Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2214

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
C/05/460621 / HZ ZA 25-362
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 2 Wet Griffierechten Burgerlijke Zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onteigening en schadeloosstelling voor perceelsgedeelte door Waterschap Rivierenland

Het Waterschap Rivierenland heeft bij de rechtbank Gelderland een vordering tot vervroegde onteigening ingediend van een perceelsgedeelte van 4.713 m², eigendom van twee partijen gezamenlijk. De rechtbank stelt vast dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de schadeloosstelling en de vergoeding van deskundigenkosten.

De rechtbank bevestigt de onteigening ten name van het Waterschap en bepaalt de schadeloosstelling op €40.000. Daarnaast veroordeelt zij het Waterschap tot betaling van kosten voor juridische bijstand, griffierecht, deskundige bijstand en de kosten van door de rechtbank benoemde deskundigen.

De griffierechten worden gecorrigeerd vanwege een kennelijke fout bij de heffing, waarbij het Waterschap de naheffingen moet voldoen en deze bedragen aan de gedaagde partijen moet vergoeden. Tot slot wijst de rechtbank een nieuwsblad aan voor publicatie van het vonnis.

Het vonnis is gewezen door rechter D. Vergunst en op 18 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de onteigening uit, stelt schadeloosstelling vast op €40.000 en veroordeelt het Waterschap tot betaling van diverse kostenvergoedingen.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/460621 / HZ ZA 25-362
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
WATERSCHAP RIVIERENLAND,
te Tiel,
eisende partij,
hierna te noemen: het Waterschap,
advocaat: mr. J. de Roos,
tegen

1.[naam gedaagde 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[naam gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde] ., en waar nodig afzonderlijk: [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] ,
advocaat: mr. R. Jansen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- het e-mailbericht van (de juridisch medewerker van) mr. De Roos van 30 januari 2026
- het e-mailbericht van mr. Jansen van 2 februari 2026
- het e-mailbericht van de behandelend juridisch adviseur van de rechtbank aan beide advocaten van 13 februari 2026
- het e-mailbericht van mr. J. Kwakkernaat namens het Waterschap van 19 februari 2026
- het e-mailbericht van mr. Jansen van 19 februari 2026
- de akte van het Waterschap van 11 maart 2026
- de akte van [gedaagde] . van 11 maart 2026.
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Het Waterschap heeft bij dagvaarding de vervroegde onteigening gevorderd van een gedeelte ter grootte van 4.713 m² (aangeduid met grondplannummer [nummer] ) van het perceel kadastraal bekend [registratie-kenmerken] , in totaal groot 55.115 m². [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de te onteigenen grond. Het Waterschap heeft aan hen gezamenlijk een bedrag van € 35.347,50 aangeboden als schadeloosstelling.
2.2.
[gedaagde] . heeft zich bij conclusie van antwoord gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de vordering tot onteigening. Wat betreft de schadeloosstelling heeft [gedaagde] . laten weten dat hij daarover met het Waterschap een minnelijke regeling heeft getroffen en aan de rechtbank verzocht om het voorschot te bepalen.
2.3.
Bij e-mail van 30 januari 2026 heeft het Waterschap aan de rechtbank meegedeeld dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de schadeloosstelling, maar dat zij nog in overleg zijn over de vergoeding voor de redelijkerwijs gemaakte deskundigenkosten. Het Waterschap heeft namens partijen aan de rechtbank verzocht om de vervroegde onteigening uit te spreken en het voorschot op de schadeloosstelling vast te stellen op (100% van) het aanbod bij dagvaarding. Ten slotte heeft het Waterschap namens partijen voorgesteld dat de zaak op de rol wordt geplaatst voor uitlating van partijen over de aan [gedaagde] . toekomende schadeloosstelling en vergoeding van de kosten van deskundige bijstand en de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen.
2.4.
Bij e-mail van 2 februari 2026 heeft [gedaagde] . bevestigd dat de inhoud van bovengenoemde e-mail van het Waterschap in lijn is met de afspraken die partijen hebben gemaakt.
2.5.
Nadat de behandelend juridisch adviseur van de rechtbank bij e-mail van 13 februari 2026 vragen had gesteld over wat de overeenstemming tussen partijen precies inhoudt, hebben de advocaten per e-mails van 19 februari 2026 laten weten dat partijen inmiddels ook overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de deskundigenkosten en dat zij de gemaakte afspraken bij akte aan de rechtbank zullen doorgeven, zodat de rechtbank in één keer uitspraak kan doen over alle relevante punten.
2.6.
Bij akte van 11 maart 2026, met de inhoud waarvan [gedaagde] . blijkens zijn akte van diezelfde datum instemt, heeft het Waterschap de rechtbank verzocht om eindvonnis te wijzen en daarin:
de onteigening uit te spreken ten name van het Waterschap en ten algemenen nutte van de onroerende zaak genoemd onder 2 van de dagvaarding – te weten het hierboven in 2.1 genoemde perceelsgedeelte – zoals aangeduid op de als productie 1 aan de dagvaarding gehechte en bij het vonnis te voegen kaartweergave met coördinaten van de onteigeningsgrenzen;
het bedrag van de schadeloosstelling wegens onteigening voor [gedaagde] . te bepalen op € 40.000,00;
het Waterschap te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de kosten van [gedaagde] . voor juridische bijstand en griffierecht van € 14.481,60 inclusief btw en van een vergoeding voor de kosten van (anderszins) deskundige bijstand van € 14.187,25 inclusief btw;
het Waterschap te veroordelen tot betaling van € 13.479,16 inclusief btw aan de door de rechtbank benoemde deskundigen.
2.7.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank beslissen in overeenstemming met de hierboven genoemde afspraken die partijen hebben gemaakt, met inachtneming van wat de rechtbank hierna in 2.10 overweegt over het griffierecht.
2.8.
Het Waterschap vordert dat bij het vonnis wordt gevoegd de als productie 1 aan de dagvaarding gehechte kaartweergave met coördinaten van de onteigeningsgrenzen, die ter inzage heeft gelegen. Deze kaartweergave zal worden opgenomen in 2.11 van dit vonnis. Het in-/bijvoegen van deze kaartweergave in/bij het vonnis is van belang omdat het gaat om onteigening van een gedeelte van een kadastraal perceel. Bij de inschrijving van het onteigeningsvonnis in de openbare registers van het Kadaster is hierdoor ook voor derden duidelijk waarop de onteigening ziet.
2.9.
Ten slotte zal de rechtbank een nieuws- en advertentieblad aanwijzen waarin de griffier dit vonnis bij uittreksel zal moeten publiceren.
2.10.
In deze zaak is een kennelijke en evidente fout gemaakt bij het heffen van griffierecht. Aan het Waterschap is een bedrag van € 714,00 en aan [gedaagde] . is een bedrag van € 331,00 in rekening gebracht. Op grond van artikel 10 lid 2 van Pro de Wet Griffierechten Burgerlijke Zaken (WGBZ) moet de hoogte van het griffierecht worden bepaald aan de hand van de som die in de dagvaarding als schadeloosstelling wordt aangeboden. Het Waterschap heeft in de dagvaarding een bedrag van € 35.347,50 als schadeloosstelling aangeboden. Ten tijde van het aanbrengen van de dagvaarding (2025) bedroeg het griffierecht voor zaken met een beloop van niet meer dan € 100.000,00 voor niet natuurlijke personen € 2.995,00 en voor natuurlijke personen € 1.374,00. Dit betekent dat aan het Waterschap een naheffing van € 2.281,00 en aan [gedaagde] . een naheffing van € 1.043,00 zal worden opgelegd. De rechtbank zal dit vastleggen onder de beslissing. Het door [gedaagde] . verschuldigde griffierecht komt voor rekening van het Waterschap. De rechtbank zal daarom het Waterschap veroordelen tot betaling aan [gedaagde] . van het bedrag van de naheffing die aan [gedaagde] . zal worden opgelegd.
2.11.
De hierboven in 2.8 genoemde kaartweergave ziet er als volgt uit:
[ Afbeelding verwijderd ter anonimisatie.]

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
spreekt uit ten name van het Waterschap en ten algemenen nutte, de onteigening van de ten name van [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] staande onroerende zaak:
(grondplannummer [nummer] ) een gedeelte ter grootte van 4.713 m² van het perceel kadastraal bekend [registratie-kenmerken] , in totaal groot 55.115 m², zoals weergegeven op de kaartweergave die is opgenomen onder 2.10 van dit vonnis,
3.2.
stelt de door het Waterschap aan [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] (gezamenlijk) verschuldigde schadeloosstelling vast op een bedrag van € 40.000,00 (veertigduizend euro) en veroordeelt het Waterschap tot betaling van dit bedrag aan [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] (gezamenlijk),
3.3.
veroordeelt het Waterschap om aan [gedaagde] . (gezamenlijk) te betalen de kosten van juridische bijstand ten bedrage van € 14.481,60 inclusief btw en inclusief griffierecht,
3.4.
bepaalt dat de griffier een bedrag van € 2.281,00 aan griffierecht zal naheffen van het Waterschap,
3.5.
bepaalt dat de griffier een bedrag van € 1.043,00 aan griffierecht zal naheffen van [gedaagde] . en veroordeelt het Waterschap om dit bedrag aan [gedaagde] . te betalen,
3.6.
veroordeelt het Waterschap om aan [gedaagde] . te betalen de kosten van overige deskundige bijstand ten bedrage van € 14.187,25 inclusief btw,
3.7.
veroordeelt het Waterschap in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, vastgesteld op een bedrag van € 13.479,16 inclusief btw,
3.8.
wijst het te Ochten verschijnende dagblad De Gelderlander aan als nieuwsblad waarin de griffier van de rechtbank dit vonnis bij uittreksel zal plaatsen.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
JE/Vg