Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2317

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
11939168
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsregeling zorgverzekering onterecht stopgezet, buitengerechtelijke kosten afgewezen

Gedaagde heeft een zorgverzekering bij FBTO en liet twee declaraties met eigen risico onbetaald. FBTO en gedaagde sloten een betalingsregeling van €25 per maand, die schriftelijk werd bevestigd. Gedaagde vertrok naar het buitenland, waarna FBTO de regeling stopzette vanwege een gestorneerde incasso. Gedaagde betwistte de stopzetting en de gevorderde buitengerechtelijke kosten.

De rechtbank stelt vast dat gedaagde het verschuldigde bedrag aan eigen risico deels heeft voldaan en dat FBTO onvoldoende heeft onderbouwd waarom de betalingsregeling werd beëindigd. De regeling voorzag niet in stopzetting bij niet-betaling van een nieuwe zorgnota, en gedaagde betaalde premies en termijnen volgens afspraak.

De rechtbank oordeelt dat FBTO onredelijk heeft gehandeld en de betalingsregeling onterecht stopzette, waardoor het niet toewijzen van buitengerechtelijke kosten en het compenseren van proceskosten passend is. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het resterende bedrag van €166,52. De rechtbank gaat ervan uit dat de betalingsregeling wordt voortgezet.

Uitkomst: Gedaagde moet €166,52 betalen; buitengerechtelijke kosten afgewezen en proceskosten gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11939168 \ CV EXPL 25-8588
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Leeuwarden,
eisende partij,
hierna te noemen: FBTO,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[naam gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 september 2025 met een tweetal ongenummerde producties;
- de conclusie van antwoord met een ongenummerde productie;
- de conclusie van repliek met producties 1 tot en met 11, tevens houdende akte vermindering van eis;
- de conclusie van dupliek;
- de aanvullende conclusie van dupliek met een tweetal ongenummerde producties;
- de akte van FBTO, tevens houdende akte vermeerdering van eis.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft een zorgverzekeringsovereenkomst (met als relatienummer [nummer] ) met FBTO voor de basisverzekering en/of aanvullende verzekering(en).
2.2.
[gedaagde] laat de declaratie van FBTO van 5 februari 2025 onbetaald, waarbij een bedrag van € 241,56 aan eigen risico in rekening is gebracht.
2.3.
Op 28 februari 2025 stuurt FBTO een declaratie naar [gedaagde] , waarbij een bedrag van € 139,22 aan eigen risico in rekening wordt gebracht.
2.4.
FBTO en [gedaagde] sluiten een betalingsregeling van € 25,00 per maand, ingaande op 1 april 2025, voor de declaratie van 5 februari 2025. Deze regeling wordt per e-mailbericht door FBTO op 18 maart 2025 schriftelijk bevestigd. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:
Wij schrijven € 241,56 in 10 keer af van uw rekening.(…) Lees de spelregels ook even door:
  • U betaalt per automatische incasso;
  • U zorgt ervoor dat wij het maandbedrag elke maand kunnen afschrijven;
  • U betaalt ook uw premie op tijd.
Houdt u zich aan deze spelregels? Dan blijft u uw zorgkosten in delen betalen.
Een nieuwe rekening voor zorgkosten? Die tellen we op bij het nog openstaande bedrag.
U krijgt in dat geval een nieuwe mail van ons met een overzicht van de afschrijfdatums. Wordt het openstaande bedrag te hoog om een 12 maanden te betalen met € 25,-? Dan verhogen wij het maandbedrag automatisch.”
2.5.
Eind maart 2025 vertrekt [gedaagde] voor langere tijd naar het buitenland.
2.6.
Op 28 maart 2025 boekt FBTO een bedrag van € 25,00 automatisch af van de rekening van [gedaagde] .
2.7.
Op 28 maart 2025 wordt het door FBTO automatisch geïncasseerde bedrag van € 139,22 gestorneerd.
2.8.
Op 1 april 2025 stuurt FBTO per e-mailbericht een herinnering naar [gedaagde] voor het verschuldigde eigen risico van € 139,22.
2.9.
Op 24 april 2025 stuurt FBTO een e-mailbericht naar [gedaagde] met daarin onder meer het volgende:
“Wij stoppen de betalingsregeling.
U heeft de rekening of een termijnbedrag niet op tijd betaald. De afspraak is dan dat u de rest van het bedrag van de betalingsregeling in 1 keer betaald. Wij vinden het jammer dat het zo gelopen is.”
2.10.
Op 27 mei 2025 stuurt FBTO een herinnering naar [gedaagde] , waarbij een bedrag van in totaal € 375,78 in rekening wordt gebracht.
2.11.
Op 25 juni 2025 stuurt de gemachtigde van FBTO een kosteloze aanmaning naar [gedaagde] , waarbij een bedrag van € 64,58 aan buitengerechtelijke kosten wordt aangezegd.
2.12.
Bij e-mailbericht van 1 juli 2025 verzoekt [gedaagde] bij de gemachtigde van FBTO om een betalingsregeling voor het bedrag van € 361,56.
2.13.
De gemachtigde van FBTO en [gedaagde] sluiten een betalingsregeling van € 50,00 per maand. Bij brief van 23 oktober 2025 bevestigt de gemachtigde van FBTO de gemaakte betalingsregeling. [gedaagde] heeft vier termijnen van deze betalingsregeling betaald.

3.Het geschil

3.1.
FBTO heeft, na bij de conclusie van repliek en bij akte haar vordering te hebben verminderd, de veroordeling van [gedaagde] gevorderd tot betaling van een bedrag van € 231,10, met de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
FBTO heeft aan haar verminderde vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] een tweetal declaraties, betreffende het verplicht eigen risico, onbetaald heeft gelaten. [gedaagde] heeft, ondanks een betalingsregeling, diverse herinneringen en aanmaningen, het verschuldigde bedrag aan verplicht eigen risico niet (volledig) voldaan. FBTO heeft de vordering uit handen moeten geven, reden waarom zij ook aanspraak maakt op de buitengerechtelijke kosten en de reeds verschenen wettelijke rente. Volgens FBTO is de betalingsregeling stopgezet, omdat [gedaagde] de automatische incasso voor de declaratie van 28 februari 2025 heeft laten storneren.
3.3.
[gedaagde] heeft erkend dat zij een tweetal declaraties onbetaald heeft gelaten, maar zij maakt bezwaar tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde] bij FBTO ingeschreven staat, een bedrag van € 380,78 (€ 241,56 en € 139,22) aan eigen risico verschuldigd is en [gedaagde] voor dagvaarding een bedrag van € 25,00 heeft voldaan, gaat de kantonrechter daarvan uit. Dit betekent dat [gedaagde] in beginsel een bedrag van € 355,78 verschuldigd is. [gedaagde] heeft geen separaat verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente. De kantonrechter wijst daarom ook dit deel (€ 10,74) toe.
Buitengerechtelijke kosten en proceskosten
4.2.
FBTO heeft naast de hoofdsom en rente ook buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten gevorderd. Voor de buitengerechtelijke incassokosten verwijst FBTO naar de kosteloze aanmaning, de betalingsregeling(en) en aanmaningen.
4.3.
De kantonrechter stelt vast dat partijen een betalingsregeling hebben gesloten die FBTO op 18 maart 2025 schriftelijk heeft bevestigd (rov.2.4.). Voor de kantonrechter is, mede gelet op de inhoud van de tussen partijen gesloten betalingsregeling, onduidelijk waarom FBTO deze betalingsregeling heeft beëindigd. Anders dan dat FBTO gesteld heeft, volgt uit deze betalingsregeling niet dat deze gestopt zou worden op het moment dat een (oude) zorgnota niet betaald zou zijn. Immers, in de betalingsregeling is enkel opgenomen dat [gedaagde] per automatische incasso dient te betalen, dat [gedaagde] ervoor dient te zorgen dat het bedrag ook maandelijks kan worden afgeschreven en dat [gedaagde] haar premie ook op tijd dient te betalen. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] niet voldaan zou hebben aan voormelde eisen. In tegendeel zelf. Uit de overgelegde producties volgt immers dat [gedaagde] haar zorgverzekeringspremies op tijd heeft betaald en dat FBTO het bedrag voor de betalingsregeling ook automatisch heeft kunnen incasseren, zodat zij niet gerechtigd was om de betalingsregeling stop te zetten. Daarbij komt dat, in tegenstelling tot wat FBTO betoogd heeft, ook het gestorneerde bedrag aan eigen risico voor de declaratie van 28 februari 2025 conform de betalingsregeling mocht worden opgeteld bij het openstaande bedrag. Naar het oordeel van de kantonrechter betrof dit immers een nieuwe zorgnota en niet, zoals FBTO betoogd heeft, een oude zorgnota. De declaratie van 28 februari 2025 ziet immers op het verschuldigde bedrag aan eigen risico uit februari 2025, terwijl de voormelde betalingsregeling ziet op het verschuldigde bedrag aan eigen risico uit januari 2025.
4.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft FBTO daarmee in strijd gehandeld met de op grond van artikel 6:2 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) op haar rustende verplichting om zich overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid tegenover [gedaagde] te gedragen. FBTO heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van [gedaagde] . Dit klemt naar het oordeel van de kantonrechter te meer daar [gedaagde] , nadat zij uit het buitenland was teruggekeerd, meerdere malen contact heeft opgenomen met (de gemachtigde van) FBTO en verzocht heeft de betalingsregeling te hervatten.
4.5.
De kantonrechter is, mede gelet op al het voorgaande, van oordeel dat van FBTO verwacht had mogen worden dat zij de betalingsregeling – die zij onterecht stop heeft gezet – zou hervatten zonder dat zij daarbij extra kosten bij [gedaagde] in rekening zou brengen. Dit heeft zij ten onrechte nagelaten. FBTO heeft weliswaar bij [gedaagde] aangegeven dat zij opnieuw een passende betalingsregeling wilde afspreken, maar onduidelijk is of zij daarbij ook de reeds gemaakte (buitengerechtelijke) kosten bij [gedaagde] in rekening wilde brengen. Ook de nadien (met de gemachtigde van) FBTO overeengekomen betalingsregeling is naar het oordeel van de kantonrechter in strijd met het bepaalde in artikel 6:2 lid 1 BW Pro. Het bevat immers ten onrechte in rekening gebrachte extra kosten, waaronder onder meer buitengerechtelijke incassokosten.
4.6.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden acht de kantonrechter het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat FBTO de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten verhaalt op [gedaagde] . De kantonrechter zal daarom de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afwijzen en de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.7.
Uit de overwegingen hiervoor volgt dat [gedaagde] de hoofdsom (€ 355,78) en wettelijke rente (€ 10,74) moet betalen aan FBTO. [gedaagde] heeft in het kader van een betalingsregeling reeds een bedrag van € 200,00 voldaan, zodat dit bedrag in mindering dient te worden gebracht. Dit betekent dat FBTO recht heeft op een bedrag van € 166,52. De kantonrechter wijst dit bedrag dan ook toe.
4.8.
Voor het geval [gedaagde] nog verzocht heeft om een betalingsregeling, is de kantonrechter niet bevoegd om deze op te leggen. De kantonrechter gaat er, mede gelet op al het voorgaande, wel van uit dat FBTO de met [gedaagde] gemaakte betalingsregeling voortzet en [gedaagde] die betalingsregeling nakomt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan FBTO te betalen een bedrag van € 166,52,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
68707\415