Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaats], verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn
[derde-partij]uit [plaats] (derde-partij).
Samenvatting
1.1. Verzoeker is het niet eens met het besluit van 9 oktober 2025. Hij heeft daartegen beroep ingesteld en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen en te bepalen dat het college stuitingshandelingen dient te treffen om verjaring van de bevoegdheid tot invordering te voorkomen. Daartoe voert hij een aantal gronden aan.
1.2. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
Procesverloop
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3.1. Naar aanleiding van een verzoek om handhaving van verzoeker heeft het college op 6 maart 2024 een last onder dwangsom opgelegd omdat de dakkapel niet conform de omgevingsvergunning geplaatst was (de eerste last onder dwangsom). Omdat niet aan de last was voldaan heeft het college op 18 december 2024 aan derde-partij een tweede last onder dwangsom opgelegd (de tweede last onder dwangsom).
3.2. Met het besluit van 6 maart 2025 heeft het college de tweede last onder dwangsom herzien en beslist dat tijdelijk wordt afgezien van invordering van de dwangsommen die op grond van de eerste last onder dwangsom zijn verbeurd. Hierbij heeft het college bepaald dat dit besluit in de plaats komt van het besluit van 18 december 2024.
3.3. Met de besluiten van 31 maart 2025 en 9 juli 2025 heeft het college besloten de begunstigingstermijn van de eerste last onder dwangsom te verlengen. De voorzieningenrechter begrijpt dat het college hiermee bedoeld heeft tijdelijk af te zien van het invorderen van de verbeurde dwangsommen. Tegen deze besluiten heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 heeft het college op de bezwaren beslist en beslist dat alsnog tot invordering van de verbeurde dwangsommen over zal worden gegaan. Tegen dit besluit heeft verzoeker een beroep ingediend. [1] 3.4. Op basis van de zienswijze van derde-partij tegen het voornemen om tot invordering over te gaan heeft het college op 8 januari 2026 besloten van invordering af te zien. Tegen dit besluit heeft verzoeker separaat bezwaar gemaakt. Hierop is nog niet beslist.
6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de besluitvorming van het college niet erg duidelijk is verlopen. De besluiten zijn niet alleen cryptisch geformuleerd, maar door onder meer over het verlengen van begunstigingstermijnen te spreken waar het college bedoelt tijdelijk af te zien van invordering wordt de onduidelijkheid verder vergroot. Het college heeft dit op de zitting ook erkend.
6.1. Ook het besluit van 6 maart 2025 blinkt niet uit in helderheid. Dit doet er echter niet aan af dat in dit besluit wel is besloten de tweede last onder dwangsom te herzien omdat de eerste last onder dwangsom nog niet was uitgewerkt en dat het besluit van 6 maart 2025 in de plaats is gesteld van het besluit van 18 december 2024 waarbij de tweede last is opgelegd. Dat betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het college de tweede last heeft ingetrokken.
6.2. Nu het college de tweede last onder dwangsom heeft ingetrokken kunnen voor deze last dus geen dwangsommen verbeuren. Daarom kan verzoeker met zijn verzoek om voorlopige voorziening niet bereiken dat het college wordt verplicht stuitingshandelingen te verrichten. Het verzoek om een voorlopige voorziening kan dus niet tot het door verzoeker beoogde doel leiden. Dit betekent dat de materiële connexiteit ontbreekt en dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is