Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2430

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
26/224 en 25/3577
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 4.1 bestemmingsplan Buitengebied 2022Art. 1.7 bestemmingsplan Buitengebied 2022Art. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek tegen pioenrozenteelt wegens geen overtreding bestemmingsplan

Eiseres heeft een handhavingsverzoek ingediend tegen de pioenrozenteelt op percelen van derde-belanghebbende, stellende dat deze in strijd is met het bestemmingsplan. Het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe wees dit verzoek af, waarna eiseres bezwaar maakte en beroep instelde met een verzoek om voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de pioenrozenteelt valt onder de toegestane agrarische bedrijfsactiviteiten volgens het bestemmingsplan “Buitengebied 2022”. Er is geen omgevingsvergunning vereist en geen overtreding vastgesteld. De zorgen van eiseres over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en het ontbreken van een spuitplan zijn onvoldoende om handhavend op te treden.

Het voorzorgsbeginsel kan niet worden toegepast omdat er geen vergunningplichtige activiteit is. Ook ontbreekt een wettelijke grondslag voor een spuitvrije zone van 250 meter. Daarom is het beroep ongegrond en wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep tegen het afwijzen van het handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/224 (voorlopige voorziening) en 25/3577 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe

(gemachtigde: mr. N. Postema).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
[derde-partij] B.V.uit [plaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college van 23 april 2025, waarin het verzoek van eiseres om handhavend op te treden tegen de pioenrozenteelt op het perceel aan de [locatie] in [plaats] is afgewezen. Bij beslissing op bezwaar (bestreden besluit) is het besluit ongewijzigd in stand gelaten. Eiseres heeft beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter verklaart in deze uitspraak het beroep ongegrond. Omdat er geen sprake is van een overtreding heeft het college het verzoek om handhaving terecht afgewezen. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghouder is eigenaar van de percelen [perceel 1], [perceel 2], [perceel 3] en [perceel 4] aan de [locatie] in [plaats]. Eiseres woont in de nabijheid van deze percelen. Zij heeft op
14 maart 2025 een verzoek om handhaving tegen pioenrozenteelt op voormelde percelen ingediend. Volgens eiseres vindt de pioenrozenteelt plaats in strijd met de geldende bestemming.
2.1.
Op 21 maart 2025 heeft een toezichthouder van de Omgevingsdienst Rivierenland (ODR) de percelen van vergunninghouder gecontroleerd. Geconstateerd is dat het perceel [perceel 4] geheel is ingeplant met pioenrozen en dat de boomgaard op de percelen [perceel 1], [perceel 2] en [perceel 3] is gerooid. Er waren uitsluitend op het zuidelijk deel nog bomen aanwezig.
Deze waren al wel omgezaagd en de wortels waren uit de grond getrokken.
2.2.
Op 2 april 2025 heeft het college eiseres een voornemen tot afwijzing van het handhavingsverzoek gestuurd. Eiseres heeft geen zienswijze ingediend.
2.3.
Bij besluit van 23 april 2025 heeft het college het handhavingsverzoek van eiseres afgewezen, omdat er ter plaatse geen overtreding is vastgesteld.
2.4.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.5.
Bij bestreden besluit van 16 juli 2025 heeft het college het besluit van 23 april 2025 ongewijzigd in stand gelaten.
2.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, [persoon A] en de gemachtigde van het college. Daarnaast hebben aan de zitting deelgenomen: de gemachtigde van derde-belanghebbende, [persoon B] en [persoon C].
2.8.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel is het bestemmingsplan “Buitengebied 2022” van kracht. Deze plannen maken dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente West Betuwe. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt onder meer een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan.
3.1.
De percelen hebben volgens het bestemmingsplan de enkelbestemming “Agrarisch met waarden - Landschapswaarden” en de dubbelbestemming “Waarde - Archeologie 2”, “Waarde - Archeologie 3” en “Waarde - Archeologie 4” en de gebiedsaanduiding “milieuzone - beschermingszone leefgebied natte dooradering”.
3.2.
Op grond van artikel 4.1., onder a, van de planregels zijn de voor “Agrarisch met waarden - Landschapswaarden” aangewezen gronden bestemd voor uitoefening van het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat:
(…)
7. uitsluitend de bestaande boom- en heesterkwekerijen zijn toegestaan;
8. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - sierkwekerij' uitsluitend een sierkwekerij is toegestaan.
3.3.
Uit artikel 1.7 van het bestemmingsplan volgt dat onder een agrarisch bedrijf wordt verstaan: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren en al dan niet in combinatie daarmee de opslag, de oppervlakkige bewerking en de afzet van de eigen agrarische bedrijfsgronden, voor zover de bedrijfsgronden gelegen zijn in het plangebied dan wel buiten het plangebied maar in de directe omgeving van het bedrijf gelegen, voor zover deze gronden in ruimtelijk en functioneel opzicht geacht kunnen worden te behoren tot hetzelfde agrarische bedrijf.
Is er sprake van een overtreding?
4. Eiseres voert aan dat zij niet tegen de pioenrozenteelt op het perceel is, maar dat zij zich zorgen maakt over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door derde-belanghebbende. Onduidelijk is welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, omdat derde-belanghebbende geen spuitplan verstrekt. Eiseres stelt dat het college ter bescherming van een gezonde leefomgeving het voorzorgsbeginsel moet toepassen en om die reden een spuitverbod voor drie jaar moet instellen. Indien dit niet haalbaar is, wil eiseres een spuitplan ontvangen om te kunnen laten beoordelen door experts. Daarnaast wil eiseres dat een spuitvrije zone wordt gehanteerd van 250 meter van bewoning.
5. De voorzieningenrechter overweegt dat het handhavingsverzoek van eiseres alleen ziet op het gebruik in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Dit heeft zij in het verzoek expliciet benoemd. Blijkens dit bestemmingsplan is een agrarisch bedrijf op het perceel toegestaan. De pioenrozenteelt van derde-belanghebbende valt onder de definitie van een agrarisch bedrijf. Dat heeft eiseres op zitting ook erkend. De voorzieningenrechter stelt vast dat derde-belanghebbende geen omgevingsvergunning nodig heeft voor de pioenrozenteelt op het perceel. Dat op het perceel eerst sprake was van fruitbomenteelt maakt dit niet anders. Hoewel de voorzieningenrechter de zorgen van eiseres begrijpt, ziet zij geen aanknopingspunten voor het vaststellen van een overtreding.
6. Nu er geen omgevingsvergunning is vereist voor de pioenrozenteelt op het perceel en er geen sprake is van een overtreding, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding om met toepassing van het voorzorgsbeginsel aanvullende voorwaarden op te leggen. Dat beginsel kan bijvoorbeeld een rol spelen in het kader van de afweging of sprake is van een goed woon- en leefklimaat, maar die beoordeling is alleen aan de orde als er sprake is van een omgevingsvergunning-plichtige activiteit. Dat is hier niet het geval.
7. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat in het bestemmingsplan geen regels over een spuitzone en specifieke bepalingen over het gebruik van gewasbeschermings-middelen met betrekking tot de pioenrozenteelt zijn opgenomen. Voor een boomgaard is wel een spuitzone opgenomen, maar daarvan is hier geen sprake. Een grondslag voor het hanteren van een spuitzone van 250 meter, zoals door eiseres wordt gewenst, ontbreekt. Evenmin kan derde-belanghebbende op grond van het bestemmingsplan worden verplicht een spuitplan over te leggen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond, omdat er geen sprake is van strijd met het vigerende bestemmingsplan. Daarom is het college niet bevoegd om handhavend op te treden. Het college heeft het verzoek om handhaving terecht afgewezen. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.