ECLI:NL:RBGEL:2026:2389

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
446493
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:44 BWArt. 7:900 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vordering tot vernietiging vaststellingsovereenkomst nalatenschap wegens misbruik omstandigheden en bedrog

Partijen, kinderen van de overleden erflater, sloten op 11 januari 2024 een vaststellingsovereenkomst over de afwikkeling van de nalatenschap. De overeenkomst hield onder meer in dat zij over en weer kwijting en decharge verleenden.

Eiser vorderde vernietiging van deze overeenkomst wegens misbruik van omstandigheden en bedrog, stellende dat zij onder druk was gezet en niet volledig was geïnformeerd over de nalatenschap. Zij stelde dat de nalatenschap meer omvatte dan vermeld en dat er zaken waren verzwegen.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende feiten en bewijs had geleverd voor bedrog, aangezien zij op de hoogte was van de voertuigen en geen concrete aanwijzingen gaf van opzettelijke verzwijging. Ook het beroep op misbruik van omstandigheden faalde, omdat eiser niet aannemelijk maakte dat zij onder druk was gezet en dat de wederpartij daarvan op de hoogte was.

De vaststellingsovereenkomst werd daarom als rechtsgeldig beschouwd en de vorderingen van eiser werden afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst af en verklaart deze rechtsgeldig.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/446493 / HZ ZA 25-20
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[naam eiser in conventie / verweerder in voorwaardelijke reconventie],
te [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie
hierna te noemen: [eiser in conventie] ,
advocaat: mr. R. Plieger,
tegen
[naam gedaagde in conventie / eiser in voorwaardelijke reconventie],
te [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie
hierna te noemen: [gedaagde in conventie] ,
advocaat: mr. M.J. Drost.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 juni 2025
- de mondelinge behandeling van 3 september 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn de kinderen van de heer [erflater] (hierna: erflater).
2.2.
Erflater is op [overlijdensdatum] overleden. Erflater heeft niet bij testament over zijn nalatenschap beschikt (productie 4 van [gedaagde in conventie] ).
2.3.
Erflater was ten tijde van zijn overlijden ongehuwd. Het huwelijk tussen erflater en de moeder van partijen (hierna: de moeder) is ontbonden door echtscheiding in 2021.
2.4.
Partijen zijn de erfgenamen van erflater, ieder voor de helft, en hebben de erfenis zuiver aanvaard.
2.5.
In september 2023 hebben [eiser in conventie] en [gedaagde in conventie] , in het bijzijn van de moeder, afspraken gemaakt over de afwikkeling van de nalatenschap van erflater.
2.6.
Omdat de afwikkeling van de nalatenschap ingewikkelder was dan partijen aanvankelijk dachten, is op enig moment op initiatief van [gedaagde in conventie] contact gezocht met mevrouw [medewerker] van [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ).
2.7.
Op 11 januari 2024 heeft een overleg over de afwikkeling van de nalatenschap plaatsgevonden tussen [eiser in conventie] , [gedaagde in conventie] en mevrouw [medewerker] . Partijen hebben op die dag een
“verklaring kwijting en decharge”ondertekend, waarop twee maal optie 2 is aangevinkt (productie 3 bij de dagvaarding). In de verklaring is onder meer het volgende opgenomen:
“(…)
Ondergetekenden verklaren het gesprek op donderdag 11 januari over de afwikkeling van de nalatenschap (…) te hebben bijgewoond op de locatie van [bedrijf] te [vestigingsplaats]
Ondergetekenden stemmen er mee in dat de totale nalatenschap - € 6.536 bedraagt, per
persoon een bedrag van - € 3.268.
Ondergetekenden stemmen er mee in dat de onderlinge schuld als volgt wordt voldaan:
o Optie 1: [eiser in conventie] betaalt aan [gedaagde in conventie] het bedrag van € 3.268 als compensatie voor de door
haar betaalde schulden.
o Optie 2: [eiser in conventie] verkoopt haar speelwagen met kenteken [kentekennummer] voor een bedrag
van € 4000,00 aan [gedaagde in conventie] .
Meneer [erflater]
ING rekening € 2
Verkoop woonwagen e.d.€ 18.500,00
Nog te betalen bedragen
Administratie (boekhouder) € 2.038
Belastingdienst € 1.196
Verzekeringen € 880
Communicatie (Vodafone e.d.) € 60
Stalling € 740
Accu, omvormers en benzinekosten € 2.773
Zorg € 116
Schulden kredietinstelling € 14.804
Afwikkeling nalatenschap € 2.430
Totaal nog te betalen ` € 25.036,24
Te kort € -6.536,24
De betaling zal als volgt gaan:
o Optie 1:
[eiser in conventie] maakt het bedrag van € 3.268 over op een door [gedaagde in conventie] opgegeven rekening.
[eiser in conventie] draagt met ingang van maandag 15 januari 2024 zelf zorg voor de stalling van de
genoemde spelwagen.
o Optie 2:
[eiser in conventie] brengt op een nader af te spreken tijdstip het kenteken van de spelwagen bij mevrouw [medewerker] op het kantoor van [bedrijf] te [vestigingsplaats] [eiser in conventie] ontvangt van mevrouw [medewerker] een bedrag van € 4.000 - € 3.268 = €732.00
Voort verklaren de ondergetekenden dat na de uitvoer van (…) optie 2 er in de nalatenschap van de overledene over en weer kwijting en decharge wordt verleend.”
2.8.
Partijen hebben vervolgens uitvoering gegeven aan de op 11 januari 2024 gemaakte afspraken.
2.9.
Enkele weken na het ondertekenen van de verklaring van 11 januari 2024 heeft de advocaat van [eiser in conventie] [gedaagde in conventie] per e-mailbericht bericht dat [eiser in conventie] niet meer kon instemmen met de verklaring omdat de verklaring/overeenkomst niet rechtsgeldig is.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser in conventie] vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te verklaren voor recht dat de verklaring/overeenkomst van 11 januari 2024 is vernietigd;
- te bepalen dat aan haar, als aandeel in de nalatenschap van erflater, een bedrag van € 47.862,40 toekomt en dat dit bedrag aan haar dient te worden voldaan door [gedaagde in conventie] , althans een afwikkeling van de nalatenschap te bepalen die de rechtbank juist acht;
- [gedaagde in conventie] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2.
Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt [eiser in conventie] samengevat dat bij de ondertekening van de verklaring op 11 januari 2024 misbruik van omstandigheden is gemaakt (doordat zij ernstig onder druk is gezet om de overeenkomst te tekenen) en sprake is geweest van bedrog (door het verzwijgen van relevante zaken die tot de nalatenschap behoorden). [eiser in conventie] stelt dat zij vrij snel na ondertekening van de verklaring ontdekte dat zij niet volledig was geïnformeerd over hetgeen tot de nalatenschap behoort. Zo bleken er meer voertuigen op naam van erflater te staan. Het saldo van de nalatenschap is volgens [eiser in conventie] hoger dan het in de verklaring genoemde bedrag. De verklaring/overeenkomst is om die reden niet rechtsgeldig, aldus [eiser in conventie] .
3.3.
[gedaagde in conventie] voert verweer. Volgens haar is een rechtsgeldige overeenkomst tot stand gekomen over de afwikkeling van de nalatenschap. Zij betwist dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden of bedrog. [gedaagde in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser in conventie] , dan wel afwijzing van het gevorderde met compensatie van de proceskosten.
in reconventie
3.4.
De rechtbank begrijpt dat [gedaagde in conventie] , voor zover in conventie niet wordt beslist tot niet-ontvankelijkheid van [eiser in conventie] en de vorderingen in conventie evenmin worden afgewezen, vordert om [eiser in conventie] te veroordelen om aan haar ( [gedaagde in conventie] ) een bedrag van € 12.748,51 te betalen, te vermeerderen met verschuldigde stallingskosten van € 300,- per maand voor de spelwagen tot het moment waarop [eiser in conventie] de stallingsovereenkomst heeft overgenomen of beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze conclusie tot de dag waarop de vordering geheel is voldaan.
3.5.
[eiser in conventie] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van [gedaagde in conventie] .
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat de door partijen ondertekende verklaring van 11 januari 2024 is te kwalificeren als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW Pro (hierna te noemen: de overeenkomst). Uit het door partijen gestelde en uit de verklaring blijkt immers dat zij tot afwikkeling van de nalatenschap wilden komen en dat zij met het oog daarop hebben gekozen voor een praktische oplossing (optie 2) en hebben verklaard dat zij in verband met de nalatenschap over en weer niets meer te vorderen hebben. Zij hebben met de gemaakte afspraken de verdeling vastgesteld en een einde gemaakt aan de onduidelijkheid en de onzekerheid die zij daarover hadden.
4.2.
[eiser in conventie] vordert allereerst voor recht te verklaren dat de overeenkomst is vernietigd. Zij heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de overeenkomst tot stand is gekomen (1) door bedrog en (2) door misbruik van omstandigheden. [gedaagde in conventie] betwist dat de overeenkomst onder invloed van bedrog of misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Omdat [eiser in conventie] zich beroept op de rechtsgevolgen van bedrog en misbruik van omstandigheden, rust op haar de plicht om voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit blijkt dat daarvan sprake is geweest (artikel 150 Rv Pro).
Bedrog
4.3.
Van bedrog is sprake wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep (artikel 3:44 lid 3 BW Pro).
4.4.
[eiser in conventie] stelt dat [gedaagde in conventie] zaken heeft verzwegen die aan erflater in eigendom toebehoorden, dat zij zaken aan derden heeft verkocht en dat het saldo van de nalatenschap hoger was dan waarvan is uitgegaan in de overeenkomst. Ter onderbouwing heeft zij als productie 4 een uitdraai van de RDW overgelegd waaruit blijkt dat op naam van erflater zes voertuigen stonden geregistreerd. [eiser in conventie] heeft echter niet gesteld dat [gedaagde in conventie] deze voertuigen opzettelijk heeft verzwegen bij het sluiten van de overeenkomst. Uit de stellingen van [eiser in conventie] blijkt bovendien dat zij op de hoogte was van het bestaan van die voertuigen. Zo stelt zij in de conclusie van antwoord in reconventie dat zij wist dat de witte spelwagen in 2023 was aangekocht en dat de Mercedes bestelauto bij moeder in gebruik was. De blauwe spelwagen is onderdeel van de overeenkomst en was in gebruik bij [eiser in conventie] , zodat zij ook van het bestaan daarvan op de hoogte was. Omdat [eiser in conventie] verder niet heeft gespecificeerd over welke zaken [gedaagde in conventie] precies heeft gezwegen, terwijl zij [eiser in conventie] daarover iets had moeten mededelen, heeft [eiser in conventie] onvoldoende onderbouwd dat sprake is geweest van bedrog. [gedaagde in conventie] erkent overigens dat zij zaken van de nalatenschap heeft verkocht. Zij stelt dat zij dat heeft gedaan om met de opbrengst schulden van de nalatenschap te kunnen aflossen en dat [eiser in conventie] daarvan op de hoogte was. [eiser in conventie] heeft dit niet betwist. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [eiser in conventie] van de verkoop wist en dat van verzwijging van die zaken door [gedaagde in conventie] geen sprake is geweest.
4.5.
[eiser in conventie] heeft verder nog gesteld dat [gedaagde in conventie] voertuigen voor een te laag bedrag heeft verkocht of heeft meegenomen bij de afwikkeling van de nalatenschap. Die stelling heeft zij echter evenmin (voldoende) onderbouwd. [eiser in conventie] heeft ter onderbouwing als productie 5 offertes (van 4 oktober 2024 betreffende niet nader aangeduide voertuigen en gericht aan ene heer [betrokkene] ) voor aanpassingen aan voertuigen overgelegd en gesteld dat de voertuigen van erflater door die aanpassingen (ten behoeve van kermisactiviteiten) méér waard waren. Voor zover al aangenomen kan worden dat die aanpassingen op enig moment aan tot de nalatenschap behorende voertuigen is verricht, betekent dat nog niet dat de kosten van die aanpassingen daadwerkelijk tot een waardeverhoging hebben geleid en (geheel) opgeteld moeten worden bij de waarde van de voertuigen op het moment van het sluiten van de overeenkomst. Omdat [eiser in conventie] verder geen onderbouwing van de waarde van de voertuigen heeft gegeven (bijvoorbeeld door een taxatierapport over te leggen), heeft zij onvoldoende onderbouwd dat bij het sluiten van de overeenkomst van een te lage waarde is uitgegaan. Dat betekent dat ook op dit punt niet is gebleken van opzettelijk gedane onjuiste mededelingen door [gedaagde in conventie] of andere kunstgrepen van [gedaagde in conventie] om [eiser in conventie] te bewegen tot het sluiten van de overeenkomst.
4.6.
[eiser in conventie] heeft gelet op het voorgaande onvoldoende gesteld en onderbouwd dat sprake is geweest van bedrog, zodat haar beroep daarop niet slagen.
Misbruik van omstandigheden
4.7.
Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, hoewel hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (artikel 3:44 lid 4 BW Pro).
4.8.
[eiser in conventie] stelt dat zij zich erg onder druk gezet heeft gevoeld om de overeenkomst te tekenen. [gedaagde in conventie] betwist dat [eiser in conventie] onder druk is gezet om de overeenkomst te tekenen en stelt daarvan ook niets te hebben gemerkt. Ter onderbouwing van die betwisting heeft [gedaagde in conventie] een e-mailbericht overgelegd van mevrouw [medewerker] van 15 mei 204 over het contact dat zij met partijen heeft gehad. Zij heeft onder meer het volgende verklaard:
“(…)
Beide zussen wilde graag duidelijkheid hebben in de nalatenschap van hun overleden vader en beide zussen wilde daar niet heel veel geld aan besteden. De wens die vooraf is uitgesproken is dat het simpel en vooral praktisch moest blijven. (…)
Het overzicht dat op 11 januari jl. is besproken is zeker niet volledig. Maar het gaf beide zussen de ruimte om zelfstandig door te gaan zoals hun wens was.”
4.9.
[eiser in conventie] heeft na betwisting door [gedaagde in conventie] op geen enkele manier onderbouwd door welke omstandigheid en/of door wie zij onder druk is gezet. Ter zitting heeft [eiser in conventie] gesteld dat zij niet wist van het bestaan van mevrouw [medewerker] en ook niet van wat zij bij haar moest komen doen. [gedaagde in conventie] heeft als productie 6 echter een whatsappbericht van 9 november 2023 overgelegd waarin zij op verzoek van [eiser in conventie] de contactgegevens van mevrouw [medewerker] aan [eiser in conventie] heeft gestuurd. Bovendien heeft [gedaagde in conventie] ter zitting onweersproken gesteld dat zij in oktober 2023 met [eiser in conventie] heeft besproken om mevrouw [medewerker] in te schakelen, dat [eiser in conventie] daarmee akkoord was en dat zij samen opdracht aan mevrouw [medewerker] hebben gegeven.
Voor zover [eiser in conventie] stelt dat mevrouw [medewerker] van te voren uitsluitend contact heeft gehad met [gedaagde in conventie] , is dat niet aan [gedaagde in conventie] te wijten omdat [eiser in conventie] ruime tijd voor 11 januari 2024 al bekend was met de contactgegevens van mevrouw [medewerker] . [eiser in conventie] had daardoor ook zelf al eerder contact met mevrouw [medewerker] kunnen opnemen. Zonder onderbouwing – die [eiser in conventie] niet heeft gegeven – is bovendien niet waarschijnlijk dat een professionele financiële dienstverlener zoals mevrouw [medewerker] / [bedrijf] een partij onder druk zet bij het ondertekenen van een overeenkomst. Voor zover [eiser in conventie] die druk toch gevoeld heeft, leidt dit bovendien nog niet tot misbruik van omstandigheden. Daarvoor is immers ook vereist dat de andere partij ( [gedaagde in conventie] ) wist of had moeten begrijpen dat [eiser in conventie] door die druk werd bewogen tot het sluiten van de overeenkomst en dat zij [eiser in conventie] daarvan had moeten weerhouden. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde in conventie] dat wist of had moeten weten. Dat geldt te meer nu uit de verklaring van mevrouw [medewerker] juist blijkt dat beide partijen wensten dat er op een simpele en goedkope manier duidelijkheid zou komen over de afwikkeling van de nalatenschap en dat zij bij het sluiten van de overeenkomst accepteerden dat het in de overeenkomst opgenomen overzicht niet volledig was.
4.10.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep van [eiser in conventie] op misbruik van omstandigheden evenmin kan slagen.
Overeenkomst rechtsgeldig
4.11.
Omdat niet is gebleken dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van wilsgebreken is er geen grond voor vernietiging van de overeenkomst. De door [eiser in conventie] gevorderde verklaring voor recht is daarom niet toewijsbaar. Dat betekent dat de overeenkomst bindend is, dat de nalatenschap conform het bepaalde in de overeenkomst moet worden afgewikkeld – zoals partijen al hebben gedaan – en dat partijen over en weer niets meer van elkaar hebben te vorderen in verband met de nalatenschap. De vordering van [eiser in conventie] om te bepalen dat haar als aandeel in de nalatenschap een bedrag van € 47.862,40 toekomt en dat [gedaagde in conventie] dat bedrag aan haar dient te voldoen, is om die reden evenmin toewijsbaar.
De proceskosten
4.12.
Gelet op de familierechterlijke relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in reconventie
4.13.
Gelet op de wijze waarop [gedaagde in conventie] haar vordering heeft ingesteld, komt de rechtbank aan de beoordeling van die vordering slechts toe voor zover de vorderingen van [eiser in conventie] in conventie (deels) worden toegewezen. Aangezien de vorderingen van [eiser in conventie] worden afgewezen, kan beoordeling van en beslissing op de vordering van [gedaagde in conventie] achterwege blijven.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser in conventie] af,
5.2. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
JO/MS