Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2268

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
AWB-26_457
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 AOWArt. 1, vierde lid, AOWArt. 1, vijfde lid, aanhef en onder c, AOW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening AOW-pensioen op basis van onweerlegbaar rechtsvermoeden gezamenlijke huishouding

Eiser betwistte de herziening van zijn AOW-pensioen van de alleenstaandennorm naar de gehuwdennorm over de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 juli 2024. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) had dit herzieningsbesluit genomen op grond van het feit dat eiser en [persoon A] hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres en een geldige samenlevingsovereenkomst hadden gesloten.

De rechtbank oordeelde dat het feitelijke hoofdverblijf bepalend is en niet de inschrijving in de Basisregistratie Personen. Uit het huurcontract en de bevestiging van eiser bleek dat [persoon A] vanaf 15 september 2021 feitelijk op het adres van eiser woonde. De aanwezigheid van een geldige samenlevingsovereenkomst leidt tot een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding volgens artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Algemene Ouderdomswet.

Eiser voerde aan dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding omdat zij een eigen huishouding hielden, ondersteund door verklaringen. De rechtbank vond deze verklaringen onvoldoende en niet toereikend om af te wijken van het rechtsvermoeden. De SVB hoefde daarom niet te onderzoeken of er sprake was van wederzijdse zorg.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het bestreden besluit en wees het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. Eiser werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de herziening van het AOW-pensioen vanwege het onweerlegbare rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/457

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer

van 3 maart 2026

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

(gemachtigde: mr. O.F.M. Vonk).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de herziening van zijn ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) van de alleenstaande norm naar de gehuwdennorm over de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 juli 2024.
1.1.
Met het bestreden besluit van 13 december 2024 op het bezwaar van eiser is de SVB bij het besluit van 1 augustus 2024gebleven.
1.2.
De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de SVB van 13 december 2024 op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van de SVB deelgenomen.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de SVB terecht is overgegaan tot herziening van eisers AOW-pensioen over de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 juli 2024. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. In artikel 1, vierde lid, van de AOW is bepaald dat van gezamenlijke huishouding sprake is, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4.1.
In artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder c, van de AOW is bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht, indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract.
4.1.1.
De rechtbank overweegt dat indien de situatie genoemd in artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder c, van de AOW zich voordoet, sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van het bestaan van een gezamenlijke huishouding. Dit betekent dat de betrokkenen worden geacht een gezamenlijke huishouding te voeren. De SVB hoeft in dit geval niet nader te onderzoeken of wordt voldaan aan het criterium van de wederzijdse zorg, zoals genoemd in artikel 1, vierde lid, van de AOW. De onweerlegbaarheid van het rechtsvermoeden houdt in dat het leveren van tegenbewijs door de betrokkene(n) niet mogelijk is.
Hoofdverblijf
5. Tijdens de zitting in beroep heeft eiser het hoofdverblijf van hem en [persoon A] op eisers adres vanaf 15 september 2021 betwist. Eiser heeft een uittreksel uit de Basisregistratie Personen (BRP) getoond, waarop is vermeld dat [persoon A] per 1 februari 2022 is ingeschreven op eisers adres.
5.1.
De rechtbank overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of er hoofdverblijf in dezelfde woning is, niet de inschrijving in de BRP maar de feitelijke woonsituatie bepalend is. In het dossier bevindt zich een door [persoon A] ondertekend huurcontract met eiser, gedateerd op 1 mei 2021 en ingaande per dezelfde datum. Daarmee is aannemelijk dat [persoon A] in ieder geval vanaf 15 september 2021 hoofdverblijf op eisers adres had. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft eiser, blijkens het verslag dat daarvan is opgemaakt, zelfs bevestigd dat [persoon A] al vanaf 1 mei 2021 feitelijk bij hem woonde. De rechtbank concludeert dan ook, dat de SVB er terecht van is uitgegaan dat eiser en [persoon A] op de datum van het sluiten van het samenlevingscontract hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat dit tijdens de periode in geding zo is gebleven. Ten aanzien van de periode vanaf 1 februari 2022 heeft eiser het hoofdverblijf van [persoon A] op eisers adres immers niet betwist.
Samenlevingscontract
6. Eiser heeft betoogd dat in zijn geval geen sprake is van een samenlevingscontract, maar van een samenlevingsovereenkomst. Ondanks het bestaan van deze samenlevingsovereenkomst per 15 september 2021, is er volgens eiser geen sprake van een gezamenlijke huishouding tussen hem en [persoon A]. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft eiser een drietal verklaringen in de procedure gebracht. Met deze verklaringen wordt volgens eiser conform artikel 1, vierde lid, van de samenlevingsovereenkomst afgesproken dat ieder van hen een eigen huishouding houdt. Overigens heeft eiser betoogd dat er geen sprake is van wederzijdse zorg.
6.1.
Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet.
Allereerst hecht de rechtbank aan het door eiser gemaakte – en overigens niet nader gemotiveerde – onderscheid tussen de benamingen samenlevingscontract en samenlevingsovereenkomst in deze procedure geen betekenis. De rechtbank zal in het onderstaande de term samenlevingsovereenkomst gebruiken.
6.2.
De aanwezigheid van een geldige samenlevingsovereenkomst op 15 september 2021 brengt samen met het hoofdverblijf in de woning met zich dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden per deze datum. Het leveren van tegenbewijs is door de onweerlegbaarheid van het rechtsvermoeden niet mogelijk. De SVB hoefde daarom niet te onderzoeken of sprake was van wederzijdse zorg. De beroepsgronden die eiser met betrekking tot het ontbreken van wederzijdse zorg heeft aangevoerd slagen daarom niet.
6.3.
De door eiser ingebrachte verklaringen, waarmee naar eisers idee uitvoering is gegeven aan artikel 1, vierde lid, van de samenlevingsovereenkomst baten eiser niet.
6.3.1.
In artikel 1, vierde lid, van de samenlevingsovereenkomst is bepaald dat in afwijking van het bepaalde in de leden 2 en 3 van artikel 1 van Pro de samenlevingsovereenkomst, partijen – mits in onderling overleg en schriftelijk vastgelegd – steeds voor een kalenderjaar of een gedeelte daarvan een andere (wijze van) verdeling van bepaalde of alle kosten van de huishouding kunnen overeenkomen [1] en/of kunnen vastleggen dat bepaalde uitgaven niet als kosten van de huishouding worden aangemerkt. [2]
6.3.2.
Allereerst hebben de verklaringen van 14 augustus 2024 en 10 januari 2025 geen betrekking op de periode in geding, zodat deze om die reden buiten beschouwing blijven.
6.3.3.
Ten aanzien van de verklaring van 14 september 2021 geldt, dat geen periode is omschreven waarop de verklaring betrekking heeft, anders dan de handgeschreven opmerking dat deze ook voor het jaar 2022 geldt. Daar komt nog bij dat deze verklaring dermate algemeen van aard is, dat deze onvoldoende is om daarmee af te wijken van de samenlevingsovereenkomst. Dit, nog daargelaten de vraag of een dergelijke afwijking rechtskracht heeft.
7. Het voorgaande betekent dat de SVB terecht hoofdverblijf van eiser en [persoon A] heeft aangenomen op eisers adres en terecht is uitgegaan van de aanwezigheid van een geldende samenlevingsovereenkomst per 15 september 2021. De SVB heeft dan ook terecht een gezamenlijke huishouding aangenomen per 1 oktober 2021 en daarmee terecht het AOW-pensioen over de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 juli 2024 herzien.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026 door
mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van mr. B. de Vries, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 1, tweede lid, van de samenlevingsovereenkomst bepaalt -voor zover hier van belang- dat de gebruikelijke kosten van de huishouding voor rekening van beide partijen komen, naar evenredigheid van hun inkomen.
2.Artikel 1, derde lid, van de samenlevingsovereenkomst bepaalt welke kosten onder meer tot de gebruikelijke kosten van de huishouding worden gerekend.