Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2300

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
434982
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 2 sub b BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende schadevergoeding wegens gebrekkige aanbouw woning na deskundigenbericht

In deze civiele bodemzaak vordert eiser vergoeding van herstelkosten voor een gebrekkige aanbouw aan zijn woning. Na benoeming van een deskundige die de reële herstelkosten begrootte, zijn de standpunten van partijen uitgewisseld en beoordeeld.

De deskundige begrootte de herstelkosten op €36.161,77 inclusief btw, maar de rechtbank corrigeerde enkele posten, zoals het meenemen van voegwerk en loodslabbe, en het niet meenemen van posten onvoorzien en besmet werk. De totale vervangende schadevergoeding werd vastgesteld op €32.231,52 inclusief btw.

De rechtbank wees ook de wettelijke rente toe vanaf de datum van verzuim en de gevolgschade van €1.038,84 met rente. Verzoeken tot matiging van de schadevergoeding wegens financiële positie van gedaagde werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Proceskosten en wettelijke rente daarop werden eveneens toegewezen.

De vorderingen tegen andere gedaagden werden afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde 2 wordt veroordeeld tot betaling van €32.231,52 schadevergoeding met rente en proceskosten; vorderingen tegen andere gedaagden worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/434982 / HA ZA 24-219
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[naam eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. L.H.H. Verhoeven,
tegen

1.de vennootschap onder firma [naam gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.
[naam gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
3.
[naam gedaagde 3],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen [gedaagde 1] . en ieder voor zich de vof, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ,
advocaat: mr. J.J.M.I. Kamsteeg.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 14 mei 2025,
- het op 10 december 2025 ter griffie ontvangen deskundigenbericht
- de conclusie na deskundigenbericht van [eiser]
- de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde 1] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis van 14 mei 2025 is tot deskundige benoemd ing. M. Klompenhouwer van EXP Bouwkundig Onderzoek & Advies. Aan hem is ter beantwoording de vraag voorgelegd een begroting te maken van de reële kosten van de afgesproken herstelwerkzaamheden aan de uitbouw, zoals deze zijn vermeld in het vijfde herstelplan (productie 10 bij conclusie van antwoord), een en ander voor zover deze werkzaamheden daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Ook is hem de vraag voorgelegd of er nog andere punten zijn die hij naar voren wil brengen waarvan de rechter volgens hem kennis moet nemen bij de verdere beoordeling.
2.2.
De deskundige heeft de onderdelen van het vijfde herstelplan tot uitgangspunt genomen en heeft de reële kosten van de afgesproken herstelwerkzaamheden begroot op een totaalbedrag van € 36.161,77 inclusief btw. Hierin is begrepen een post onvoorzien en risico 5 % van € 1.572,25 en een post besmet werk van € 3.144,50, wat ziet op een andere zienswijze van de uitvoerend aannemer, waardoor er meer werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd dan voorzien, waarvan de kosten op 10% zijn geraamd.
2.3.
[eiser] is het voor het overgrote deel eens met de begroting van de kosten van herstel door de deskundige. Op drie punten is hij het niet eens met de deskundige.
Hij verzoekt ten eerste een bedrag van € 55,00 exclusief btw meer te rekenen voor de daadwerkelijke kosten van de aanpassing van de HEA260 balk, door de deskundige begroot op € 385,00. Volgens [eiser] is de HEA260 balk niet volledig vervangen, maar door CMB Totaalbouw aangepast. Uit het rapport van de deskundige onder punt 6.1 blijkt dat de deskundige ook is uitgegaan van aanpassing van de oplegging van HEA260 en niet van het vervangen daarvan. Dat CMB Totaalbouw daarvoor kennelijk meer in rekening heeft gebracht dan de deskundige aan herstelkosten heeft begroot, betekent niet dat dit bedrag moet worden aangepast. Het gaat immers niet om de werkelijk door [eiser] aan CMB Totaalbouw betaalde kosten, maar om een begroting van de reële herstelkosten. Het bezwaar van [eiser] is dus ongegrond.
2.4.
[eiser] verzoekt voorts een bedrag van € 110,00 exclusief btw mee te nemen voor post 12, scheuren gevel inslijpen en opnieuw invoegen. De deskundige heeft voor dit onderdeel geen herstelkosten begroot, omdat deze werkzaamheden door CMB Totaalbouw niet zijn uitgevoerd. Volgens [eiser] zijn de voegen niet uitgeslepen door CMB Totaalbouw, maar zijn deze wel opnieuw gevoegd. [eiser] heeft dit punt ook ingebracht in zijn reactie op het concept deskundigenrapport. De deskundige heeft hierop aangegeven dat de scheurvorming nog aanwezig was, of weer zichtbaar was, en dat daarom de werkzaamheden weinig intensief waren en geen waarde hebben gehad, zodat hij geen aanpassing wat betreft de kosten op dit punt opneemt.
De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat deze kosten wel moeten worden meegenomen. Deze post was opgenomen in het vijfde herstelplan, dat als uitgangspunt dient, en deze werkzaamheden zijn uitgevoerd door CMB Totaalbouw, wat ook blijkt uit de e-mail van CMB Totaalbouw die in de akte na deskundigenbericht is vermeld. De vermelding door de deskundige dat deze werkzaamheden weinig waarde hebben, omdat de scheuren weer zichtbaar zijn, ziet op de kwaliteit van het werk. Dat aspect weegt echter niet mee bij de begroting van de reële herstelkosten. Een bedrag van € 110,00 zal daarom worden meegerekend.
2.5.
Onder punt 4 van het deskundigenrapport bij ‘Afwerking dak buitenkozijn dit is nu gekit hoe hadden ze dat anders gezien dan?’ heeft de deskundige geen herstelkosten begroot, omdat deze werkzaamheden niet zijn uitgevoerd door CMB Totaalbouw; er is een geheel nieuwe aansluiting geplaatst. De deskundige merkt bij deze post op dat hierover kennelijk nog overleg diende plaats te vinden.
[eiser] verzoekt een bedrag van € 540,00 exclusief btw voor het inwerken van de loodslabbe conform de opgave van CMB Totaalbouw mee te rekenen. Naar het oordeel van de rechtbank moet met deze post rekening worden gehouden. Uit de weergave van deze post in het vijfde herstelplan met de woorden: ‘hoe hadden ze dit anders gezien dan?’ maakt de rechtbank op dat [gedaagde 2] niet direct voor zich zag hoe de afwerking dak buitenkozijn anders dan met kitwerk moest worden gedaan. Maar deze post is wel ter herstel opgenomen in het vijfde herstelplan. CMB Totaalbouw heeft vervolgens een nieuwe aansluiting geplaatst. Nu verder niet bekend is op welke andere wijze dit herstel had moeten gebeuren, gaat de rechtbank ervan uit dat deze wijze van herstel, door een nieuwe aansluiting te maken, gerechtvaardigd is. Deze kosten, die niet buitensporig voorkomen, moeten daarom worden meegenomen.
2.6.
[gedaagde 2] handhaaft zijn standpunt over de posten die hij bij brief van 14 november 2025 als reactie op het concept-deskundigenbericht aan de deskundige heeft doen toekomen. De deskundige heeft op deze standpunten van [gedaagde 2] gereageerd, zoals weergegeven in § 11.2 van het rapport. De deskundige heeft geen aanleiding gezien zijn conclusies aan te passen naar aanleiding van de standpunten van [gedaagde 2] .
De deskundige heeft gemotiveerd waarom hij bij zijn bevindingen blijft en dit is naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk. [gedaagde 2] heeft in zijn akte na deskundigenbericht volstaan met het handhaven van zijn eerdere standpunten. In het licht van de reactie van de deskundige op die standpunten, ziet de rechtbank onvoldoende grond om die kritiekpunten van [gedaagde 2] nader te beoordelen en volgt zij de deskundige in zijn reacties daarop.
2.7.
[gedaagde 2] heeft drie nieuwe bezwaren tegen de bevindingen van de deskundige. Het eerste bezwaar ziet op post 7.2 ‘vervangen van de isolatie achter plafond incl. vereiste dampdichte folie 25 m2’. [gedaagde 2] is van mening dat het aanbrengen van dampdichte folie niet is overeengekomen en geen deel uitmaakt van de werkzaamheden. Dit onderdeel ziet op punt 7 van het vijfde herstelplan aangeduid als ‘vervangen isolatie waar nodig.’ Dat het vervangen van isolatie achter het plafond, zoals door de deskundige beoordeeld, geen onderdeel is van dit zevende herstelpunt kan, zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet worden geconcludeerd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat dit punt wel behoort tot de overeengekomen herstelwerkzaamheden. [gedaagde 2] is voorts van mening dat het aanbrengen van dampdichte folie geen vereiste is bij een kouddakconstructie. Dit standpunt is door [gedaagde 2] ook al eerder naar voren gebracht, namelijk in zijn reactie op het concept deskundigenrapport. De deskundige heeft in zijn rapport uitgebreid onderbouwd waarom naar zijn mening wel een dampfolie moet worden aangebracht. Waarom dat desondanks anders zou zijn, is door [gedaagde 2] vervolgens niet nader onderbouwd. De rechtbank volgt daarom de conclusie van de deskundige op dit punt.
[gedaagde 2] is vervolgens van mening dat de door de deskundige begrote kosten van het materiaal van € 387,00 niet juist zijn. Deze kosten zien op 25 m2 dampdichte folie.
Volgens [gedaagde 2] is de gemiddelde prijs voor dampdichte folie € 4,98 inclusief btw. Bovendien is er volgens [gedaagde 2] geen 25 m2, maar slechts 11,44 m2 dampdichte folie door CMB Totaalbouw aangebracht. Daarom moet volgens [gedaagde 2] een bedrag van € 67,53 in mindering worden gebracht op deze post.
De deskundige heeft bij deze post toegelicht dat deze werkzaamheden door CMB Totaalbouw niet zijn uitgevoerd, omdat zij een geheel nieuwe dakopbouw met een warmdakconstructie heeft teruggeplaatst. Omdat de deskundige het vervangen van de isolatie achter het plafond op basis van het vijfde herstelplan wel reëel vond, heeft hij met deze post desondanks rekening gehouden. Daartegen is geen bezwaar gemaakt. De hoeveelheid door CMB Totaalbouw gebruikte dampdichte folie is daarom niet relevant voor deze post. De rechtbank kan niet beoordelen of de prijs per m2 voor dampdichte folie te hoog is begroot door de deskundige. De rechtbank is er niet mee bekend of een willekeurige dampfolie kan worden toegepast, of dat er bijvoorbeeld rekening moet worden gehouden met bepaalde eigenschappen van dampdichte folies en hoe de prijsverschillen tussen verschillende dampfolies moeten worden verklaard. [gedaagde 2] had dit in zijn reactie op het deskundigenbericht aan de deskundige kunnen voorleggen, maar dat heeft hij niet gedaan. Nu de rechtbank niet kan beoordelen of de prijs van dampdichte folie te hoog is begroot, wordt aan dit punt voorbij gegaan. Op de totale schadebegroting betreft het overigens een relatief laag bedrag, volgens [gedaagde 2] € 67,53.
2.8.
[gedaagde 2] maakt voorts bezwaar tegen punt 9.2 in het rapport, dat ziet op ‘Aanbrengen rachels en gipsplafond ter plaatse van de aanbouw’. De deskundige heeft de herstelkosten begroot op € 2.115,00. Volgens [gedaagde 2] zijn deze werkzaamheden door CMB Totaalbouw uitgevoerd voor € 1.525,40. Daarom moet volgens [gedaagde 2] deze post op de werkelijke kosten van € 1.525,40 worden begroot.
In de offerte van CMB Totaalbouw is een post van € 1.525,40 vermeld voor Plafond- en wandsystemen – gipsplatenplafonds die ziet op de onderdelen uitvullen balklaag, vuren vullatten, gipsplaten en bevestigingsmiddelen. In deze post is geen onderscheid gemaakt tussen kosten van materiaal en manuren, waar dat in het rapport van de deskundige wel is vermeld. Alleen de materiaalkosten zijn door de deskundige al begroot op € 1.125,00. De manuren zijn dan nog niet meegerekend, wat het verschil zou kunnen verklaren. De deskundige is gevraagd de herstelkosten te begroten aan de hand van het vijfde herstelplan, en niet om een vergelijking te maken met de door CMB Totaalbouw geoffreerde posten. Dat er een verschil kan bestaan in de door CMB Totaalbouw geoffreerde kosten en de door de deskundige begrote is, nog afgezien van wat hiervoor is vermeld over de manuren, geen reden om deze post naar beneden bij te stellen.
2.9.
[gedaagde 2] heeft bezwaar gemaakt tegen de door de deskundige meegenomen opslagen voor een post onvoorzien en een post besmet werk. De rechtbank is met [gedaagde 2] van oordeel dat deze posten niet moeten worden meegenomen bij de begroting van de reële kosten van de afgesproken herstelwerkzaamheden aan de uitbouw, zoals deze zijn vermeld in het vijfde herstelplan. Bij deze begroting moest worden uitgegaan van werkzaamheden die daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Het werk is door CMB Totaalbouw uitgevoerd. Gesteld nog gebleken is dat CMB Totaalbouw kosten in rekening heeft gebracht die als onvoorzien of als besmet werk kunnen worden aangemerkt. Dat betekent dat de post onvoorzien en risico 5% van € 1.572,25 en de post besmet werk van € 10% van € 3.144,50 niet worden meegerekend.
2.10.
Gelet op wat hiervoor is overwogen wordt aan vervangende schadevergoeding toegewezen:
€ 25.987,62 exclusief btw (het subtotaal begroot volgens de deskundige), + 110,00 exclusief btw voor de voegwerkzaamheden + € 540,00 exclusief btw voor de loodslabbe = € 26.637,62 exclusief btw + 21% btw = € 32.231,52 inclusief btw.
2.11.
De wettelijke rente over de vervangende schadevergoeding zal zoals gevorderd worden toegewezen vanaf 1 februari 2024, aangezien [gedaagde 2] toen in ieder geval in verzuim verkeerde. Tegen de gevorderde wettelijke rente en de gestelde ingangsdatum hiervan is geen zelfstandig verweer gevoerd.
2.12.
In het tussenvonnis van 29 januari 2025 is onder 5.9 al overwogen dat de gevolgschade van € 1.038,84 zal worden toegewezen. De wettelijke rente hierover zal zoals gevorderd worden toegewezen vanaf 29 augustus 2023, zijnde de onweersproken gestelde datum waarop [eiser] de kosten voor het herstel van de gevolgschade heeft betaald. Tegen de gevorderde wettelijke rente en de gestelde ingangsdatum hiervan is geen zelfstandig verweer gevoerd.
2.13.
[gedaagde 2] heeft verzocht de schadevergoeding en de wettelijke rente te matigen, met een beroep op zijn financiële positie. De bij een beroep op matiging toe te passen maatstaf is of toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden zou leiden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen. Daarbij dient een afweging van de belangen van beide partijen plaats te vinden en van alle overige omstandigheden aan de zijde van beide partijen [1] .
[gedaagde 2] voert aan dat hij geen draagkracht heeft om de vordering te betalen. Hij heeft een schuld van ruim € 37.000 aan de belastingdienst en een schuld van bijna € 20.000 aan een leverancier. Nog een te betalen bedrag erbij zou betekenen dat hij waarschijnlijk in de schuldhulpverlening terecht zal komen. Wat [gedaagde 2] verder heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn beroep op matiging, is in het vonnis van 29 januari 2025 onder 5.7 en 5.8 besproken, waarnaar wordt verwezen. [eiser] heeft verweer gevoerd en erop gewezen dat toekomstige liquiditeitsproblemen van [gedaagde 2] niet voor zijn rekening en risico moeten komen.
2.14.
Het komt er in feite op neer dat [gedaagde 2] aanzienlijke schulden heeft en niet in staat stelt te zijn om te betalen. In het overzicht van schulden aan de belastingdienst staat een aanzienlijke schuld aan inkomstenbelasting met vervaldag 26 maart 2021. Ook een aanzienlijk deel van de schuld betreft omzetbelasting uit 2020 en 2021. Waarom [gedaagde 2] deze aanslagen niet heeft betaald is niet toegelicht. Evenmin is duidelijk of deze schulden inmiddels zijn afgelost. [gedaagde 2] heeft niet toegelicht waarom de leverancier niet is betaald. De door de leverancier aangeboden betalingsregeling is, als [gedaagde 2] deze is nagekomen, inmiddels afgerond. Ook hier is niet duidelijk of deze schuld inmiddels is afgelost of niet.
Enerzijds heeft [gedaagde 2] te weinig inzicht gegeven in het ontstaan van en in het eventuele voortbestaan van zijn schuldenpositie. Anderzijds heeft hij op de mondelinge behandeling in december 2024 verklaard dat hij in februari 2023 is gaan werken bij een grote leverancier in sanitair, dat hij daar als ondernemer in zit en dat het aardig loopt. Hij verklaarde inkomen te genereren. Inzage in de inkomstenpositie is niet gegeven.
[gedaagde 2] heeft daarmee onvoldoende onderbouwd dat hij niet in staat is om de schadevergoeding en rente aan [eiser] te betalen. Als dat anders zou zijn geweest, heeft te gelden dat een belangenafweging niet in het voordeel van [gedaagde 2] uitvalt. [gedaagde 2] heeft immers geen deugdelijk werk geleverd, als gevolg waarvan [eiser] met aanzienlijke herstelkosten werd geconfronteerd. Niet valt in te zien waarom het belang van [eiser] bij vergoeding van de geleden schade minder zwaar zou moeten wegen dan het belang van [gedaagde 2] bij matiging van de schadevergoeding.
2.15.
[gedaagde 2] heeft ook verzocht om een toewijzend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, gelet op de grote financiële gevolgen die dit voor hem zal hebben. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat dit zal worden afgewezen, omdat [gedaagde 2] zijn financiële positie onvoldoende heeft onderbouwd.
2.16.
[gedaagde 2] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
  • griffierecht € 1.325,00
  • kosten deskundigen € 3.200,45
  • salaris advocaat € 2.508,00 (3 punten x tarief III € 836,00)
  • nakosten €
beslissing)
Totaal € 7.222,45
2.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.18.
Er bestaat onvoldoende grond om [eiser] te veroordelen in de proceskosten van [naam gedaagde 1] en [gedaagde 3] , omdat van gemaakte kosten naast die voor [gedaagde 2] onvoldoende is gebleken.
2.19.
De gevorderde kosten van het deskundigenonderzoek van TOP Expertise van € 1.361,25 ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid kunnen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro worden toegewezen, evenals de gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding.
2.20.
[eiser] vordert vergoeding van kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand. [gedaagde 2] heeft daartegen verweer gevoerd. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal. [eiser] heeft onvoldoende gesteld en gespecificeerd dat deze kosten zijn gemaakt ter zake van andere verrichtingen dan die waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
wijst de vorderingen tegen [naam gedaagde 1] en [gedaagde 3] af,
3.2.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 32.231,52, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2024 tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.038,84, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2023 tot de dag van volledige betaling,
3.4.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.361,25 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2024 tot de dag van volledige betaling,
3.5.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van € 7.222,45 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.6.
veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR2024:1384