot een verboden wezenlijke wijziging van de opdracht, hetgeen in strijd is met de toepasselijke beginselen van het aanbestedingsrecht. Herstel hiervan was niet mogelijk. In dat licht resteerde de Gemeente alleen nog de ontbinding van de overeenkomst.
Dat de Gemeente de inschrijving van [eiser] ondanks de afwijkende maatvoering van de displays heeft geaccepteerd, leidt niet tot een ander oordeel. Door het doen van een inschrijving heeft [eiser] zich onvoorwaardelijk akkoord verklaard met het Programma van Eisen en de (concept-)overeenkomst waarin de afmetingen als vereiste waren opgenomen. Als behoorlijk geïnformeerde en redelijk oplettende inschrijver had zij er niet vanuit mogen gaan dat de Gemeente -door acceptatie van de inschrijving- ook de door haar gehanteerde maten (die bovendien alleen in een plaatje in de inschrijving waren opgenomen) accordeerde. Als zij hierover had getwijfeld, had zij daarover vragen kunnen stellen in de inlichtingenronde maar dat heeft zij nagelaten. En voor zover zij al een beroep zou kunnen doen op het vertrouwensbeginsel, heeft te gelden dat dit in het onderhavige geval zal moeten wijken voor het beginsel dat de Gemeente alle inschrijvers gelijk dient te behandelen.
4.10.
Verder geldt nog dat in het bestek van dit kort geding niet kan worden vastgesteld of de vermoedens van [eiser] , dat de Gemeente niet met haar verder wil vanwege de lage afdracht, gegrond zijn, nu dit door de Gemeente gemotiveerd is weersproken en in een spoedprocedure als de onderhavige geen plaats is voor nadere bewijslevering. Bovendien ontbeert deze stelling een juridische grondslag om voor toewijzing van de vorderingen in aanmerking te kunnen komen.
4.11.
Op grond van al het voorgaande moet worden geconcludeerd dat voldoende aannemelijk is dat de ontbinding van de concessieovereenkomst in een bodemprocedure stand zal houden. Onder die omstandigheid is er geen aanleiding om in dit geding een voorlopige voorziening te treffen die erop neerkomt dat de Gemeente wordt bevolen om onverkort uitvoering te blijven geven aan de met [eiser] gesloten concessieovereenkomst. Nu voorshands van de rechtmatigheid van de ontbinding moet worden uitgegaan is voor toewijzing van de overige vorderingen onder 2. tot en met 5. ook geen plaats. Nog daargelaten dat de concessieovereenkomst thans wordt uitgevoerd door [bedrijf], de partij met wie de Gemeente de wachtkamerovereenkomst heeft gesloten, welke overeenkomst de Gemeente in beginsel dient na te komen.
4.12.
Wat betreft de vordering onder 6., strekkende tot veroordeling van de Gemeente tot betaling van een voorschot op aan [eiser] te vergoeden schade, welke schade [eiser] stelt te hebben geleden door de handelswijze van de Gemeente, geldt het volgende. Volgens vaste jurisprudentie ten aanzien van geldvorderingen in kort geding is terughoudendheid geboden. Onderzocht moet worden of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is. Dat betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen. Daarnaast moet sprake zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts dient in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken te worden.
4.13.
Aan dit strikte criterium is hier niet voldaan. [eiser] heeft tegenover het verweer van de Gemeente onvoldoende onderbouwd dat zij een vordering heeft op de Gemeente. De enkele stelling dat zij investeringen heeft gedaan in de exploitatie van de concessie, dat zij daar naar eigen zeggen onverhoeds is uitgegooid is en dat de Gemeente aansprakelijk is voor de daaruit ontstane schade, is daarvoor onvoldoende. In dat verband speelt mede een rol hetgeen hiervoor is overwegen over de (toerekenbare) tekortkoming(en) aan de zijde van [eiser] . De conclusie is dan ook dat het bestaan van de vordering en de omvang daarvan in deze procedure onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt. Nog daargelaten dat [eiser] niet heeft gesteld dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde schadevergoeding. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
4.14.
De slotsom is dat de vorderingen van [eiser] integraal worden afgewezen.
4.15.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:
- griffierecht
3.083,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.449,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.449,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.

Voetnoten

2.HvJ EG 19 juni 2008, C-454/06, ECLI:EU:C:2008:351 (Pressetext)