Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2391

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
462214
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:205 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot verstrekking informatie over tweetrapsmaking en bezwaard vermogen in nalatenschap

In deze civiele bodemzaak over erfrecht en tweetrapsmaking vordert eiser in incident dat de gevolmachtigde van de bezwaarde, de enig en algeheel erfgenaam, wordt bevolen om informatie te verstrekken over het bezwaarde vermogen van de nalatenschap van de overleden erflaatster.

De nalatenschap is tweetraps gestructureerd: de bezwaarde erfgenaam heeft het vermogen verkregen, waarna de verwachters (de kinderen van de erflaatster) het na diens overlijden erven. De bezwaarde is verplicht een boedelbeschrijving op te maken en jaarlijks opgave te doen van het verloop van het bezwaarde vermogen. Deze verplichtingen zijn niet nagekomen en de bezwaarde lijdt aan dementie, waardoor hij zelf niet meer kan voldoen.

De rechtbank oordeelt dat de gevolmachtigde namens de bezwaarde wel moet voldoen aan de informatieplicht voor zover mogelijk. De boedelbeschrijving van april 2025 is onvolledig, maar gezien het tijdsverloop en de omstandigheden is een aanvullende boedelbeschrijving niet noodzakelijk. Wel moet de gevolmachtigde binnen vier weken afschriften van jaaropgaven van bankrekeningen vanaf 2019, een onderbouwde opgave van de hypotheekschuld en informatie over de auto verstrekken.

De kosten van de procedure worden gecompenseerd en het overige wordt afgewezen. De zaak wordt aangehouden voor verdere behandeling in de hoofdzaak.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de gevolmachtigde om binnen vier weken jaaropgaven, hypotheekschuld en informatie over de auto te verstrekken en wijst het overige af.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/462214 / HZ ZA 26-27
Vonnis in incident van 25 maart 2026
in de zaak van
[naam eiser in hoofdzaak & incident],
te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.J. Drost,
tegen

1.[naam gevolmachtigde] , in haar hoedanigheid van gevolmachtigde van

de heer
[naam gedaagde in hoofdzaak / verweerder in incident],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: [gevolmachtigd gedaagde 1] ,
advocaat: mr. J.W. Post,
2.
[naam gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de aan [gedaagde 2] betekende dagvaarding
- de aan [gevolmachtigd gedaagde 1] betekende dagvaarding
- het aan [gevolmachtigd gedaagde 1] betekende herstelexploot
- het aan [gedaagde 2] verleende verstek
- de conclusie van antwoord in incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] en [gedaagde 2] zijn de kinderen van mevrouw [naam erflaatster] (hierna: erflaatster). Erflaatster was tot 1985 gehuwd met de vader van [eiser] en [gedaagde 2] . Dat huwelijk is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
Erflaatster heeft op enig moment een relatie gekregen met de heer [gedaagde in hoofdzaak] (hierna: [gedaagde in hoofdzaak] ), met wie zij vervolgens ook is gehuwd in gemeenschap van goederen. [gedaagde in hoofdzaak] is de vader van [gevolmachtigd gedaagde 1] .
2.3.
Erflaatster is op [overlijdensdatum] is overleden. Bij testament van 26 maart 2010 heeft erflaatster beschikt over haar nalatenschap (productie 1 van [eiser] ). In het testament heeft zij onder meer bepaald dat [gedaagde in hoofdzaak] (als bezwaarde) haar enig en algeheel erfgenaam is en dat alles wat hij na zijn overlijden onvervreemd en onverteerd van het verkregene nalaat, toekomt aan haar kinderen (als verwachter). Over deze tweetrapsmaking heeft zij in haar testament het volgende bepaald:
“(…)
1 Beschrijving
Binnen zes maanden na mijn overlijden dient de bezwaarde bij notariële akte een beschrijving op te maken van de verkrijging.
De verwachters hebben het recht op een afschrift van die akte alsmede op een afschrift van de successie-aangifte en bijbehorende gegevens.
2 Zaaksvervanging
De goederen die door vervanging of herbelegging in de plaats zijn gekomen van het verkregene, en de eventuele aangroei en vruchten worden ook onder de verkrijging begrepen.
3 Administratie
De bezwaarde is verplicht de verkrijging afzonderlijk van zijn overige vermogen te administreren.
(…)
5 Interingsvolgorde
De bezwaarde is niet verplicht eerst op zijn overige vermogen in te teren voordat wordt ingeteerd op de verkrijging. Eventuele interingen worden geacht te zijn gedaan eerst ten laste van de verkrijging.
(…)
7 Moment van opvolgende vererving
Het recht van de bezwaarde op de verkrijging eindigt door:
(…)
d. de ondercuratelestelling van mijn echtgenoot of indien zijn goederen onder bewind worden gesteld, doch uitsluitend indien hij zich vestigt dan wel blijvend wordt opgenomen in een verpleeginrichting of een verzorgingstehuis of soortgelijke inrichting;
(…)”
In het testament heeft erflaatster [gedaagde in hoofdzaak] tot haar executeur benoemd en bepaald dat de executeur binnen drie maanden na haar overlijden een boedelbeschrijving, met inbegrip van een voorlopige staat van schulden van de nalatenschap moet opmaken en de hem bekende schuldeisers moet oproepen om hun vorderingen bij hem of bij de boedelnotaris in te dienen. Daarbij is opgenomen dat de erfgenamen een afschrift van de boedelbeschrijving ter beschikking wordt gesteld. Onder het kopje Rekening en verantwoording is het volgende bepaald:
“De executeur is verplicht jaarlijks en bij het einde van zijn beheer rekening en verantwoording af te leggen aan mijn erfgenamen. Hij geeft jaarlijks aan de erfgenamen een overzicht van de voor de belastingheffing van belang zijnde inkomsten en kosten.”
2.4.
Bij notariële akte “levenstestament” van 28 mei 2024 (deels overgelegd als productie 1 van [gevolmachtigd gedaagde 1] ) heeft [gedaagde in hoofdzaak] aan [gevolmachtigd gedaagde 1] een volmacht verleend om namens hem (onder meer) in rechte op te treden, processuele handelingen te verrichten, compromissen en schikkingen te treffen en nalatenschappen af te wikkelen die aan hem zijn toegevallen of mochten komen toe te vallen.
2.5.
Op enig moment in 2024 zijn [eiser] en [gedaagde 2] op de hoogte geraakt van het feit dat [gedaagde in hoofdzaak] aan dementie lijdt en in een zorginstelling is opgenomen en [gevolmachtigd gedaagde 1] in de woning van [gedaagde in hoofdzaak] en (de nalatenschap van) erflaatster woont. Omdat het niet meer mogelijk was om een gesprek met [gedaagde in hoofdzaak] te voeren, hebben [eiser] en [gedaagde 2] vervolgens geprobeerd met [gevolmachtigd gedaagde 1] te overleggen over de nalatenschap van erflaatster.
2.6.
[gevolmachtigd gedaagde 1] heeft als gevolmachtigde van [gedaagde in hoofdzaak] een boedelbeschrijving opgesteld van de nalatenschap van erflaatster (productie 4 van [eiser] ). In de op 12 april 2025 gedateerde boedelbeschrijving zijn opgenomen twee bankrekeningen bij de ING-bank, drie spaarrekeningen bij de ING-bank (waarvan bij één geen saldo is ingevuld), een auto (met vraagteken) en de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] (hierna: de woning). In de toelichting is het volgende opgenomen:
“Op de betaalrekening staat op moment van overlijden € 3382. Dhr [gedaagde in hoofdzaak] heeft op 15 maart de caravan verkocht voor €3500 om de te verwachten rekeningen van het hospice en zorgverzekering te kunnen betalen. Hiervoor stond er € 950 op de rekening.
Op 18 februari is er ook al een bedrag van €1000 betaald aan [eiser] voor een traplift.
Op 25 april 2013 is er naar beide kinderen een bedrag van €700 overgemaakt via internetbankieren. Volgens dhr [gedaagde in hoofdzaak] is dat de verdeling van de nalatenschap geweest. Hij was hiermee in de overtuiging dat de erfenis was afgehandeld aangezien hij de woning al voor het huwelijk had gekocht. Dit is de rede dat hij geen actie heeft ondernomen qua verantwoording.”
2.7.
Bij e-mailbericht van 14 mei 2025 heeft de toenmalig gemachtigde van [eiser] de advocaat van [gevolmachtigd gedaagde 1] erop gewezen dat op grond van het testament van erflaatster haar nalatenschap aan [eiser] en [gedaagde 2] toekomt doordat [gedaagde in hoofdzaak] het eigen beheer over zijn goederen heeft verloren.
2.8.
Op 16 juli 2025 heeft de advocaat van [gevolmachtigd gedaagde 1] gereageerd met het bericht dat [gevolmachtigd gedaagde 1] zich op het standpunt stelt dat de tweetrapsmaking nog niet is vervallen en er dus nog geen sprake is van een opeisbare vordering van [eiser] . Telefonisch overleg tussen de (toenmalig) gemachtigden van partijen heeft niet geleid tot een oplossing van bestaande verschillen van inzicht.
2.9.
Op 3 september 2025 heeft de deurwaarder geprobeerd een brief over de nalatenschap van erflaatster aan [gedaagde in hoofdzaak] in persoon te betekenen. In het exploit staat daarover:
“(…) aldus aldaar mijn exploot doende en aldus afschrift dezes en van na te melden stuk(ken) latende aan: de heer [manager] , als locatiemanager aldaar werkzaam, die mij aangeeft dat gerekwireerde in een dementerende toestand verkeert waarbij betekening in persoon niet mogelijk is, en zal zorgdragen dat het afschrift bij de eerste contactpersoon terecht zal komen (…)”(productie 3 van [eiser] ).

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert in incident om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gevolmachtigd gedaagde 1] te bevelen om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan haar te verstrekken:
Boedelbeschrijving
1. een gespecificeerde boedelbeschrijving van het bezwaarde vermogen per datum overlijden van erflaatster, voorzien van alle onderliggende bewijsstukken die de in de boedelbeschrijving genoemde bedragen onderbouwen;
Jaarlijkse opgaven
2. een gespecificeerde en ondertekende opgave betreffende het verloop van het bezwaarde vermogen over de jaren 2013 tot en met 2025, waarbij voor ieder jaar wordt vermeld:
a. welke goederen van het bezwaarde vermogen niet meer aanwezig zijn;
b. welke goederen daarvoor in de plaats zijn gekomen;
c. welke voordelen deze goederen in betreffende periode hebben opgeleverd;
met veroordeling van [gevolmachtigd gedaagde 1] in de kosten van het incident.
3.2.
[eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde in hoofdzaak] op grond van het testament en op grond van de wet verplicht was een boedelbeschrijving op te laten maken van het bezwaarde vermogen. Die verplichting is hij niet nagekomen en [gevolmachtigd gedaagde 1] ook niet. De boedelbeschrijving van 12 april 2025 klopt volgens [eiser] niet doordat de saldi van drie bankrekeningen daarin niet zijn opgenomen en ook geen roerende zaken, behalve een auto. Bovendien ontbreken de hypotheekschuld en de kosten van de nalatenschap (zoals uitvaartkosten) in de boedelbeschrijving.
[gedaagde in hoofdzaak] (of [gevolmachtigd gedaagde 1] ) heeft evenmin voldaan aan de verplichting op grond van het testament om het bezwaarde vermogen afzonderlijk te administreren en de verplichting op grond van de wet (artikel 3:205 lid 4 BW Pro) om jaarlijks een nauwkeurige opgave aan [eiser] en [gedaagde 2] te doen van de goederen die niet meer aanwezig zijn. [eiser] stelt dat zij belang heeft bij die informatie zodat zij in de hoofdzaak kan vaststellen wat erflaatster heeft nagelaten en wat daarvan nog over is.
3.3.
[gevolmachtigd gedaagde 1] voert verweer. Zij betwist niet dat [gedaagde in hoofdzaak] niet aan zijn plicht in de wet en het testament heeft voldaan om opgave te doen van het bezwaarde vermogen en om het bezwaarde vermogen afzonderlijk van zijn privévermogen te administreren. Zij stelt echter dat [gedaagde in hoofdzaak] te goeder trouw is geweest en niet op de hoogte was van die verplichtingen totdat [eiser] en [gedaagde 2] hem 12 jaar na het overlijden van erflaatster daarop hebben aangesproken. Door het tijdsverloop en ouderdom en dementie van [gedaagde in hoofdzaak] is het voor hem niet meer mogelijk om alsnog aan die verplichtingen te voldoen. [gevolmachtigd gedaagde 1] stelt dat zij dat ook niet kan doordat zij in 2013 nauwelijks contact had met haar vader en nu niet meer alle informatie is te achterhalen. Zij stelt dat dat niet uitsluitend voor haar risico kan komen omdat [eiser] en [gedaagde 2] die informatie niet eerder hebben gevraagd. Zij wisten sinds het overlijden van erflaatster immers al van de inhoud van het testament. [gevolmachtigd gedaagde 1] stelt verder dat [eiser] geen gerechtvaardigd belang heeft bij haar vorderingen. [gevolmachtigd gedaagde 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in haar incidentele vorderingen, dan wel tot afwijzing van die vorderingen, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in het incident
4.1.
Niet in geschil is dat [gedaagde in hoofdzaak] als bezwaarde op grond van de wet (artikel 3:205, lid 1 en 4 BW) (1) een boedelbeschrijving had moeten opmaken van de nalatenschap van erflaatster en (2) jaarlijks aan [eiser] en [gedaagde 2] een opgave had moeten doen van de goederen die niet meer aanwezig zijn, de goederen die daarvoor in de plaats zijn gekomen en de voordelen die de goederen hebben opgeleverd (en die geen vruchten zijn). Evenmin is in geschil dat [gedaagde in hoofdzaak] dat niet heeft gedaan en dat hij nu niet meer daartoe in staat is. De vraag is in hoeverre [gevolmachtigd gedaagde 1] , als gevolmachtigde van [gedaagde in hoofdzaak] , gehouden is om namens [gedaagde in hoofdzaak] (alsnog) aan die verplichtingen te voldoen.
Boedelbeschrijving
4.2.
[gevolmachtigd gedaagde 1] heeft met de boedelbeschrijving van 12 april 2025 geprobeerd alsnog te voldoen aan de verplichting tot overlegging van een boedelbeschrijving. In die boedelbeschrijving ontbreekt een aantal gegevens, zoals het saldo op de spaarrekening bij de ING die eindigt op 943, de waarde van de auto en andere roerende zaken, de hypotheekschuld en uitvaartkosten. In haar conclusie van antwoord in incident heeft [gevolmachtigd gedaagde 1] toegelicht dat zij afhankelijk is van informatie die nu nog voorhanden is en dat er geen aangifte successierecht is gedaan omdat de omvang van de nalatenschap lager was dan het vrijstellingsbedrag. De rechtbank stelt vast dat [gevolmachtigd gedaagde 1] de boedelbeschrijving van 12 april 2025 als volgt heeft aangevuld:
Woning: de WOZ-waarde bedroeg in 2013 € 171.000 (onderbouwd met WOZ-beschikking, bij productie 4 van [eiser] )
Bankrekeningen: [gevolmachtigd gedaagde 1] stelt niet over saldi op de datum van overlijden van erflaatster te beschikken maar wel over een jaaroverzicht van 2013 (zoals overgelegd door [eiser] bij productie 4). [gevolmachtigd gedaagde 1] stelt voor om uit te gaan van het gemiddelde saldo in 2013 (beginsaldo + eindsaldo / 2) en berekent het totaal aan banksaldi op € 14.827,01, welk bedrag voor de helft tot de nalatenschap van erflaatster behoort.
Auto: [gevolmachtigd gedaagde 1] stelt dat zij van familie heeft begrepen dat erflaatster en [gedaagde in hoofdzaak] een Peugeot 307 hadden met kenteken [kentekennummer] .
Roerende zaken: Volgens [gevolmachtigd gedaagde 1] zal de waarde van de overige roerende zaken gering zijn geweest, gelet op de financiële situatie van erflaatster en [gedaagde in hoofdzaak] , waarover geen informatie meer voorhanden is.
Uitvaartkosten: onbekend, daar is geen informatie meer over.
4.3.
Over de hypotheekschuld heeft [gevolmachtigd gedaagde 1] niets gesteld. Uit de door haar overgelegde (volgens de koptekst niet compleet ingevulde) aangifte IB van [gedaagde in hoofdzaak] en Erven [naam erflaatster] [gedaagde in hoofdzaak] blijkt dat de hypotheekschuld in 2013 € 138.000 bedroeg.
4.4.
Omdat niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde in hoofdzaak] en erflaatster op de datum van overlijden van erflaatster nog andere vermogensbestanddelen hadden dan voornoemde, acht de rechtbank het aannemelijk dat er niet meer informatie is te geven over de omvang van de nalatenschap dan uit het voorgaande blijkt. Hoewel de boedelbeschrijving van 12 april 2025 niet compleet is, heeft [eiser] , gelet op de aanvullende informatie en onderbouwing daarvan en de omstandigheid dat door het tijdsverloop niet alle informatie nog te achterhalen is, geen gerechtvaardigd belang bij een (aangepaste of aanvullende) boedelbeschrijving. Haar vordering daartoe zal daarom worden afgewezen.
Jaarlijkse opgaven
4.5.
Niet in geschil is dat [eiser] of [gedaagde 2] gedurende een periode van 12 jaar na het overlijden van erflaatster in 2013 [gedaagde in hoofdzaak] (of [gevolmachtigd gedaagde 1] als zijn gevolmachtigde) niet heeft aangesproken op de verplichting om jaarlijks opgave te doen van het bezwaarde vermogen. Dat heeft tot gevolg dat de vordering van [eiser] om die opgaven nu alsnog over te leggen, door de omstandigheden waarin [gedaagde in hoofdzaak] verkeert en het tijdsverloop op praktische problemen kan stuiten. Voldoende gebleken is dat [gedaagde in hoofdzaak] zelf niet meer in staat is om die opgaven te doen en het is aannemelijk dat door het tijdverloop gegevens en documenten niet meer aanwezig en/of op te vragen zijn bij instanties. Omdat [eiser] (en [gedaagde 2] ) [gedaagde in hoofdzaak] (of [gevolmachtigd gedaagde 1] ) niet eerder hebben aangesproken op de verplichting om jaarlijks opgave te doen, kan dat niet uitsluitend voor rekening en risico van [gedaagde in hoofdzaak] of [gevolmachtigd gedaagde 1] komen.
4.6.
[gevolmachtigd gedaagde 1] heeft in haar conclusie van antwoord in incident nadere informatie gegeven over de activa van het bezwaard vermogen in het licht van de administratie- en opgaveplicht. De rechtbank overweegt als volgt over de afzonderlijke activa.
Woning: [gevolmachtigd gedaagde 1] stelt zich terecht op het standpunt dat de administratie- en opgaveplicht voor de woning niet van wezenlijk belang is. De woning was ten tijde van het overlijden van erflaatster eigendom van [gedaagde in hoofdzaak] en van erflaatster. De onverdeelde helft van de woning behoorde en behoort nog steeds tot het bezwaarde vermogen. Daarover bestaat geen discussie. De waarde van de woning is met name van belang op het moment waarop het recht van de bezwaarde eindigt en de woning als gevolg daarvan moet worden verdeeld. Dit punt kan nader aan de orde worden gesteld in de hoofdzaak.
Bankrekeningen: De helft van de gemeenschappelijke banktegoeden, zijnde het deel van erflaatster, is niet apart geadministreerd door [gedaagde in hoofdzaak] en vermengd met het aan [gedaagde in hoofdzaak] toekomende deel van de banktegoeden. [gedaagde in hoofdzaak] heeft dus niet voldaan aan de op hem rustende verplichting het bezwaarde vermogen afzonderlijk van zijn privévermogen te administreren. Dit maakt dat het verloop van de liquide middelen uit het bezwaard vermogen niet duidelijk is. De vraag is of dit achteraf nog gereconstrueerd kan worden. [eiser] (en zo ook [gedaagde 2] ) heeft als verwachter een gerechtvaardigd belang bij de opgave van dit verloop, ook al staat het [gedaagde in hoofdzaak] op grond van het testament vrij om het bezwaarde vermogen te verteren. De verwachters kunnen namelijk mede aan de hand van de waarde van de banktegoeden een inschatting maken van wat zij zullen erven. Anders dan [gevolmachtigd gedaagde 1] stelt, hebben zij dan ook recht op informatie over de banksaldi voor zover die nog is te achterhalen. Dat geldt te meer nu [gevolmachtigd gedaagde 1] geen inzicht heeft gegeven in de huidige saldi van de bankrekeningen. [gevolmachtigd gedaagde 1] heeft alleen de banksaldi in 2013 genoemd en (zonder onderbouwing) gesteld dat [gedaagde in hoofdzaak] een aantal uitgaven aan onderhoud van de woning en aan een auto zou hebben gedaan. Dat geeft [eiser] (of [gedaagde 2] ) als verwachter(s) niet het inzicht in het bezwaarde vermogen waar zij op grond van het testament recht op hebben. [eiser] en [gedaagde 2] hebben recht op afschriften van de jaaropgaven van de bankrekeningen, voor zover [gevolmachtigd gedaagde 1] daarover kan beschikken dan wel deze kan opvragen. Gelet op de voor banken geldende bewaartermijn van zeven jaar moet het mogelijk zijn om ieder geval over de periode vanaf 2019 nog jaaropgaven van de bankrekeningen op te vragen. Voor zover de bank waarbij de rekeningen gehouden worden een langere bewaartermijn hanteert, dienen de afschriften over die langere periode te worden opgevraagd. De vordering van [eiser] zal dan ook in zoverre worden toegewezen.
Auto:[gevolmachtigd gedaagde 1] stelt dat tot het bezwaarde vermogen aanvankelijk een Peugeot 307 hoorde met kenteken [kentekennummer] en dat die op enig moment is vervangen door een Mitsubishi Colt met kenteken [kentekennummer] van circa € 2.500,00. Niet duidelijk is of de auto nog steeds eigendom van [gedaagde in hoofdzaak] is. [gevolmachtigd gedaagde 1] dient daarvan opgave te doen omdat de auto is aan te merken als vervanging van de Peugeot die tot het bezwaarde vermogen behoorde.
Inboedel: Als gevolg van de tussen erflaatster en [gedaagde in hoofdzaak] bestaande gemeenschap van goederen was de inboedel hun gezamenlijk eigendom. De hele inboedel behoorde voor de onverdeelde helft toe aan erflaatster en is na haar overlijden bij [gedaagde in hoofdzaak] gebleven. De rechtbank volgt [gevolmachtigd gedaagde 1] in haar standpunt dat gebruikte inboedelzaken na verloop van (sinds het overlijden van erflaatster ruim 12) jaren doorgaans nauwelijks nog enige reële waarde hebben. Nu partijen ook niet hebben gesteld dat sprake was van bijzondere, waardevaste inboedelzaken, acht de rechtbank de in het testament opgelegde administratieplicht niet zo ver gaand dat van [gedaagde in hoofdzaak] werd verlangd dat hij van de inboedel administreerde wat hij heeft weggedaan of vervangen en dat hij daarvan jaarlijks opgave deed aan de verwachters. De verwachters hebben daar ook geen gerechtvaardigd belang bij. Een en ander betekent dat Van [gevolmachtigd gedaagde 1] ook niet wordt verwacht dat zij alsnog opgave doet van de inboedel.
4.7.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat [gevolmachtigd gedaagde 1] over de periode vanaf 2019 jaaropgaven van de bankrekeningen van [gedaagde in hoofdzaak] (en/of de erven van erflaatster), of zoveel eerder als de jaaropgaven nog beschikbaar zijn, dient over te leggen en informatie over de auto dient te verstrekken.
[gevolmachtigd gedaagde 1] heeft niets gesteld over de hypotheekschuld die op de woning rustte. Het is niet duidelijk of die schuld nog bestaat en wat de omvang van de schuld is. Ook daarvan dient [gevolmachtigd gedaagde 1] vanaf 2019 een onderbouwde opgave aan [eiser] over te leggen.
Proceskosten
4.8.
De rechtbank zal in verband met de familierechtelijke betrekking van partijen tot erflaatster de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.9.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
beveelt [gevolmachtigd gedaagde 1] om binnen 4 weken na betekening van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken:
- afschriften van jaaropgaven van de bankrekeningen van [gedaagde in hoofdzaak] en van [gedaagde in hoofdzaak] en/of de erven van erflaatster over de periode vanaf 2019, of zoveel eerder als de jaaropgaven beschikbaar zijn, dient over te leggen;
- een onderbouwde opgave van de omvang van de op de hypotheekschuld vanaf 2019 op de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] ;
- informatie over de Mitsubishi Colt met kenteken [kentekennummer] , met name over of de auto nog in bezit is van [gedaagde in hoofdzaak] en/of is vervangen en/of verkocht,
5.2.
verklaart dit vonnis in incident tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst het anders of meer gevorderde af,
in de hoofdzaak
5.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
6 mei 2026voor conclusie van antwoord,
5.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
JO/Ma