Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2240

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
AWB 26/1346
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.J.M.
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen ongeldigverklaring rijbewijs na betaling opleggingskosten

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) waarin zijn rijbewijs ongeldig werd verklaard vanwege het niet tijdig betalen van opleggingskosten voor een cursus.

Het CBR heeft dit besluit op 13 maart 2026 ambtshalve herroepen, waardoor het spoedeisend belang van het verzoek is komen te vervallen. Verzoeker erkent dit zelf in zijn brief, maar handhaaft toch zijn verzoek.

De voorzieningenrechter oordeelt dat zonder spoedeisend belang geen voorlopige voorziening kan worden getroffen en wijst het verzoek dan ook af. Tevens wordt overwogen dat verzoeker geen proceskostenvergoeding krijgt omdat hij het verzoek niet heeft ingetrokken ondanks het vervallen belang.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt niet in een eventueel bodemgeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang na ambtshalve herroeping van het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/1346

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het CBR waarin zijn rijbewijs ongeldig is verklaard.
1.1.
Met het besluit van 6 maart 2026 heeft het CBR hiertoe besloten, omdat verzoeker de opleggingskosten voor een aan hem opgelegde cursus niet op tijd heeft betaald.
1.2.
Bij besluit van 13 maart 2026 heeft het CBR het besluit van 6 maart 2026 ambtshalve herroepen.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [1] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als sprake is van een spoedeisend belang.
2.1.
Verzoeker heeft in zijn brief van 17 maart 2026 aangegeven dat het spoedeisend belang, gelet op het besluit van 13 maart 2026, in deze zaak is komen te vervallen. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding om daar anders over te denken en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening om die reden af.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook af.
3.1.
Van proceskosten aan de zijde van verzoeker is de voorzieningenrechter niet gebleken. Over of het CBR het griffierecht aan verzoeker moet vergoeden, overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. De voorzieningenrechter heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld om zijn verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken, gelet op het feit dat het besluit waar hij tegen opkomt ambtshalve is herroepen. Verzoeker heeft zijn verzoek echter gehandhaafd, ondanks dat hij expliciet erkent dat het spoedeisend belang is komen te vervallen. Verzoeker heeft geen reden gegeven waarom hij zijn verzoek om een voorlopige voorziening handhaaft, anders dan dat hij het aan de voorzieningenrechter laat om het verzoek verder af te doen.
3.2.
Verzoeker laat het dus uitdrukkelijk aan de voorzieningenrechter over om uitspraak te doen op zijn verzoek, waarvan hij in feite zelf erkent dat het nergens toe kan leiden. Dit heeft tot gevolg dat het verzoek inhoudelijk wordt afgewezen en dat verzoeker dus geen gelijk krijgt. In dergelijke gevallen bestaat voor een vergoeding van het griffierecht geen aanleiding. Als verzoeker zijn verzoek om een voorlopige voorziening had ingetrokken met het verzoek om het CBR te veroordelen in de proceskosten, was hij daar mogelijk wel voor in aanmerking gekomen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M., voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.