Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2397

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
12001424
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 sub e BWArt. 7:671b lid 9 BWArt. 7:673 lid 7 sub c BWArt. 7:761b lid 9 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen ambtenaar Belastingdienst

De Staat der Nederlanden verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een ambtenaar van de Belastingdienst wegens ernstig verwijtbaar handelen. De ambtenaar heeft zich schuldig gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag, waaronder beledigende en bedreigende uitlatingen aan collega’s en politieagenten, zowel binnen als buiten werktijd.

De kantonrechter stelt vast dat de ambtenaar meerdere officiële waarschuwingen en een berisping heeft ontvangen, maar haar gedrag niet heeft aangepast. Uit diverse e-mails, WhatsApp-berichten en gespreksverslagen blijkt dat de ambtenaar zich onrespectvol en intimiderend opstelt, wat door collega’s als bedreigend wordt ervaren.

De gedragingen zijn in strijd met de Ambtenarenwet 2017 en de Gedragscode Integriteit Rijk, die een hoge mate van integriteit en respectvol gedrag van ambtenaren verlangen. De kantonrechter oordeelt dat het gedrag ernstig verwijtbaar is en ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 27 maart 2026 gerechtvaardigd is.

Daarnaast wordt vastgesteld dat de ambtenaar geen recht heeft op een transitievergoeding vanwege het ernstig verwijtbaar handelen. De ambtenaar wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.144,00, te vermeerderen met kosten van betekening indien niet tijdig betaald.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 27 maart 2026 wegens ernstig verwijtbaar handelen zonder recht op transitievergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: 12001424 \ HA VERZ 25-193
Beschikking van 26 maart 2026
in de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
te Den Haag,
verzoekende partij,
hierna te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. M.C. Nijholt,
tegen
[naam verweerder],
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 5 december 2025 met producties 1 tot en met 55.
1.2.
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 januari 2026.
1.3.
De brief van de gemachtigde van de Staat van 16 februari 2026 met producties 57 tot en met 61.
1.4.
De mondelinge behandeling van 26 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.5.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De Staat is een publiekrechtelijke rechtspersoon. Een onderdeel van de Staat is de
Rijksoverheid. De Rijksoverheid bestaat uit vijftien ministeries, waaronder het ministerie
van Financiën. De ministeries zijn belast met de voorbereiding van wetgeving en het
ontwikkelen van beleid. Daarnaast zijn er nog een aantal uitvoeringsorganisaties, die
belast zijn met de uitvoering van wet- en regelgeving.
2.2.
De uitvoeringsorganisatie Belastingdienst is een integraal onderdeel van het ministerie van Financiën. De Belastingdienst is belast met de heffing, controle en inning van rijksbelastingen, controle op diverse wetgeving op het gebied van goederen, economische ordening en financiële integriteit, en de toekenning van en controle op inkomensafhankelijke toeslagen. Ten slotte is de Belastingdienst ook belast met de opsporing van strafbare feiten op de hiervoor genoemde terreinen.
2.3.
[verweerder] , geboren [geboortedatum] , is op 1 juli 2014 aangesteld als ambtenaar van de Belastingdienst. De ambtelijke aanstelling van [verweerder] is per 1 januari 2020 van rechtswege omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De functie van [verweerder] is Behandelfunctionaris (groepsfunctionaris E) met een loon van laatstelijk € 4.340,57 bruto per maand.
2.4.
[verweerder] is sinds 2019 werkzaam voor de directie Midden- en kleinbedrijf
(hierna: MKB) van het directoraat-generaal Belastingdienst. Deze directie is
verantwoordelijk voor de heffing, controle en inning van de belastingen die kleine en
middelgrote bedrijven moeten betalen. [verweerder] verricht haar werkzaamheden
gewoonlijk vanaf het kantoor aan de [adres] . Zij is
groepsfunctionaris E, medewerker bezwaar binnen de inkomensheffing (hierna: IH). Tot
november 2023 heeft zij ook fraudeposten behandeld als onderdeel van haar
werkzaamheden als medewerker bezwaar.
2.5.
[verweerder] zit vanaf 2021 in een moeilijke privésituatie. Haar zoon [de zoon] verbleef in een gesloten jeugdzorginstelling van JeugdzorgPlus. Daarnaast is sprake (geweest) van een vechtscheiding en financiële problemen.
2.6.
Per 17 november 2023 meldt [verweerder] zich ziek.
2.7.
Op 17 januari 2024 stelt de bedrijfsarts [arts] een probleemanalyse op. Daarin staat dat [verweerder] door een combinatie van werk- en privé-gerelateerde omstandigheden is uitgevallen. Voorts geeft de bedrijfsarts aan dat er vanwege werk- en privé-situatie gekeken wordt naar alternatieve functies binnen de Belastingdienst.
2.8.
op 22 mei 2024 vindt een gesprek plaats tussen [verweerder] en [medewerker 1] (hierna: [medewerker 1] ) en [adviseur belastingdienst] (hierna: [adviseur belastingdienst] ), adviseur arbeidsjuridische zaken Belastingdienst. In het gesprekverslag staat onder meer het volgende:
“ [medewerker 2] vraagt ook om de communicatie open en respectvol te houden. [verweerder] komt soms wat agressief of minder respectvol over in haar mails. [verweerder] geeft aan dat dat voortkomt uit ervaringen in het verleden in haar privésituatie en omdat zij er van uit ging dat [medewerker 2] en [medewerker 3] twee handen op één buik waren.(…)Afgesproken wordt om vanaf nu open te communiceren en direct te reageren als er iets gevraagd wordt. Ook als het niet helemaal duidelijk is, of als er vragen over zijn: meteen navragen hoe het zit en niet zelf invullen! (…) [medewerker 2] vraagt [verweerder] om haar privé-verhalen thuis te laten, en er niet met collega's over te praten. Voor de problemen die [verweerder] heeft, is professionele hulp beschikbaar. (…) [verweerder] geeft aan dat ze met [medewerker 4] van Meldpunt Agressie en Geweld gesprekken heeft en dat bevalt goed. De vraag is of dat helemaal de bedoeling is, maar in ieder geval wordt ook een Balans & Impuls traject z.s.m. ingezet (mede n.a.v. advies van de bedrijfsarts). [verweerder] wil dit ook graag en [medewerker 2] gaat er achteraan om dit z.s.m. in gang te zetten. Ook wordt gevraagd geen collega's meer van het werk te houden, door verschillende teams zijn deze klachten namelijk geuit. (…) [verweerder] heeft in haar mails meerdere malen aangegeven dat zij een andere onafhankelijke teamleider wil. [medewerker 5] vraagt of dit nu ook nog aan de orde is, nu we met elkaar gesproken hebben over een aantal kwesties en de lucht geklaard hebben? De wens voor een ander manager kwam voort uit de relatie met [medewerker 3] die verstoord was en het idee dat bij [verweerder] leefde dat [medewerker 2] niet onafhankelijk zou zijn. Dat is nu opgehelderd en van tafel. [medewerker 2] is en blijft nu de formeel leidinggevende van [verweerder] en [medewerker 6] is de functioneel leidinggevende van [verweerder] bij team TOT.
2.9.
In reactie op een gespreksverslag van 24 juli 2024 van [medewerker 6] (hierna: [medewerker 6] ), teamleider Team Ondersteuning Toezicht (hierna: TOT) en functioneel leidinggevende van [verweerder] , heeft [verweerder] het volgende aan:
“Wellicht kun je ook anderen aanspreken op ‘enkel zakelijke conversaties zijn toegestaan’? Niet alleen mij! Dit voelt echt weer als: ik zoek naar nog een stok om je mee te slaan en dat vind ik ongepast. Zeker dat je aanhaalt: “Ook in gesprek met mij”. Dat voelt zo ontzettend als een mes in mijn rug. Ik probeer juist jou, de teamleidster duidelijk te maken. Met een heel beknopte toelichting. Dat er op dit moment enorm veel speelt in mijn leven. Met als enige doel. Houd daar ajb rekening mee. Van mij? Hoor je geen persoonlijke noot meer. Geen enkele. Als je zo reageert? Nooit meer! (…) Wat een uitsmijter zeg! Ik heb je juist om die reden mijn situatie toegelicht. Waarin ik nu zit. Met ziekte en een reïntegratietraject, uitzinnig belastende privé-omstandigheden. En dan dit. Ik doe er het zwijgen toe. Waarschijnlijk is jou nu meer dan voldoende duidelijk waarom ik die keuze maak nu. Zwijgrecht.”
2.10.
Bij e-mailbericht van 30 oktober 2024 geeft [verweerder] aan dat zij het niet eens is met de adviezen van de bedrijfsarts. In de brief staat onder meer het volgende:
“Hiermee informeer ik u dat ik mij in het geschetste beeld in de rapportage van 14 oktober 2024 (zie de bijlage die ik op 17 oktober jl. ontving) die door u is opgesteld absoluut niet herken. Inmiddels zie ik mijzelf op dit moment als fulltime beschikbaar, in de eigen functie van bezwaarbehandelaar bij de Belastingdienst. Ik beschouw mijzelf niet beperkt voor mijn eigen functie qua functionele mogelijkheden.”
2.11.
Op 11 november 2024 vindt een gesprek plaats tussen [verweerder] en [medewerker 1] en [re-integratieadviseur] (re-integratieadviseur). In het gespreksverslag staat onder meer het volgende:
“ [medewerker 2] en [re-integratieadviseur] geven op meerdere momenten aan wat de mogelijkheden zijn als [verweerder] het niet
eens is en wat zij daarvoor moet doen;
  • Second opinion aanvragen
  • Deskundige oordeel van UWV
[verweerder] geeft aan hierop geen actie ondernemen omdat ze van mening is hersteld te zijn. (…)
Wij hebben haar geschetst dat nav het advies van de bedrijfsarts, ze weer volledig ziek gemeld zal
worden. [verweerder] blijft bij haar standpunt volledig hersteld te zijn: “ik meld me beter, en verder zoeken jullie het maar uit”. [verweerder] geeft aan ook niet mee te willen werken aan het invullen van (bijstellen) plan van aanpak.
Er is geen ruimte voor een gesprek. Ik heb de houding en toon van [verweerder] als vijandig en boos ervaren. Daarop heeft [re-integratieadviseur] het gesprek beëindigd om verdere escalatie te voorkomen.”
2.12.
In reactie hierop stuurt [verweerder] 14 november 2024 een e-mailbericht naar onder meer [medewerker 1] en [medewerker 7] (hierna: [medewerker 7] ), regiodirecteur Belastingdienst MKB, met daarin onder meer het volgende:
“Dit merk ik aan als een schending van de integriteit die je als medewerker van de Belastingdienst, overheidsfunctionaris behoort te koesteren. Voor alle nadelige gevolgen die deze door jou met [medewerker 7] afgestemde actie voor mij heeft, stel ik jou én [re-integratieadviseur] uitdrukkelijk verantwoordelijk en aansprakelijk. (…) Dit alles getuigt van zoveel onprofessioneel handelen van jouw zijde en van een totaal gebrek aan enige menselijke maat in de behandeling van werknemers dat ik mij genoodzaakt zie om dit alles af te stemmen met jouw leidinggevende, [medewerker 7] . Teneinde verdere escalatie te voorkomen. (…) Ter voorkoming van dit soort praktijken in de toekomst (…)
bespreek ik dit alles dan ook heel graag met jouw leidinggevende. Zo ga je immers niet met mensen om en deze handelwijze die jij laat zien is zeker niet passend voor een overheidsorganisatie die 'de menselijke maat' hoog in het vaandel houdt. (…) Door alle spanningen die jij wederom oproept in mijn 'ziekte'dossier vind ik het uiterst lastig om aan allerhande administratieve verplichtingen te
voldoen. Reeds eerder meldde ik jou al, dat het registreren van uren voor mij inhoudt dat ik moet
terugblikken op een door mij ervaren vijandigheid van [medewerker 3] , van jou en nu ook van
[re-integratieadviseur] . Enkel dat is de reden dat ik niet graag terugga in de tijd. (…) De volgende keer dat wij elkaar spreken verwacht ik van je dat je eindelijk duiding geeft aan jouw beweegredenen. Bereid je daar op voor. Ik accepteer geen ontwijkende antwoorden meer (…)
2.13.
Op 4 december 2024 stuurt [medewerker 7] per brief een officiële waarschuwing naar [verweerder] , waarin [verweerder] wordt opgedragen om mee te werken aan haar re-integratieverplichtingen.
2.14.
[verweerder] vraagt op 11 december 2024 een deskundigenoordeel aan bij het UWV omtrent haar arbeidsongeschiktheid. In het deskundigenoordeel van 4 juli 2025 staat onder meer het volgende:
“U vindt dat u uw eigen werk op 14 oktober 2024 gewoon kon doen. Uw werkgever vindt dat
u uw eigen werk niet kon doen. Ons oordeel is dat u uw eigen werk op 14 oktober 2024
inderdaad kon doen.”
2.15.
Op 23 december 2024 stuurt [verweerder] een e-mailbericht naar [medewerker 1] en [medewerker 7] met daarin onder meer het volgende:
“Jouw gehele houding zoals je die nu al een jaar hebt aangenomen, heeft mij doen inzien dat jij
werkelijk niet past binnen de dienst. Ik zie juist van jou uit enkel intimiderend gedrag en ongekende,
alle grenzen overschrijdende bedreigingen aan mijn adres. (…) Kennelijk heb jij het je in je loopbaan zeer goed eigen gemaakt om anderen om jou heen te verzamelen en aldus flink tekeer te gaan tegen diegenen waar jij als teamleidster voor op dient te komen. (…)Dit alles heeft dermate ernstige impact in mijn leven dat ik jouin persoonbij dezen aansprakelijk stel voor alle financiële, fysieke én emotionele schade die jij mij aandeed, aandoet en vermoedelijk denkt te kunnen blijven aandoen. (…) Ik ben verbijsterd doch niet met stomheid geslagen hoe lang jouw wangedrag wordt getolereerd én
ondersteund door enkele collega's -waaronder [medewerker 7] - in deze organisatie. Gaat er van jou dan werkelijk zo een angstcultuur uit? Zijn medewerkers zo bang voor jou? Dan wordt het hoog tijd, dat jij vertrekt. (…)
De strafbare gedragingen die ik constateer (onder meer) zijn te duiden als:
- misbruik maken van het recht en ons rechtssysteem
- oplichting, door een web van leugens te spinnen waar jij als een grote spin steeds meer garen in
spint
- knevelarij, door mij emotioneel en financieel onder druk te zetten
- valsheid in geschrifte, door mij ten onrechte ziek te melden.”
2.16.
Op 23 januari 2025 stuurt [verweerder] een e-mailbericht naar [medewerker 7] met daarin onder meer het volgende:
“Mij, op eigen initiatief. Bekend is, gezien de tijdlijn dat dit puur een lelijke actie van [medewerker 2] is. De
aangekondigde dreigende loonsanctie, jouw brief. Van 4 december 2024. (…) Weet waarmee je bezig bent. Als je dit soort zaken ondersteunt.”
2.17.
Op 29 januari 2025 stuurt [medewerker 7] een brief naar [verweerder] met daarin onder meer het volgende:
“Op 23 januari 2025 had u een afspraak met ondergetekende en uw leidinggevende/ casemanager, mevrouw [medewerker 1] (…) U bent zonder enige aankondiging of vermelding van reden niet verschenen op deze afspraak. Meer dan een half uur te laat kwam ik u tegen in de gang van kantoor [adres] . U wilde alsnog in gesprek, maar ik heb u aangegeven dat mijn agenda het op dat moment niet meer toeliet om nog uitgebreid met elkaar te spreken. U gaf aan slechts kort nodig te hebben voor een gesprek, maar gezien de aanleiding voor het gesprek, te weten uw eerder aan mij aangegeven klacht over mevrouw [medewerker 1] , was een gesprek van een paar minuten niet reëel. (…) Op mij komt de toon van uw e-mailbericht agressief en dreigend over. U lijkt te
insinueren dat mevrouw [medewerker 1] een aandeel zou hebben in de dood van deze collega in 2020. Dit is een volstrekt ontoelaatbare insinuatie. U mag uiteraard uw visie vermelden, maar uw toon en insinuaties in deze e- mail zijn uiterst ongepast.
Het is niet de eerste keer dat mevrouw [medewerker 1] en ik (e-mail) berichten met een dergelijke agressieve en dreigende toon van u ontvangen. Op 22 mei 2024 is in gesprek met u aangegeven dat u soms wat agressief of minder respectvol overkomt in uw mails. Er is u verzocht om de communicatie open en respectvol te houden. Toch heeft u naast bovenstaande e-mail recent
ook onderstaande teksten verstuurd. (…) U wordt geacht zich te gedragen als een goed ambtenaar betaamt. Als ambtenaar wordt van u verwacht dat u op een respectvolle manier omgaat met anderen,
zowel in uw contacten binnen als buiten de organisatie zoals volgt uit artikel 6.1 van de Gedragscode Integriteit Rijk. Uitlatingen over uw leidinggevende en andere medewerkers van de Belastingdienst met terminologie als 'leugenachtig', 'gifbeker', 'oplichting', 'knevelarij', 'valsheid in geschrifte', 'Je bent te ver gegaan! Zoiets doe je niet!' en 'Hoe onmenselijk en wreed ben jij eigenlijk?' worden niet
geaccepteerd. U bezigt daarmee termen die niet respectvol zijn. Bovendien beschuldigt u mevrouw [medewerker 1] van allerlei strafbare gedragingen en wangedrag en intimiderende bedreigingen. Ook hiermee laat u een gebrek aan respect zien voor uw leidinggevende. Ik vind dat u zich zo niet tegenover een leidinggevende mag opstellen. Het is u toegestaan om uw frustraties te uiten, maar daarbij dient u dat wel op een respectvolle manier te doen.
Gezien bovenstaande zie ik mij genoodzaakt u bij deze te waarschuwen dat dergelijk gedrag en uitlatingen niet getolereerd worden. Ik verwacht van u dat u zich gedraagt zoals van een professionele medewerker verwacht mag worden, op tijd verschijnt op afspraken en dat u op een respectvolle wijze omgaat met uw collega's, leidinggevenden of andere medewerkers en zich nooit meer uitlaat op de wijze zoals hierboven beschreven. Mocht u zich in de toekomst toch weer op een
dergelijke manier uitlaten, ben ik genoodzaakt om verdere stappen te ondernemen. Ik ga ervan uit dat u het niet zover laat komen.”
2.18.
Op 20 maart 2025 vindt een gesprek plaats tussen [verweerder] , [medewerker 7] en [adviseur belastingdienst] . In het gesprekverslag van dit overleg staat onder meer het volgende:
“ [medewerker 7] leidt vervolgens het gesprek in door aan te geven dat hij eerder al twee (goede) gesprekken
gehad heeft met [verweerder] , hierover hadden beiden een goed gevoel.
In deze gesprekken (d.d. 21-10-2024 en 18-11-2024) heeft [verweerder] haar verleden en achtergrond met [medewerker 7] gedeeld. [medewerker 7] heeft toen aangegeven dat het goed zou zijn als ze hier mee aan de slag zou gaan om ervoor te zorgen dat het gedrag dat ze vertoont (wat in het werk niet acceptabel is) ophoudt. Dit wordt erkend door [verweerder] en zij geeft aan dat zij vandaaruit het traject bij Balans & Impuls is aangegaan met [medewerker 8] als begeleider/behandelaar.
[medewerker 7] geeft vervolgens aan dat dit aan het gedrag dat [verweerder] laat zien (nog) niet te merken is; zij
toont nog steeds veel gedrag dat onacceptabel is. Sterker nog, het lijkt alleen maar slechter te
gaan. [medewerker 7] geeft aan dat hij haar daarom toch een brief gestuurd heeft met daarin de
waarschuwing dat dit gedrag moet stoppen. [verweerder] zegt dat dankzij [medewerker 8] haar gedrag minder erg
verslechterd is, gezien haar huidige situatie zou het zonder begeleiding van [medewerker 8] nóg erger zijn. (…) [medewerker 7] probeert uit te leggen dat de brief met wijzen op re-integratieverplichtingen los staat van de gesprekken die hij met [verweerder] gevoerd heeft over haar (niet passende en agressieve) gedrag en
haar klacht over [medewerker 2] , maar [verweerder] ziet dat als één geheel. Zij is van mening dat ze de regie moet
voeren over haar eigen leven, en dat voor haar soms de aanval de beste verdediging is, zij is erg
autonoom, zegt ze. [verweerder] geeft aan dat dit komt door de reacties van andere mensen; als mensen
dingen doen die volgens haar niet kunnen, vertoont ze dit gedrag. (…) [medewerker 7] heeft vervolgens aangegeven dat [verweerder] tot nu toe niet meewerkt aan haar re-integratie en waarschuwt [verweerder] dat als ze dit niet gaat doen, hij genoodzaakt is haar een loonstop op te leggen. (…) De hele sfeer in het gesprek en de toon van [verweerder] is alles behalve prettig. [verweerder] is scherp van tong en er komen allerlei beschuldigingen en bedreigingen vanuit [verweerder] over de manier waarop er vanuit de werkgever met haar omgegaan wordt en hoe zij daarop reageert. Zij voelt zich bedreigd en onheus behandeld, knevelarij noemt ze het en emotionele mishandeling. Ze zegt dat zij net zo omgaat met de ander als hoe zij zelf behandeld wordt. Enkele voorbeelden hiervan zijn woordelijk opgetekend:
[verweerder] : Ik zou je adviseren om ook aan je loopbaan te denken, [medewerker 7] , ik vind dat je je abominabel
gedraagt. [medewerker 7] : ik wil je helpen! [verweerder] : Jij wil me helemaal niet helpen, jij wil me in de vernieling
helpen.
Over de manier waarop zij [medewerker 9] van het COB lastigvalt met telefoontjes midden in de nacht
en daarna de mails en apps die hij ontvangt van haar, zegt [verweerder] dat ze alleen maar zijn voicemail
wilde afluisteren voor een telefoonnummer dat ze nodig had. Hij had hier geen probleem van
hoeven maken en ze zegt kort: "jij brengt alleen maar meer problemen op, bedankt [medewerker 9] !"
[medewerker 7] en [medewerker 5] proberen duidelijk te maken dat de manier waarop [verweerder] met de wereld om haar
heen omgaat echt niet acceptabel is.”
2.19.
Op 10 april 2025 stuurt [medewerker 10] (hierna: [medewerker 10] ), algemeen directeur MKB, een brief naar [verweerder] , waarin hij aangeeft dat hij voornemens is om [verweerder] te berispen. In de brief staat onder meer het volgende:
“Op 20 maart 2025 heeft u een gesprek gevoerd (…). Bovengenoemd gesprek was bedoeld om uw re-integratie en uw houding en gedrag te bespreken. In dit gesprek was uw houding en gedrag niet acceptabel en in deze brief maak ik mijn bevindingen en de voorgenomen straf aan u kenbaar. (…) In het gesprek van 20 maart 2025 met de heer [medewerker 7] en mevrouw [adviseur belastingdienst] hebt u meerdere uitlatingen gedaan die bedreigend en agressief overkomen en ontoelaatbaar zijn. De sfeer in het gesprek en uw toon was zeer vijandig. U hebt allerlei beschuldigingen en bedreigingen geuit over de manier waarop er volgens u vanuit de werkgever met u omgegaan wordt. Enkele voorbeelden zijn:
- U hebt tegen de heer [medewerker 7] gezegd; Ik zou je adviseren om ook aan je loopbaan te denken, [medewerker 7] , ik vind dat je je abominabel gedraagt. [medewerker 7] : "Ik wil je helpen!" [verweerder] : "Jij wil me helemaal niet helpen, jij wil me in de vernieling helpen. "
- "Jij praat net als een crimineel. Ik ben tegen criminelen net zo fel als tegen jou nu. Pest mij niet weg. Ik zou je adviseren nog een paar cursussen "vooringenomenheid, daar doen we niet aan" te volgen".
- Over uw casemanager zegt u: "Een teamleider die je bewust in de financiële shit douwt, die is niet te vertrouwen. Hoe denk je dat te kunnen verantwoorden voor een rechter, [medewerker 7] ? Met die boodschap laat ik jou achter. En ik zou je ook adviseren: denk ook aan je eigen loopbaan!"
De heer [medewerker 7] heeft u in het gesprek onder andere aangesproken op uw talloze telefoontjes en berichten aan het adres van [medewerker 9] , teamleider Collegiaal Opvangteam Belastingdienst (COB). De heer [medewerker 9] zegt al sinds september 2024 zeer regelmatig door u gebeld te worden, vaak ook buiten kantooruren, midden in de nacht en het weekend. De aard van uw meldingen is overwegend privé-gerelateerd en hoort daarom niet thuis bij het COB. De heer [medewerker 9] heeft dit meerdere malen aan u verteld, u volhardt echter in het 's nachts en in het weekend bellen. Op 30 januari 2025 heeft de heer [medewerker 9] aan u gemaild dat hij, in de diverse gesprekken die u met elkaar gevoerd hebt, u heeft verteld dat de vorm van collegiale opvang die de collega's van het Collegiaal Opvangteam kunnen
bieden voor u niet passend is. De situatie waarin u zich bevindt, is uitermate complex en duurt voort en gaat de expertise van het COB voorbij. De heer [medewerker 9] heeft aangegeven dat hij uw telefoontjes inmiddels als lastig vallen ervaart en u gevraagd te stoppen met bellen naar het COB in het algemeen en hemzelf in het bijzonder.
Desondanks hebt u op 5 maart 2025 en op 11 maart 2025 toch weer geprobeerd telefonisch contact op te nemen met de heer [medewerker 9] . Hij heeft u naar aanleiding van deze belpogingen een bericht gestuurd waarin hij u er nogmaals op wijst dat u met uw complexe problematiek bij het COB aan het verkeerde adres bent. Hierop hebt u op een buitensporige en grensoverschrijdende manier gereageerd met een aantal lange WhatsApp berichten met allerlei vuilspuiterij en 4 verschillende links naar nummers in Spotify die u blijkbaar toepasselijk acht, zoals "Backstabber" van The O'Jays en "Lose yourself" van Eminem. Enkele zinsneden uit uw app-berichten zijn:
- "Echt…. collegiale ondersteuning! WAARDELOOS! Dus. Fundamenteel rot! En compleet ongeschikt! Denk daar maar eens over na!"
- “ [medewerker 9] , bedankt! Jou zet ik op de zwarte lijst. Nooit meer steun bij zoeken! Dag!!!”
- "Ga weg! Bij mij! Totaal niet geschikt jij! Om onze veiligheid te borgen! Mafkees! U wouldn't catch a body if it fainted!"
- "Serieus . wie denk jij dat je bent!!! Na dat laffe zelfzuchtige gebledder..... Nog de arrogantie dat ik steun zou zoeken bij JOU? Hoe arrogant ben jij!"
- "Deze teamleidster. .. in de wandelgangen staat ze bekend als 'verzamelt mensen om zich heen om individuele werknemers aan te vallen '. En jij? Laat je uit vrije wil voor haar karretje spannen? De wereld op zijn kop [medewerker 9] . "
- "Ik zeg. FOEI! Ik weiger te geloven dat iedereen daar zo is als jij! Bemoei je niet meer met mij. [medewerker 2] handel ik zelf af. "
In het gesprek van 20 maart jl. verklaart u over uw houding en gedrag het volgende: uw privé-omstandigheden zijn sinds lange tijd complex, erg stressvol en traumatisch. U voelt zich onheus bejegend en bedreigd. U bent van mening dat u de regie moet voeren over uw eigen leven, en dat voor u soms de aanval de beste verdediging is. U geeft aan dat u erg autonoom bent. U geeft aan dat uw gedrag voortkomt uit reactie op de gedragingen van andere mensen; als mensen dingen
doen die volgens u niet kunnen, vertoont u dit gedrag. (…) In de Ambtenarenwet 2017 en de Gedragscode Integriteit Rijk (GIR) is een rijksbreed kader opgenomen voor wat betreft integer handelen. In artikel 6, eerste lid, van de Ambtenarenwet 2017 staat:
"De ambtenaar is gehouden de bij of krachtens de wet op hem rustende en uit zijn functie voortvloeiende verplichtingen te vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. "
In de GIR staat wat onder integriteit wordt verstaan. In hoofdstuk 6.1 van de GIR
('Omgangsvormen') is opgenomen: "Gewenst gedrag: respectvol, fatsoenlijk en collegiaal
Als ambtenaar wordt van je verwacht datje op een respectvolle manier omgaat met anderen, zowel in je contacten binnen als buiten de organisatie. Dat betekent dat je de ander serieus neemt, naar elkaar luistert en fatsoenlijk met elkaar omgaat. [...]"
Naast de bepalingen uit de Ambtenarenwet 2017 en de GIR zijn ook het Personeelsreglement ministerie van Financiën personeelsreglement (o.a. Hoofdstuk 13, Goed en Integer handelen) en de CAO Rijk (waaronder hoofdstuk 15, ordemaatregelen en straffen) van toepassing.
In hoofdstuk 15 van de CAO Rijk is bij straffen onder andere vastgelegd: "U moet zich als een goed ambtenaar gedragen. Dat betekent dat van u ambtelijk vakmanschap wordt verwacht en dat u uw werk goed, betrokken en gewetensvol doet en u zich houdt aan de regels. Als u toch iets doet wat niet mag of juist niets doet terwijl u wel iets had moeten doen, kan uw werkgever u een straf opleggen.” (…) Gelet op de genoemde feiten en omstandigheden en de geldende regelgeving kom
ik tot de volgende bevindingen.
Het staat vast dat uw houding en gedrag vijandig is en dat u zich regelmatig en ondanks schriftelijke en mondelinge waarschuwingen op onfatsoenlijke wijze en bedreigend uit en niet op een respectvolle manier communiceert met anderen.
Dit is in strijd met de verplichtingen die op u rusten als ambtenaar en uit hoofde van uw functie, meer in het bijzonder hoofdstuk 6.1 van de Gedragscode Integriteit Rijk.
Op grond van het voorafgaande kom ik tot de slotsom dat u zich niet heeft gedragen zoals dat van een medewerker van de Belastingdienst wordt verwacht en dat sprake is van zeer ongewenst gedrag.
(…) Als u de regels van integriteit overtreedt, kan dit aanleiding geven tot het opleggen van een straf. De hoogte van een straf hangt af van de aard en ernst van de overtreding en de concrete situatie.
Van u wordt als ambtenaar verwacht dat u op een respectvolle manier omgaat met anderen. Dat geldt ook als u zich in het nauw gedreven voelt. Ik betreur het dat uw privéomstandigheden zo complex, stressvol en traumatisch zijn. Deze privéomstandigheden geven u echter geen vrijbrief om vol de aanval in te gaan. Als u het niet eens bent met hetgeen er wordt gezegd en/of gedaan, kunt u dat op een respectvolle manier aangeven.
Alles in beschouwing nemend, acht ik de straf van een schriftelijke berisping evenredig aan de aard en ernst van de integriteitsschending. Ik ben dan ook voornemens u deze straf op te leggen conform artikel 15 van Pro de CAO Rijk.”
2.20.
Bij brief van 21 mei 2025 legt [medewerker 10] [verweerder] een berisping op.
2.21.
Op 29 augustus 2025 ontvangt [medewerker 11] (hierna: [medewerker 11] ), manager IH MKB Belastingdienst, een e-mailbericht van [medewerker 12] , werkzaam bij FIOD Bureau Integriteit, met daarin onder meer het volgende:
“Zoals telefonisch besproken hieronder de informatie die wij ontvingen met toestemming van
de politie. De politie wilde dit delen omdat zij de gedragingen van mevrouw [verweerder]
erg kwalijk vonden.
Op 21 augustus j.l. vond er een incident plaats bij de instantie voor jeugdzorg Pluryn te [plaatsnaam] .
Het volgende is daar onder meer gebeurd:
- [verweerder] wilde haar zoon halen terwijl dit niet was toegestaan. Door medewerkers
van Pluryn is zij meerdere keren gevraagd het terrein te verlaten maar [verweerder] wilde niet weg.
Pas toen zij wist dat de politie onderweg was wilde ze vertrekken.
- Toen de politie ter plaatse kwam en [verweerder] gevraagd werd naar haar identiteitskaart liet
zij direct haar belastingdienst legitimatie zijn en zei: "Ik ben een collega, ik ben ook
ambtenaar hoor." De politie heeft haar toen uitgelegd dat dit geen geldig legitimatiebewijs is
en dat zij hier geen misbruik van moet maken. - In de discussie met de politie gaf [verweerder]
aan dat een collega van de politie, [agent] uit [plaatsnaam] , zou liegen in zijn verbalen en dat
hij van straat gehaald moest worden.
- [verweerder] had een enorme spraakwaterval met allemaal wartaal. De politie kreeg de
indruk dat zij zeer verward is. Deed ook uitspraken die op randje beledigen waren. [verweerder]
is met een proces-verbaal weggestuurd en gezegd dat zij niet meer het terrein op mag.”
2.22.
Op 3 oktober 2025 is de zoon van [verweerder] door de politie en medewerkers van jeugdzorg bij [verweerder] thuis opgehaald. Door [verweerder] is daarvan een video-opname gemaakt. Uit de transcriptie in het verzoekschrift volgt dat [verweerder] de volgende dingen heeft gezegd:
- tegen een agent:
“U mag niet overal rondkijken, want ik ben aan het werk voor de
Belastingdienst. Geheimhoudingsplicht. Dus, past u een beetje op uw tellen. Ik ben ook ambtenaar. U behoort ons te beschermen en u pakt onze kinderen af, zodat we onder druk gezet worden. Ik zie het aan uw ogen. U misbruikt ook kinderen”
- tegen een man met een getinte huidskleur:
“Daar heb je mister plat achterhoofd.
Ben jij naar Nederland gekomen om kinderen te misbruiken? Kanker- kankerhoerenkind! Kijk dan naar die achterkop van je. Je bent niet gedraaid he als kindje? Vuile, vieze, stinkende kutvluchteling! Over de grens met jou en een inreisverbod. (…) Jij kankerhoerenkind! Rot op naar je zandbak! Kanker, kanker, kanker kan je in je kop krijgen.”
- tegen agenten:
“Ze gaan allemaal kanker voor de rechter komen. (…)
Jullie zijn zwaar strafbaar, criminele kankerpopo. (…) Jullie zijn corrupt, zo corrupt
als de neten. Je houdt je niet aan je ambtseed en ik ga jullie strafrechtelijk aanpakken. Dat uniform ben je onwaardig, man. Je bent een smeerlap in uniform. Je faciliteert kinderontvoeringen”
- tegen een aanwezige vrouw:
“En jij, kankerpsychopaat, jij gaat de kliniek in. Jij
mag nooit meer vrij, jij mag nooit meer vrij. Ik naai je eraan man, vuile teringpsychopaat. Je bent gestoord in je kop en kijk eens hoe dik je wordt! Jongen, vies kutmormel, je stinkt uit al je gaten! Ze gaan je kop schrobben met die kutpruik van je. In de vrouwenvleugel en dan mag je voor eeuwig in de longstay, takkenhoer! De aangifte ligt er al! Jij gaat strafrechtelijk, kankerteef.”
2.23.
Op 6 oktober 2025 stuurt [verweerder] diverse WhatsApp-berichten naar [medewerker 11] . In de berichten staat onder meer het volgende:
“[08:59] [verweerder] : Een BETROUWBARE overheid! En een BETERE belastingdienst! Die gaan NIET zo te werk!
[09:00] [verweerder] : Met leugens, list en bedrog. Dreigementen naar een individuele
medewerker! En dan ook nog ... laf de deur dicht doen! En je gewoon geïsoleerd laten staan? (…)
[09:04] [verweerder] : Denk maar. Dat ik DIT nog accepteer! Deze komedie.
Die [medewerker 7] regisseert
[09:05] [verweerder] : Afgelopen! En dreiging op MIJN kinderen! Daarmee. Overschreed hij! Al mijn grenzen!
[09:06] [verweerder] : Nog 1 faux passe! Richting mij. Of 1 van mijn kinderen. En mijn dossiers liggen klaar! Al langere tijd! Ik ben op ALLES voorbereid! (…)
[10:19] [verweerder] : Bij [medewerker 2] ! Die me al financieel richting afgrond aan het duwen was. Met haar fake ziekmelding, en pure gaslighting! Leugen op leugen stapelend. (…)
[10:22] [verweerder] : iemand, van de werkvloer! Door een teamleider Fiod , met als neventaak. Collegiale ondersteuning. [medewerker 9] man! Dat is geen ondersteuning! Maar pure vernietiging. En de deur van dat team nu angstvallig dichthouden? Mij BUITEN sluiten! Op grond van dit alles? (…)
[10:27] [verweerder] : Zoals ik [medewerker 7] een jaar geleden al zei! Publiciteit? Niemand blij! Juridische strijd? Kan, maar is OOK beschadigend, voor de dienst. Iets wat ik graag allemaal wil voorkomen! Schade aan dienst en staat. Onder de voorwaarde nu! [medewerker 7] GAAT! Eruit! En neemt de zijnen met hem mee! Ik spreek hem BUITEN zijn functie dan wel aan. In persoon. Op ALLE schade die [medewerker 7] cs hebben gedaan. In mijn leven. EN aan vele anderen! Die WEL vertrokken! Daar waar ik bleef staan. Ondermijning ... is het ergst! Als dat BINNEN de overheid op strategische posities huist! (…)
[10:38] [verweerder] : IEMAND kan aanblijven! Als directeur.... topambtenaar! NEE! Dat kan niet! Binnen een overheid, een rechtsstaat! ERUIT! Met dit soort. Die arrogantie! Hoogmoed. Komt voor de VAL!”
2.24.
In reactie op een uitnodiging van [medewerker 7] om, naar aanleiding van de situatie op 3 oktober 2025 en de door [verweerder] op 6 oktober 2025 gestuurde WhatsAppberichten, een gesprek te voeren, stuurt [verweerder] op 8 oktober 2025 diverse WhatsApp-berichten naar [medewerker 7] met daarin onder meer het volgende:
“'Bespreek de door Jou niet gerespecteerde 'menselijke maat', je gebrek aan integriteit, de inhoud van je ambtseed en wat voor wet- en regelgeving je niet wenst te respecteren met de landsadvocaat. Of met die van jouzelf! Jij BENT niet de Staat. Jouw vrinden ook niet. Hoog tijd, dat je dat eindelijk eens inziet. No pig is more equal than others [medewerker 7] .(…) Check dat rapport! Van de verzekeringsarts! Van 30 juni 2025. NIET ziek! En je dreigement! Van enkele dagen eerder! [medewerker 7] ! Geef het nu maar OP! Maak het niet nog erger! Voor jezelf!!! En ik? Heb nu VERLOF! En jij? VERTREKT! PER DIRECT! Als je verstandig bent! Laat je mij met rust! En bedreig NOOIT meer mij! Met mijn
KINDEREN! DAT IS OOK STRAFBAAR! EN VOOR IEDERE VERVOLGACTIE! WIJS IK NAAR JOU! (…) Alles wat je deed, doet en nog zou gaan doen! Is allang veilig gesteld [medewerker 7] . Of
WORDT daaraan DIRECT toegevoegd. Ik ben finaal klaar met jouw lelijke gedragingen! Je STAAT IN ZICHT!'”
2.25.
Bij brief van 9 oktober 2025 is [verweerder] , omdat zij niet is verschenen bij het geplande gesprek, geschorst en is haar de toegang tot de dienstgebouwen en de (digitale) systemen ontzegd en is daarbij aangegeven dat De Staat het voornemen heeft om de kantonrechter te verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden.
2.26.
In de periode van 22 oktober 2025 tot en met 6 november 2025 stuurt [verweerder] diverse WhatsApp-berichten naar [medewerker 7] met daarin onder meer het volgende:
“[22-10-2025 10:44:52] [verweerder] : En maak het niet NOG erger voor jezelf. Zoveel keer je mandaat. Met die dreiging. 'Ik ga ervan uit dat je het zover niet laat komen ... Elke keer weer! In de 'ik-vorm'. En daarna in de 'wij-vorm'. Na onze bespreking. Op maandagochtend. Tot tweemaal toe! De poging VERWURGING van MIJN KIND! In de besloten setting! Te [plaatsnaam] . Pluryn. De meer dan 7K gehat door JBG! ALS daar een verband tussen zit? Weet! Ik heb je OVERAL in zicht gezet!!!! Daar waar JIJ niet bij kan! Beter ga je je gedrag aanpassen! Zoals het een INTEGERE ambtenaar betaamt! Check de rapportage van de verzekeringsarts ! Van 30 juni 2025! EN de correctie van mijn onterechte ziekmelding van [medewerker 2] !!! In woede gedaan! Net als jij. Woedend bent. Met de taakstelling om te BEZUINIGEN! RUIM 1.300 uren. Down the drain. Mooi voor JOUW functioneringsgesprek!! Ja toch? (…)
[04-11-2025 05:56:07] [verweerder] : Ik ze jou in [plaatsnaam] ! Dat ik niet voor JOU buig! En oh, ik dacht ... die krijgt een infarct zeg! Je sprong bijna uit je VEL van woede! Helemaal rood aangelopen! Smeet de deur open en gelastte MIJ! De spreekkamer daar te verlaten! Heb ik gedaan! En jou kalm gezegd. Ik verzoek je de dienst te verlaten [medewerker 7] …(…)
[04-11-2025 06:09:23] [verweerder] : Dat je dat WEET! (…) [medewerker 7] ! Liegen is VEEL lastiger dan de WAARHEID hoog houden. Zeker als je voor LEUGENS in stand houden je AFHANKELIJK opstelt van anderen! Of ook HEN MISLEIDT! Dat moet nog blijken. Wie van jullie al dan niet op de hoogte waren. Van dit zieke web van leugens. Of dat ze bang waren voor jou. Want o wee. Als je jou niet volgt. Dan krijg je een lawine van ellende over je heen! Zoals IK mag ervaren nu. (…)
[06-11-2025, 11:11:45] [verweerder] : Hoe HAAL JE HET IN JE HOOFD! Ik ga ervan uit dat je het zover niet laat komen? Met JOUW handtekening! De STAAT DER NEDERLANDEN?
[06-11-2025 11:13:56] [verweerder] : Wie denk je wie je BENT! Dat is TWEE keer een totaal ZIEK DREIGEMENT! En ... misbruik van je MANDAAT! Dat je het LEF hebt. Om je zo AANGETEKEND te misdragen! En dat ondertekende! NAMENS DE STAAT!!! JIJ BENT DE EERSTE DIE GAAT!”

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
De Staat verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de tussen de Staat en [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst te
ontbinden op grond van artikel 7:671b, jo. artikel 7:669, lid 1 en lid 3, sub e, sub g of
sub i van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW);
II. bij het bepalen van de einddatum van de arbeidsovereenkomst op grond van het
bepaalde in artikel 7:669, lid 1 en 3, sub e BW geen rekening te houden met de opzegtermijn van [verweerder] en de arbeidsovereenkomst dadelijk te ontbinden, nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] ;
III. bij het bepalen van de einddatum van de arbeidsovereenkomst, voor zover
sprake is van een ontbinding op basis van artikel 7:669, lid 1 en 3, sub g of i BW, rekening te houden met de duur gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dagtekening van de ontbindingsbeschikking;
IV. voor recht te verklaren dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of
nagelaten en dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding ten laste van de Staat;
V. [verweerder] te veroordelen in de proces- en nakosten.
3.2.
De Staat legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. Volgens haar is primair sprake van gedragingen van [verweerder] , welke elk op zich, maar ook in onderlinge samenhang, beschouwd dienen te worden als ernstig verwijtbaar gedrag. De Staat wijst daarbij op de uitingen van [verweerder] op 3 oktober 2025, de ongepaste, beledigende en bedreigende WhatsApp-berichten aan de heren [medewerker 11] en [medewerker 7] tussen 6 oktober 2025 en 6 november 2025 en het tonen van een rijkspas en het noemen van een ambtelijk dienstverband aan de politieagent op 21 augustus 2025.
Subsidiair is volgens de Staat sprake van verstoorde arbeidsverhouding. [verweerder] heeft een eigen interpretatie en beleving van gebeurtenissen waaraan zij blijft vasthouden. Ze uit zich ongepast tegenover diverse collega’s en zoekt steeds de escalatie in gesprekken. Daarnaast toont zij geen enkel respect voor de rechtsstaat, komt zij werkafspraken niet na en is er geen zicht op een oplossing.
Meer subsidiair stelt de Staat dat, mede gelet op de aard, ernst en omvang van de gedragingen van [verweerder] , de ontstane situatie zodanig is dat redelijkerwijs niet meer van haar gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
3.3.
[verweerder] voert gemotiveerd verweer. Op dit verweer zal, voor zover nodig, hierna worden ingegaan

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
4.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [2]
Hoor en wederhoor
4.3.
[verweerder] heeft ter mondelinge behandeling aangevoerd dat zij zich onvoldoende kan verweren en dat zij in bewijsnood zit, omdat al haar gegevens in de opslag liggen. Zij heeft de kantonrechter verzocht om na de mondelinge behandeling bij akte op het verzoekschrift van de Staat te mogen reageren.
4.4.
De kantonrechter stelt voorop dat [verweerder] , nu dit door haar niet (gemotiveerd) is weersproken, op 28 januari 2026 via een WhatsApp-bericht (alsnog) kennis heeft kunnen nemen van het door de Staat ingediende verzoekschrift en de daarbij behorende producties en dat zij bij de centrale balie van de rechtbank Gelderland, locatie [adres] een kopie van het verzoekschrift heeft opgehaald. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] , gelet op het tijdstip dat zij kennis heeft kunnen nemen van het verzoekschrift en de mondelinge behandeling van het verzoekschrift op 26 februari 2026, voldoende tijd heeft gehad om zich daarop voor te kunnen bereiden en te kunnen verweren. Dat de spullen van [verweerder] in opslag liggen, is - hoe vervelend ook voor [verweerder] - niet iets wat ze aan de Staat kan tegenwerpen. Het ligt immers op de weg van [verweerder] om ervoor te zorgen dat zij tijdig bij haar gegevens kan. Dat zij niet eerder bij haar spullen kon, heeft zij ook op geen enkele wijze (nader) onderbouwd en is ook gemotiveerd door de Staat weersproken.
4.5.
Naar het oordeel van de kantonrechter is [verweerder] , gelet op het voorgaande, niet in haar verdediging geschaad en stelt [verweerder] daarom niet in de gelegenheid om zich bij akte (nader) over het verzoekschrift uit te laten. Daarbij merkt de kantonrechter nog op dat [verweerder] in het kader van het beginsel van hoor en wederhoor ter mondelinge behandeling uitgebreid in de gelegenheid is gesteld om op het verzoekschrift te reageren.
Verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond)
4.6.
Aan het ontbindingsverzoek heeft de Staat primair ten grondslag gelegd dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten [3] van [verweerder] , omdat zij, gelet op haar handelen op 3 oktober 2025, de WhatsApp-berichten aan medewerkers/leidinggevenden en het tonen van een rijkspas en het noemen van een ambtelijk dienstverband aan een politieagent op 21 augustus 2025, niet heeft voldaan aan de vereisten die worden gesteld aan de integriteit van ambtenaren van de Belastingdienst. De uitingen van [verweerder] tegen politieagenten en hulpverleners op 3 oktober 2025 gaan volgens de Staat alle perken te buiten. Deze uitingen zijn onaanvaardbaar en een ambtenaar onwaardig, aldus de Staat. De Staat kan op geen enkele manier tolereren dat een rijksambtenaar politieagenten en hulpverleners totaal ongefundeerd beschuldigd van kindermisbruik en/of corruptie, zich discriminatoir en/of racistisch uitlaat tegen deze politieagenten en hulpverleners en vervolgens uitscheldt, racistisch bejegend en dreigt met juridische procedures, terwijl ze ook nog eens kenbaar maakt dat ze bij de Belastingdienst werkt.
4.7.
Aan een ambtenaar werkend voor de Staat (Belastingdienst) wordt, gelet op de brief van [medewerker 10] van 10 april 2025 (r.ov. 2.19.), een hoge mate van integriteit verwacht. Hierop is [verweerder] ook gewezen tijdens het afleggen van de belofte op 3 juli 2014. Het volgt ook uit de Ambtenarenwet 2017 (hierna: Aw) en de Gedragscode Integriteit Rijk (hierna: GIR). In artikel 6 lid 1 Aw Pro is opgenomen dat de ambtenaar gehouden is de bij of krachtens de wet op hem berustende en uit zijn functie voortvloeiende verplichtingen te vervullen en zich overigens te gedragen als een goed ambtenaar betaamt. Het is vaste rechtspraak dat van ambtenaren een extra mate van betrouwbaarheid, zorgvuldigheid en integriteit verwacht mag worden. In de GIR is vervolgens opgenomen wat onder integriteit wordt verstaan. In hoofdstuk 6.1 van de GIR is opgenomen dat van een ambtenaar verwacht wordt dat hij op een respectvolle manier omgaat met anderen, zowel in contacten binnen als buiten de organisatie. Dat betekent dat de ambtenaar de ander serieus neemt, dat naar elkaar geluisterd wordt en dat fatsoenlijk met elkaar wordt omgegaan. Nu door [verweerder] niet (gemotiveerd) is weersproken dat zij op de hoogte is van voormelde gedragscode en de wettelijke bepalingen, gaat de kantonrechter daarvan uit.
4.8.
De kantonrechter stelt vast dat [verweerder] zich niet heeft gehouden aan de GIR en artikel 6 lid 1 Aw Pro. Uit de overgelegde producties, en dan met name de gespreksverslagen (r.ov. 2.8, 2.11 en 2.18), de reactie op een gespreksverslag (r.ov. 2.9), e-mailberichten van [verweerder] (r.ov. 2.15 en 2.16), officiële waarschuwingen (r.ov. 2.13 en 2.17), WhatsApp-berichten van [verweerder] (r.ov. 2.19, 2.23 en 2.26), uitlatingen op 3 oktober 2025 (r.ov 2.22) en de opgelegde berisping (r.ov. 2.19 en 2.20), volgt dat [verweerder] niet communiceert op de manier zoals een goed ambtenaar betaamt. Naar het oordeel van de kantonrechter gaat de toon in deze berichten ook alle perken te buiten en zijn deze, gelet op de inhoud van de berichten en de toonzetting daarvan, zelfs als grensoverschrijdend te kwalificeren. Diverse medewerkers van de Belastingdienst voelen zich ook geïntimideerd en bedreigd door [verweerder] en wensen niet meer met haar te communiceren. Dit volgt ook uit de overgelegde gespreksverslagen en e-mail- en WhatsApp-berichten. [verweerder] is door de Belastingdienst ook meerdere malen gewezen op de inhoud en toon van haar berichten, alsmede haar houding. Zij heeft (mede) daarvoor ook (officiële) waarschuwingen (r.ov. 2.13. en 2.17.) en een berisping (2.19. en 2.20.) ontvangen. [verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling ook erkend dat zij voormelde reacties op gespreksverslagen en e-mail- en WhatsApp-berichten naar collega’s en leidinggevenden heeft gestuurd en heeft niet betwist dat zij op 3 oktober 2025 de uitlatingen heeft gedaan die zijn weergegeven in r.ov 2.22. Wat het naar het oordeel van de kantonrechter nog kwalijker maakt, is dat [verweerder] ook na deze waarschuwingen, de officiële berisping op 21 mei 2025 en haar schorsing op 9 oktober 2025 haar leidinggevenden is blijven bestoken met (zeer) ongepaste en beledigende e-mail- en WhatsApp-berichten (r.ov. 2.23, 2.24. en 2.26). Naar het oordeel van de kantonrechter had [verweerder] , gelet op voormelde waarschuwingen en de berisping, als gewaarschuwd te gelden en had zij haar gedrag aan moet passen. Dat heeft zij, ondanks een door de Staat betaald traject bij Balans & Impuls, niet gedaan.
Dit geldt eveneens voor de situaties op 21 augustus 2025 en 3 oktober 2025. Immers, voor de situatie op 21 augustus 2025 geldt dat [verweerder] , zoals de Staat onweersproken heeft gesteld, terwijl het een privésituatie betrof ten onrechte haar rijkspas aan politieagenten heeft getoond en benoemd heeft dat zij ambtenaar is. Voor de situatie op 3 oktober 2025 geldt dat [verweerder] zich discriminatoir en/of racistisch naar politieagenten en anderen heeft uitgelaten. Dat de situatie op 3 oktober 2025 buiten werktijd heeft plaatsgevonden, zoals [verweerder] heeft betoogd, maakt dit naar het oordeel van de kantonrechter niet anders. Enerzijds, omdat zij zich kenbaar heeft gemaakt als medewerker van de Belastingdienst en anderzijds, omdat uit artikel 6.1 van de GIR volgt dat van een ambtenaar verwacht wordt dat hij ook in contacten buiten de organisatie op een respectvolle manier met anderen omgaat. Dit geldt ook voor situaties buiten werktijd.
Daarbij betrekt de kantonrechter ook dat [verweerder] de door haar gemaakte video-opname van de situatie op 3 oktober 2025 heeft verstuurd naar collega’s binnen de Belastingdienst. Deze collega’s hebben daar aanstoot van genomen en de beelden gedeeld met de leidinggevenden. Hierdoor is ook deze situatie onderdeel geworden van het gedrag dat [verweerder] (stelselmatig) vertoont. Naar het oordeel van de kantonrechter is ook de manier waarop [verweerder] zich op 21 augustus 2025 en 3 oktober 2025 richting politieagenten en hulpverleners heeft uitgelaten geen gedrag dat van een medewerker, laat staan van een ambtenaar, verwacht mag worden. Voor een ambtenaar geldt immers, zoals hiervoor reeds is overwogen, een extra mate van betrouwbaarheid, zorgvuldigheid en integriteit. De kantonrechter is van oordeel dat elk van voormelde gedragingen op zich, maar in ieder geval in onderlinge samenhang beschouwd, verwijtbaar handelen tot gevolg heeft. Het gedrag van [verweerder] is ook in strijd met de bepalingen uit de GIR en Aw. Dat het gedrag veroorzaakt wordt door een stoornis is aangevoerd noch gebleken. Uit de verklaring van [verweerder] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling volgt zelfs het tegendeel. [verweerder] heeft ter mondelinge behandeling expliciet aangeven dat zij geen (geestelijke) stoornis heeft.
4.9.
De slotsom van het voorgaande is dat [verweerder] welbewust heeft gehandeld in strijd met de binnen de Belastingdienst geldende GIR en de bepalingen uit Aw. Dat brengt met zich dat van de Staat in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij de arbeidsovereenkomst met [verweerder] laat voortduren. Vanwege het verwijtbare handelen van [verweerder] ligt herplaatsing niet in de rede [4] . De tussenconclusie is dan ook dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden op grond van artikel 7:669 lid 3 aanhef Pro en sub e BW. De andere ontslaggronden, die de Staat aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, behoeven daarom geen bespreking meer.
Ernstig verwijtbaar handelen
4.10.
De kantonrechter dient de arbeidsovereenkomst in beginsel te ontbinden op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. De Staat heeft echter aangevoerd dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] en dat de arbeidsovereenkomst daarom op de vroegst mogelijke datum tot een einde moet komen [5] .
4.11.
Vooropgesteld wordt dat de lat voor het aannemen ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van de werknemer hoog ligt en dat de kantonrechter het criterium “
ernstig verwijtbaar handelen”terughoudend moet toetsen. Het moet gaan om duidelijke en uitzonderlijke gevallen van onrechtmatige gedragingen, die zijn te kwalificeren als duidelijk strijdig met goed werknemerschap. Hierbij is van belang dat de werknemer zich bewust is dan wel behoort te zijn van het ontoelaatbare karakter van zijn handelen.
4.12.
De kantonrechter is van oordeel dat de verweten gedragingen te kwalificeren zijn als ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] . Immers, zoals hiervoor reeds is overwogen, staat vast staat dat [verweerder] zich, gelet op de inhoud en de toonzetting van de berichten en de gesprekken, schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag. Ook nadat zij door middel van officiële waarschuwingen en een berisping duidelijk is gewezen op het feit dat dit gedrag ontoelaatbaar is, heeft [verweerder] haar gedrag niet aangepast. Ook niet na het traject bij Balans & Impuls. Zelfs rond en na haar schorsing heeft [verweerder] naar [medewerker 11] en [medewerker 7] WhatsApp-berichten (r.ov. 2.23., 2.24. en 2.26.) gestuurd die, gelet op de toon en inhoud, wederom als grensoverschrijdend zijn te kwalificeren. Bij [medewerker 7] zelfs gedurende langere tijd (22 oktober tot en met 6 november 2025). Er is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen sprake van impulsief gedrag, maar van bewust handelen door [verweerder] . Op grond van deze feiten is de kantonrechter van oordeel dat niet alleen sprake is van verwijtbaarheid, maar ook van ernstige verwijtbaarheid in de zin van artikel 7:761b lid 9 sub b BW. Dat wordt niet anders door het feit dat sprake is geweest van een langdurig dienstverband, waarin [verweerder] in het verleden goed gefunctioneerd heeft.
4.13.
De conclusie van al het voorgaande is dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] . De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst daarom, mede gelet op het bepaalde in artikel 7:671b lid 9 aanhef en sub b BW, per 27 maart 2026 ontbinden.
Transitievergoeding
4.14.
Vervolgens komt de kantonrechter toe aan de door de Staat verzochte verklaring voor recht dat [verweerder] , nu zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten, geen recht heeft op een transitievergoeding.
4.15.
In artikel 7:673 lid 7 aanhef Pro en onder sub c BW is bepaald dat de werkgever geen transitievergoeding verschuldigd is als de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Nu, zoals hiervoor reeds is overwogen, sprake is van ernstig verwijtbaar handelen kan [verweerder] geen aanspraak maken op een transitievergoeding. In afwijking van het bepaalde in artikel 7:673 lid 7 aanhef Pro en onder sub c BW kan de kantonrechter de transitievergoeding geheel of gedeeltelijk toekennen als het niet toekennen daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De kantonrechter ziet, mede gelet op al het voorgaande, het traject bij Balans & Impuls, het tijdsverloop van de gedragingen en nu [verweerder] meerdere malen is aangesproken op haar gedrag, geen aanleiding voor toepassing van die bepaling. De kantonrechter wijst de door de Staat verzochte verklaring voor recht dan ook toe.
Proceskosten
4.16.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . De proceskosten aan de zijde van de Staat der Nederlanden worden begroot op € 1.144,00 (€ 135,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 27 maart 2026,
5.2.
verklaart voor recht dat [verweerder] , nu zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of heeft nagelaten, geen recht heeft op een transitievergoeding,
5.3.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.144,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 5.3. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad [6] ,
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.
53854\415

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 BW Pro
2.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro
3.Artikel 7:669 lid 3 sub e BW Pro
4.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro
5.Artikel 7:761b lid 9 aanhef en onder sub b BW
6.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.