Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2420

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
11959791
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:17 lid 2 BWArt. 157 lid 2 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens ontbreken non-conformiteit tweedehandsauto met motorgebrek

In april 2024 verkocht [opposant] een tweedehands BMW X6 uit 2009 met een hoge kilometerstand aan [geopposeerde], die de auto in de uitoefening van zijn eenmanszaak kocht. Kort na aflevering ontstond een motorprobleem waardoor de auto stilviel. [Geopposeerde] vorderde schadevergoeding wegens non-conformiteit.

De rechtbank oordeelde dat de consumentbeschermende regels niet van toepassing zijn omdat de koop in de uitoefening van een bedrijf was gesloten. De auto werd verkocht zonder garantie en zoals gezien en bereden, maar de koopsom was relatief hoog, waardoor geen ernstige gebreken verwacht mochten worden.

De kernvraag was of het motorgebrek bij aflevering al bestond. [Geopposeerde] kon dit onvoldoende onderbouwen; de verklaring van de garage was summier en er was geen duidelijk bewijs dat het gebrek al bestond bij aflevering. Ook was het onwaarschijnlijk dat de auto 15.000 km kon rijden met een reeds defecte motor.

De rechtbank concludeerde dat geen non-conformiteit was vastgesteld en wees de vordering af. [Geopposeerde] werd veroordeeld in de proceskosten van de verzetprocedure. Het verstekvonnis werd vernietigd en de zaak werd opnieuw beoordeeld.

Uitkomst: De vordering wegens non-conformiteit van de tweedehandsauto wordt afgewezen omdat het motorgebrek niet bij aflevering aanwezig was.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 11959791 \ CV EXPL 25-3641
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[naam opposant bedrijf] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
opposant,
hierna te noemen: [opposant] ,
gemachtigde: mr. H.H. Jansen,
tegen
[naam geopposeerde],
te [woonplaats] ,
geopposeerde,
hierna te noemen: [geopposeerde] ,
gemachtigde: mr. W.F. Wienen.

1.De procedure

bij verstek
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- het verstekvonnis van 1 oktober 2025 van de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Zutphen (11723993 \ CV EXPL 25-1659).
bij verzet
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 november 2025,
- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
In april 2024 heeft [opposant] een auto van het merk BMW, type X6, met kenteken [kentekennummer], uit het bouwjaar 2009 en met een kilometerstand van 179.000 (hierna: de auto), aan [geopposeerde] verkocht.
2.2.
[geopposeerde] heeft ter voldoening van de koopsom zijn voormalige auto, een Mercedes-Benz, bij [opposant] ingeruild en het restant van de koopsom deels contant en deels giraal aan [opposant] betaald.
2.3.
Bij factuur van 8 april 2024 – die door beide partijen is ondertekend – heeft [opposant] een bedrag van € 8.000,00 aan [geopposeerde] in rekening gebracht voor het restant van de koopsom. In de factuur is rekening gehouden met een koopsom van de auto van € 16.950,00 minus een inruilwaarde van € 8.950,00. In de tenaamstelling van de factuur is de eenmanszaak van [geopposeerde] ([bedrijf geopposeerde]) vermeld. Voort is in de factuur vermeld:
“(…)
Garantie tot : Geen * Auto wordt gekocht zoals gezien en bereden
(…)”
2.4.
In april 2024 heeft [opposant] de auto aan [geopposeerde] geleverd. Daaraan voorafgaand is de auto APK goedgekeurd.
2.5.
Op enig moment heeft [opposant] een kleine beurt laten uitvoeren aan de auto door Car Services Harderwijk. Daarbij heeft zij het oliefilter vervangen en de olie ververst.
2.6.
Op 28 augustus 2024 is de auto tot stilstand gekomen nadat het waarschuwingslampje van de motor van de auto is gaan branden en de motor een tikkend geluid maakte. De auto had op dat moment sinds de levering 15.000 kilometer gereden.
2.7.
Op 28 augustus 2024 heeft [geopposeerde] aan [opposant] bericht dat de auto gebreken heeft. Daarop heeft [geopposeerde] de auto op verzoek van [opposant] naar [autobedrijf] gebracht. [autobedrijf] heeft vervolgens geconstateerd dat sprake was van mechanische schade in de motor van de auto, vermoedelijk aan de drijfstanglagers.
2.8.
Bij e-mailberichten van 6 november 2024 en 11 december 2024 heeft de gemachtigde van [geopposeerde] [opposant] gesommeerd om het gebrek aan de motor van de auto binnen veertien dagen deugdelijk te repareren.
2.9.
Daarop heeft [opposant] aan de gemachtigde [geopposeerde] bericht tot herstel te willen overgaan maar dat de kosten daarvan wel voor rekening van [geopposeerde] komen.
2.10.
Bij e-mail van 2 januari 2025 heeft de gemachtigde van [opposant] aan [geopposeerde] bericht dat de vordering tot nakoming wordt omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding.
2.11.
Car Services Harderwijk heeft het gebrek aan de motor van de auto gerepareerd. Daarbij heeft zij de motor van de auto volledig gereviseerd, de olie gewisseld, de automaatolie vervangen en de bougies vervangen. Car Services Harderwijk heeft hiervoor een bedrag van € 12.000,00 aan [geopposeerde] in rekening gebracht, welk bedrag door haar is betaald.
2.12.
Op 29 april 2025 heeft Car Services Harderwijk haar bevindingen schriftelijk vastgelegd. In die verklaring is het volgende vermeld:
“(…) Toen de auto gekocht was bij [opposant] was volgens het onderhoudsboekje de auto al geruime tijde over de zogenaamde kleine beurt heen. Deze kleine beurt is door ons gegeven. Dat wil zeggen onder andere olie verversen met oliefilter vervangen. 28 augustus is de auto bij ons gebracht met het verzoek of wij eens wilden luisteren naar het getik in de motor. Voor ons was het geluid duidelijk dat er een defect in de motor is en een kapotte krukas lagers. (…) Begin januari 2025 hebben wij de auto op verzoek opgehaald voor reparatie. Toen wij het blok openhaalden zagen wij gebreken die al veel langer aanwezig moesten zijn.”
2.13.
Bij e-mail 17 oktober 2025 heeft [medewerker opposant bedrijf] van [opposant] aan [autobedrijf] bericht:
“Naar aanleiding van ons bezoek aan uw bedrijf willen wij graag kort per e-mail bevestiging ontvangen van de bevindingen die u destijds hebt vastgesteld bij de BMW X6 (kenteken [kentekennummer]).
Het gaat hierbij uitsluitend om de volgende punten:
Dat er mechanische schade aan de motor is geconstateerd, vermoedelijk aan de drijfstanglagers;
(…)
(…)
Dat het aangetroffen oliefilters niet origineel (OEM) was en in een sterk verouderde staat verkeerde, wat niet overeenkomt met recent onderhoud volgens het boekje.
(…)”
2.14.
Hierop heeft [autobedrijf] per e-mail geantwoord:
“De 4 punten worden met: ja beantwoord.”

3.Het geschil

bij verstek
3.1.
[geopposeerde] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [opposant] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 14.915,00, vermeerderd met wettelijke rente, dan wel de wettelijke handelsrente en [opposant] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
3.2.
Bij voornoemd verstekvonnis heeft de kantonrechter de vordering van [geopposeerde] toegewezen.
bij verzet
3.3.
[opposant] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [opposant] zal ontheffen van de veroordeling van het verstekvonnis van 1 oktober 2025 en [geopposeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in het gevorderde, dan wel het gevorderde af zal wijzen en [geopposeerde] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.4.
[geopposeerde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [opposant] , met veroordeling van [opposant] in de proceskosten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vooropgesteld wordt dat [opposant] tijdig en op de juiste manier verzet heeft ingesteld. Daarom zullen hierna de vorderingen van [geopposeerde] opnieuw worden beoordeeld.
4.2.
Partijen verschillen allereerst van mening over de vraag of [geopposeerde] de overeenkomst met [opposant] in de uitoefening van zijn bedrijf (de eenmanszaak ‘[bedrijf geopposeerde]’) of als consument heeft gesloten. Dat is relevant omdat de consumentbeschermende bepalingen van titel 1 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) alleen van toepassing zijn als sprake is van een consumentenkoop.
4.3.
[geopposeerde] stelt dat hij bij het aangaan van de overeenkomst als consument heeft gehandeld. Die stelling valt echter niet te rijmen met de factuur van 8 april 2024. In de tenaamstelling van deze factuur is uitdrukkelijk de eenmanszaak van [geopposeerde] vermeld. Omdat [geopposeerde] de factuur heeft ondertekend, levert het in de factuur vermelde op grond van artikel 157 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dwingend bewijs op. Dit betekent dat er voorshands van moet worden uitgegaan dat [geopposeerde] de koopovereenkomst in de uitoefening van zijn bedrijf is aangegaan. Tegen dit voorshands oordeel staat tegenbewijs open maar [geopposeerde] heeft onvoldoende gesteld om te worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Het enkele feit dat [geopposeerde] de auto van zijn privérekening heeft betaald, is daarvoor in elk geval niet genoeg. Ook blijkt uit het feit dat het kenteken van de auto op naam van [geopposeerde] in privé is overgeschreven, niet dat [geopposeerde] daarom de koopovereenkomst als consument met [opposant] is aangegaan. Het is immers niet mogelijk om een kenteken op naam van een eenmanszaak over te schrijven. Uitgangspunt is dan ook dat [geopposeerde] de koopovereenkomst in de uitoefening van zijn bedrijf is aangegaan. De consumentbeschermende bepalingen van titel 1 van boek 7 van het BW zijn in dit geval dus niet van toepassing.
4.4.
[opposant] heeft aangevoerd dat [geopposeerde] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat zijn vorderingen moeten worden afgewezen omdat [geopposeerde] de dagvaarding heeft uitgebracht terwijl niet hij, maar zijn eenmanszaak de koopovereenkomst met [opposant] heeft gesloten. Dit verweer faalt. Een eenmanszaak heeft immers geen afgescheiden vermogen en is geen aparte entiteit. [bedrijf geopposeerde] is alleen een handelsnaam waaronder [geopposeerde] handelt. Het niet vermelden van deze handelsnaam in de dagvaarding leidt dus niet tot niet-ontvankelijkheid van [geopposeerde] of tot afwijzing van zijn vorderingen.
4.5.
Kern van het geschil is de vraag of [opposant] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [geopposeerde] omdat de auto, zoals [geopposeerde] kennelijk stelt, ten tijde van de aflevering niet aan de koopovereenkomst beantwoordde.
4.6.
Op grond van artikel 7:17 lid 2 BW Pro beantwoordt een afgeleverde zaak (in dit geval de auto) niet aan de koopovereenkomst als de zaak, mede gelet op de aard daarvan en de mededelingen die de verkoper daarover heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag in elk geval verwachten dat het afgeleverde de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.
4.7.
Allereerst moet worden beoordeeld wat [geopposeerde] bij de aankoop van de auto mocht verwachten. Omdat het in dit geval gaat om een tweedehands auto, moet [geopposeerde] accepteren dat zich op een zeker moment bepaalde gebreken aan de auto kunnen voordoen. Dit geldt temeer omdat [opposant] volgens de factuur van 8 april 2024 garantie heeft uitgesloten en de auto heeft verkocht zoals gezien en bereden. [geopposeerde] hoefde echter, mede gelet op de hoogte van de koopsom die volgens de factuur van 8 april 2024 € 16.900,00 bedraagt, geen gebreken te verwachten waardoor hij kort na de levering niet op een veilige manier met de auto aan het verkeer kon deelnemen. In dit geval is sprake van een gebrek aan de motor waardoor plotseling niet meer met de auto kon worden gereden. Dit is een gebrek dat een gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert. Het is immers evident dat wanneer een auto tijdens het rijden ineens stil komt te staan, die auto niet veilig kan deelnemen aan het verkeer. Dit gebrek staat aan een normaal gebruik van de auto in de weg.
4.8.
Vervolgens is de vraag aan de orde of (de oorzaak van) het gebrek aan de motor van de auto reeds aanwezig was ten tijde van de aflevering. Als (de oorzaak van) het gebrek aan de motor pas na aflevering van de auto is ontstaan, is namelijk geen sprake van non-conformiteit als bedoeld in artikel 7:17 lid 2 BW Pro.
4.9.
[opposant] betwist dat het gebrek aan de motor al bij aflevering aanwezig was. Zij voert daartoe aan dat zij de auto in goede technische staat heeft afgeleverd en dat de auto voorafgaand aan de levering APK goedgekeurd was. Volgens [opposant] kan niet worden uitgesloten dat de schade aan de auto is ontstaan door het handelen van Car Services Harderwijk tijdens de door haar verrichte kleine beurt. Daarbij heeft zij de olie ververst en het oliefilter vervangen. Tijdens het nadien door [autobedrijf] verrichte onderzoek is echter een ander oliefilter aangetroffen dan door Car Services Harderwijk is geregistreerd en verkeerde het oliefilter bovendien in een sterk verouderde staat. Volgens [opposant] is het bovendien niet mogelijk om met een reeds defecte drijfstanglager nog 15.000 kilometer te rijden.
4.10.
Waar het [geopposeerde] is die stelt dat het gebrek aan de motor reeds bij aflevering aanwezig was, lag het op zijn weg om die stelling, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [opposant] , te onderbouwen. [geopposeerde] heeft dat onvoldoende gedaan. Het enkel verwijzen naar de (summiere) verklaring van 29 april 2025 van Car Service Harderwijk is daarvoor in elk geval niet genoeg. Daarin wordt slechts vermeld dat bij het openhalen van het motorblok gebreken zijn geconstateerd die al veel langer aanwezig moesten zijn. Een verdere toelichting daarop ontbreekt. Het is daarom niet duidelijk op welke gebreken Car Services Harderwijk precies doelt en waarom deze gebreken al voor aflevering van de auto aanwezig moeten zijn geweest. Ook is niet toegelicht hoe het mogelijk is dat de auto sinds de aflevering nog 15.000 kilometer heeft kunnen rijden als (de oorzaak van) het gebrek aan de motor bij aflevering al aanwezig was. [geopposeerde] is voorts niet ingegaan op de bevindingen van [autobedrijf] dat in de auto geen origineel oliefilter is aangetroffen en dat het oliefilter in sterk verouderde staat verkeerde terwijl het oliefilter kort daarvoor nog was vervangen door Car Services Harderwijk. Door [geopposeerde] zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht of stukken overgelegd waaruit blijkt dat het gebrek aan de motor reeds bij aflevering van de auto aanwezig was. [geopposeerde] heeft zijn stellingen daarmee onvoldoende onderbouwd. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.
4.11.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is vast komen te staan dat [opposant] een non-conforme auto aan [geopposeerde] heeft verkocht en geleverd. Van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst is daarom geen sprake.
4.12.
[geopposeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling subsidiair aangevoerd dat [opposant] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aansprakelijk is voor de gevorderde schade. Zonder verdere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat [opposant] de schade aan de motor en de kosten voor vervangend vervoer moet betalen. Dit beroep faalt derhalve.
4.13.
De slotsom is dat de vorderingen van [geopposeerde] moeten worden afgewezen omdat voor toewijzing daarvan geen grondslag is gebleken. Het verzet is derhalve gegrond. De kantonrechter zal het verstekvonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen zoals hierna in de beslissing is vermeld.
4.14.
[geopposeerde] zal zowel in de verstekprocedure als in de verzetprocedure als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De proceskosten in de verstekprocedure worden vastgesteld op nihil.
De proceskosten in de verzetprocedure worden vastgesteld en begroot op:
- explootkosten € 146,14
- salaris gemachtigde € 432,00 (1 punt x € 432,00)
- nakosten €
144,00(vermeerderd met de kosten van betekening)
Totaal € 722,14

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
vernietigt het verstekvonnis van 1 oktober 2025 van de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Zutphen (11723993 \ CV EXPL 25-1659),
en opnieuw rechtdoende:
5.2.
wijst de vordering af,
5.3.
veroordeelt [geopposeerde] in de proceskosten van de verstekprocedure, tot deze uitspraak aan de kant van [opposant] vastgesteld op nihil,
5.4.
veroordeelt [geopposeerde] in de proceskosten van de verzetprocedure, tot deze uitspraak aan de kant van [opposant] vastgesteld op € 722,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [geopposeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [geopposeerde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.F. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
lt