Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2466

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
26/849
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening inzake invordering dwangsommen na intrekking tweede last onder dwangsom

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 9 oktober 2025, waarin het college het bezwaar van verzoeker gegrond verklaarde, eerdere besluiten introk en aankondigde dwangsommen bij derde-partij te zullen invorderen.

Verzoeker verzocht om een voorlopige voorziening om het college te verplichten stuitingshandelingen te verrichten om verjaring van de bevoegdheid tot invordering van dwangsommen te voorkomen. De voorzieningenrechter beoordeelde of het verzoek ontvankelijk was en of het beroep een redelijke kans van slagen had.

De voorzieningenrechter constateerde dat het college de tweede last onder dwangsom had herzien en ingetrokken, waardoor voor die last geen dwangsommen meer konden worden verbeurd. Hierdoor ontbrak materiële connexiteit tussen het verzoek en het bestreden besluit, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk werd verklaard.

De voorzieningenrechter wees het verzoek af zonder proceskostenveroordeling en benadrukte dat het oordeel voorlopig is en de bodemrechter niet bindt. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van materiële connexiteit.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/849

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn

(gemachtigde: mr. R.S. Boersma).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij]uit [plaats] (derde-partij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college van 9 oktober 2025 op het bezwaar van verzoeker. Met dit besluit heeft het college het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard, de primaire besluiten van 31 maart 2025 en 9 juli 2025 ingetrokken en aangekondigd verbeurde dwangsommen bij derde-partij in te gaan vorderen.
1.1. Verzoeker is het niet eens met het besluit van 9 oktober 2025. Hij heeft daartegen beroep ingesteld en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen en te bepalen dat het college stuitingshandelingen dient te treffen om verjaring van de bevoegdheid tot invordering te voorkomen. Daartoe voert hij een aantal gronden aan.
1.2. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter verklaart in deze uitspraak het verzoek niet-ontvankelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 heeft het college een beslissing genomen op de bezwaren van verzoeker tegen de besluiten van 31 maart 2025 en van 9 juli 2025. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, [persoon A] (schrijftolk), de gemachtigde van het college en [persoon B] namens derde-partij.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoeker woont op het adres [locatie] in [plaats]. Derde-partij woont in de aangrenzende woning. Op 29 september 2023 heeft het college derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een dakkapel aan de voorzijde van de woning.
3.1. Naar aanleiding van een verzoek om handhaving van verzoeker heeft het college op 6 maart 2024 een last onder dwangsom opgelegd omdat de dakkapel niet conform de omgevingsvergunning geplaatst was (de eerste last onder dwangsom). Omdat niet aan de last was voldaan heeft het college op 18 december 2024 aan derde-partij een tweede last onder dwangsom opgelegd (de tweede last onder dwangsom).
3.2. Met het besluit van 6 maart 2025 heeft het college de tweede last onder dwangsom herzien en beslist dat tijdelijk wordt afgezien van invordering van de dwangsommen die op grond van de eerste last onder dwangsom zijn verbeurd. Hierbij heeft het college bepaald dat dit besluit in de plaats komt van het besluit van 18 december 2024.
3.3. Met de besluiten van 31 maart 2025 en 9 juli 2025 heeft het college besloten de begunstigingstermijn van de eerste last onder dwangsom te verlengen. De voorzieningenrechter begrijpt dat het college hiermee bedoeld heeft tijdelijk af te zien van het invorderen van de verbeurde dwangsommen. Tegen deze besluiten heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 heeft het college op de bezwaren beslist en beslist dat alsnog tot invordering van de verbeurde dwangsommen over zal worden gegaan. Tegen dit besluit heeft verzoeker een beroep ingediend. [1] 3.4. Op basis van de zienswijze van derde-partij tegen het voornemen om tot invordering over te gaan heeft het college op 8 januari 2026 besloten van invordering af te zien. Tegen dit besluit heeft verzoeker separaat bezwaar gemaakt. Hierop is nog niet beslist.
4. Verzoeker heeft in zijn beroep tegen het besluit van 9 oktober 2025 onder meer aangevoerd dat het college slechts een voornemen kenbaar heeft gemaakt om de verbeurde dwangsommen op basis van de eerste last onder dwangsom in te vorderen. Hij beoogt met zijn verzoek om voorlopige voorziening te bereiken dat het college ook de op basis van de tweede last onder dwangsom verbeurde dwangsommen in zal vorderen. Omdat die vorderingen op 1 april 2026 verjaren verzoekt hij de voorzieningenrechter het college op te dragen stuitingshandelingen te verrichten en verjaring te voorkomen.
5. Uit artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening is niet alleen nodig dat tegen de afwijzing bezwaar is gemaakt bij het bestuursorgaan of beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (formele connexiteit). Ook moet wat verzoeker met zijn verzoek wil bereiken betrekking hebben op de inhoud van de afwijzing (materiële connexiteit).
6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de besluitvorming van het college niet erg duidelijk is verlopen. De besluiten zijn niet alleen cryptisch geformuleerd, maar door onder meer over het verlengen van begunstigingstermijnen te spreken waar het college bedoelt tijdelijk af te zien van invordering wordt de onduidelijkheid verder vergroot. Het college heeft dit op de zitting ook erkend.
6.1. Ook het besluit van 6 maart 2025 blinkt niet uit in helderheid. Dit doet er echter niet aan af dat in dit besluit wel is besloten de tweede last onder dwangsom te herzien omdat de eerste last onder dwangsom nog niet was uitgewerkt en dat het besluit van 6 maart 2025 in de plaats is gesteld van het besluit van 18 december 2024 waarbij de tweede last is opgelegd. Dat betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het college de tweede last heeft ingetrokken.
6.2. Nu het college de tweede last onder dwangsom heeft ingetrokken kunnen voor deze last dus geen dwangsommen verbeuren. Daarom kan verzoeker met zijn verzoek om voorlopige voorziening niet bereiken dat het college wordt verplicht stuitingshandelingen te verrichten. Het verzoek om een voorlopige voorziening kan dus niet tot het door verzoeker beoogde doel leiden. Dit betekent dat de materiële connexiteit ontbreekt en dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de uitspraakte ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer ARN 25/5618