Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2198

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
05/089160-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 24c SrArt. 36f SrArt. 246 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid met afhankelijkheidsrelatie

De rechtbank Gelderland heeft verdachte veroordeeld voor het plegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid jegens een vrouw die wegens persoonlijke problemen tijdelijk bij hem en zijn vrouw woonde. Verdachte heeft haar meerdere malen betast aan haar bovenbenen, schaamstreek en vagina over de kleding heen, waarbij sprake was van een afhankelijkheidsrelatie.

De rechtbank achtte de aangifte van het slachtoffer betrouwbaar en vond steun in de verklaring van verdachte en de appberichten tussen partijen. Verdachte bekende eenmalig het aanraken van het kruis, maar ontkende de herhaalde handelingen. De rechtbank concludeerde dat het wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte meerdere keren ontuchtige handelingen heeft verricht.

De strafmaat werd bepaald rekening houdend met de ernst van het feit, de kwetsbaarheid van het slachtoffer en het misbruik van de afhankelijkheidsrelatie. Verdachte kreeg een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot het betalen van €5.000 smartengeld aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente. De vordering tot materiële schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, en tot betaling van €5.000 smartengeld wegens herhaalde feitelijke aanranding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.089160.25
Datum uitspraak : 26 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1957 in Amersfoort, wonende aan [adres] .
Raadsman: mr. J.J.A.P. van Breukelen, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode tussen 1 maart 2022 en 31 maart 2023 te [woonplaats] , door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [aangever] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten
- het op/over de kleding wrijven over en/of betasten van de binnenzijde van haar bovenbenen en/of
- het op/over de kleding wrijven over haar vagina en/of de schaamstreek en/of
- het op/over de kleding grijpen in en/of vastpakken van haar kruis,
waarbij dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of met één of meer andere feitelijkheden er in heeft/hebben bestaan dat verdachte, die wist dat die [aangever] in voornoemde periode wegens persoonlijke problemen (tijdelijk) in de woning van verdachte verbleef,
- één of meerdere malen voorbij gegaan aan de verbale en/of non-verbale tekenen van verzet van die [aangever] en/of
- gebruik en/of misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke overwicht over die [aangever] en/of
- gebruik en/of misbruik heeft gemaakt van zijn mentale overwicht over die [aangever] en/of
- gebruik en/of misbruik heeft gemaakt van het grote leeftijdsverschil tussen hem en die [aangever] en/of
- voornoemde ontuchtige handelingen op onverhoedse wijze heeft verricht.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
In de periode vanaf 1 maart 2022 tot en met 31 maart 2023 heeft verdachte in zijn woning in [woonplaats] meerdere keren over en tussen de benen van [aangever] ( [aangever] ) [aangever] gestreeld en geaaid. Hij heeft ook één keer met zijn hand haar kruis vastgepakt. [2]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meermaals aanraken van de binnenkant van de bovenbenen en vagina van [aangever] in de tenlastegelegde periode. De officier van justitie volgt aangeefster en gaat uit van dat dit zo’n 50 á 60 keer is gebeurd over een periode van meer dan één jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat er onvoldoende wettig bewijs is om te kunnen vaststellen dat de tenlastegelegde handelingen meermaals hebben plaatsgevonden. Er wordt niet voldaan aan het wettig bewijsminimum hiervoor, nu er onvoldoende steunbewijs is voor de verklaring van [aangever] . Bovendien is de verklaring van [aangever] onvoldoende betrouwbaar. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van alles wat verder gaat dan een eenmalige aanraking van de binnenkant van de bovenbenen en de schaamstreek van [aangever] .
Beoordeling door de rechtbank
In deze zaak staat de verklaring van verdachte voor een deel haaks op die van [aangever] in haar aangifte. [aangever] verklaart in haar aangifte - waarover hieronder meer - dat verdachte meermaals verscheidene ontuchtige handelingen met haar heeft gepleegd in de periode waarin zij bij verdachte en zijn vrouw woonde, onder meer dat hij over haar kruis, haar vagina, heen wreef. [3]
Verdachte heeft bij de politie onder meer verklaard in antwoord op de vraag of hij in de tenlastegelegde periode ontuchtige handelingen had gepleegd bij [aangever] :
Ik ben een keer in de fout gegaan. Ik heb daar heel veel spijt van. Maar dat kwam zo. Ik kon goed met [aangever] opschieten. (…) Op een avond zaten wij aan tafel. Ze had meerdere vriendjes gehad. Op een gegeven moment zat ik tussen haar benen te aaien, dat deed ik vaker. Ze gaf ook niet aan dat ze dat niet leuk vond. Ik masseerde ook weleens haar nek. Op een gegeven moment heb ik met mijn hand haar kruis gepakt. (…) Een paar dagen later heeft ze tegen mijn vrouw verteld dat ik aan haar gezeten had. Ik ben toen het huis uit gelopen. Ik heb toen ook mijn excuses aangeboden. Ik heb gezegd, ik weet dat ik fout zit, ik had het niet mogen doen.
De rechtbank concludeert op basis van deze verklaring dat verdachte in ieder geval het in het kruis pakken van [aangever] toegeeft en dat dit voor [aangever] onverhoeds gebeurde. Ook oordeelt de rechtbank dat deze handeling een onmiskenbaar seksuele lading had, dat verdachte zich ervan bewust was dat hij daarmee een grens had overschreden en dat [aangever] dit handelen niet wenste. Een en ander maakt naar het oordeel van de rechtbank die handeling ontuchtig.
In zoverre acht de rechtbank de tenlastelegging op basis van de aangifte van [aangever] en de verklaring van verdachte bij de politie in ieder geval bewezen.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het bij die ene keer is gebleven of dat verdachte vaker dan eenmaal ontuchtige handelingen bij [aangever] heeft gepleegd, zoals zij in haar aangifte heeft verklaard. Om een antwoord op die vraag te krijgen, houdt de rechtbank de aangifte nader tegen het licht, en betrekt zij bij haar afweging ook de verklaring van verdachte bij de politie en inhoud van de apps tussen [aangever] en verdachte die zich in het dossier bevinden. Daarbij onderzoekt de rechtbank de betrouwbaarheid van de aangifte en de vraag of voor die aangifte steun is te vinden in een of meer andere bewijsmiddelen.
Verklaring [aangever] en appgesprekken met verdachte
[aangever] heeft in haar aangifte verklaard dat zij in de periode van 1 januari 2022 tot en met 1 juni 2023 [aangever] bij verdachte en zijn vrouw in huis heeft gewoond, omdat zij kampte met persoonlijke problemen waardoor zij niet bij haar ouders kon blijven. [4] Verdachte en zijn vrouw hebben toen aangeboden om haar daarom tijdelijk in huis te nemen. [5] [aangever] zag verdachte als haar tweede vader. [6] Het begon in maart 2022, begon bij haar voeten. Verdachte ging steeds verder naar boven, van haar voet naar haar been, knie, bovenbeen naar haar kruis, haar vagina. De eerste keer legde verdachte zijn linkerhand op het rechterbeen van [aangever] en ging vervolgens naar de binnenkant van haar bovenbeen. Hij ging van haar knie naar haar kruis. Verdachte wreef over haar kruis, haar vagina, heen.. Het gebeurde met name aan de keukentafel in de woning van verdachte. Het is ook gebeurd bij het kastje naast de bank. [aangever] stond daar en verdachte stond achter haar. Als zij ergens heen liep kwam verdachte achter haar aan, totdat zij stil stond en hij haar kon aanraken. [aangever] verschuilde zich op de wc zodat verdachte haar niet kon aanraken. Het stopte in augustus/september 2022 toen zij het de eerste keer tegen de vrouw van verdachte had verteld. Zijn vrouw heeft verdachte er vervolgens mee geconfronteerd. Hij stuurde [aangever] toen een boos appje met de vraag waarom zij “haar bek niet tegen hem (verdachte, rb) had opengetrokken”. [aangever] heeft daarop geantwoord dat zij bang was om haar woonplek te verliezen. Verdachte en zijn vrouw deden dingen voor haar die ouders ook voor je zouden doen. Verdachte stuurde [aangever] een berichtje dat hij nu de gebeten hond was en dat [aangever] haar mond tegen hem moest houden. [7]
In dit appgesprek op 27 juni 2022 werd het volgende over en weer tussen verdachte en [aangever] gezegd:
Om 07.12 stuurt verdachte aan [aangever] :
‘ [naam] zit kas over de zeik op haar werk omdat ik heb gezegd jij eruit of ik als je dat maar weet.’
Om 09.55 stuurt [aangever] aan verdachte: ‘
Huh?’
Om 10.01 stuurt [aangever] aan verdachte:
‘waarom?’
Om 10.23 stuurt verdachte aan [aangever] :
‘Omdat je tegen [naam] heb gezegd dat ik telkens aan jou zat normaal heb je ook een grote bek dus had je ook kunnen zeggen dat je dat niet wilde’
Om 10.32 stuurt verdachte aan [aangever] : ´
Geef daar eens antwoord op.’
(…)
Om 00.29 stuurt [aangever] aan verdachte:
‘De reden waarom ik dat niet zei is omdat ik geen schade aan wou richten op welke manier dan ook. Ik ben jullie super dankbaar dat ik hier in huis mag wonen dat jullie me elke avond eten op mijn bord geven en dat is dus de reden waarom ik het niet durfde te zeggen. Ook een klein beetje omdat ik me geen houding wist te geven en ik dus een beetje verbaasd en in shock was.’
Om 00.46 stuurt verdachte aan [aangever] :
‘Oké nou ben ik dus de gebeten hond, maar geeft niks hoor [naam] wil je niet kwijt maar van mij mag je opdonderen blijf bij mij uit de buurt ik ben klaar met jou.’ [8]
[aangever] verklaart vervolgens dat het in oktober/november 2022 weer begon. Het begon toen van niks tot naast [aangever] zitten. Hij deed zijn hand over haar been en ging naar haar kruis. Als hij met zijn hand over haar benen ging klemde zij haar benen. Of zij deed haar benen tegen de tafel aan. Verdachte bleef doordrammen als [aangever] zei dat ze het niet wilde en dat verdachte moest stoppen. Zo ook toen zij bij het kastje bij de televisie stond. Verdachte wreef met zijn rechterhand over haar heup heen. Hij ging met zijn hand naar de vagina van [aangever] en wreef daaroverheen. Verdachte begon haar kusjes te geven op haar schouder en in haar nek. Op dat moment vroeg hij of hij haar mocht vingeren en likken. Met wrijven over haar vagina bedoelt [aangever] dat verdachte rondjes draaide met zijn vingers en dat hij van boven naar beneden ging. [aangever] bleef ‘nee’ zeggen en probeerde weg te draaien. Zij duwde op een gegeven moment met haar rechterschouder naar achteren tegen zijn rechterschouder. Zij duwde de hand van verdachte met haar hand weg en is toen gelijk naar boven gegaan.
De laatste keer dat het gebeurde was in februari/eind maart van 2023. [aangever] zat met verdachte in gesprek. Verdachte zei dat hij zich aangetrokken voelde tot haar. Verdachte wilde haar naar een opvanghuis hebben. Hij raakte haar aan bij haar vagina. Hij wreef daaroverheen, over de kleding. [aangever] heeft vooral met haar lichaamstaal aan verdachte laten merken dat hij moest stoppen en ook heeft zij ‘stop’ gezegd. Het is bijna één jaar lang meerdere keren gebeurd. [aangever] denkt wel een stuk of 50 á 60 keer. Dit was bijna elke avond dat zij thuis was. Op 29 maart 2023 heeft [aangever] een briefje geschreven waarop stond wat verdachte bij haar had gedaan. Dit briefje heeft zij op 31 maart 2023 aan de vrouw van verdachte laten lezen. [9]
In een appgesprek op van 31 maart 2023 werd het volgende over en weer tussen verdachte en [aangever] gezegd:
Om 22.07 uur stuurt verdachte aan [aangever] :
‘ [aangever] sorry ik weet dat ik fout ben ik had dit niet moeten doen maar waarom heb je er nooit met mij over gepraat?’
Om 22.10 uur stuurt [aangever] aan verdachte:
‘De reden waarom ik er met jou niet over heb gepraat is omdat ik meerdere malen nee heb gezegd. Ook omdat ik jullie niet kwijt wil en nogmaals heel dankbaar ben voor alles wat jullie voor mij doen en hebben gedaan, zoals mij onderdak bieden, eten geven en dergelijke. Ik vind het feit dat je je excuses aanbied en ziet dat je fout zit.’
Om 22.14 stuurt verdachte aan [aangever] :
‘Ja sorry ik heb een hoop kapot gemaakt nogmaals sorry’
Om 22.15 stuurt [aangever] aan verdachte:
‘Dit mag nooit meer voor komen… Kom je wel naar huis?’
Om 22.17 uur stuurt verdachte aan [aangever] :
‘Zeker zal dit nooit meer gebeuren ik kom niet naar huis ik moet nadenken hoe het nu verder moet’.
(…)
Om 22.20 uur stuurt verdachte aan [aangever] : ´
Er is door mij veel kapot gemaakt zoals het vertrouwen ik moet nadenken dus ik wil tijd’. [10]
De betrouwbaarheid van de aangifte
De rechtbank is van oordeel dat [aangever] in haar aangifte zeer gedetailleerd, authentiek en consistent heeft verklaard. De inhoud van de aangifte sluit op detailniveau deels aan bij wat verdachte heeft verklaard. Zo geeft, zoals hiervoor overwogen, verdachte toe dat hij [aangever] een keer bij haar kruis heeft gepakt; uit die verklaring komt naar voren dat dit bij de keukentafel gebeurde zoals [aangever] in haar aangifte ook verklaart.
[aangever] verklaart genuanceerd over verdachte; uit niets blijkt dat [aangever] overdrijft of liegt om verdachte ten onrechte in een slecht daglicht te plaatsen.
Het is op grond van de feitelijke situatie en de verhouding tussen [aangever] en verdachte (die ieder die verhouding als een soort vader-dochter relatie beschouwden), zeer invoelbaar dat [aangever] zich afhankelijk en kwetsbaar voelde, zoals ook uit de aangifte naar voren komt.
De inhoud van de aangifte komt overeen met wat zij aan haar moeder heeft verteld ten tijde van de aangifte. [aangever] moest daarbij heel veel huilen, verklaart haar moeder. Zij was er heel erg verdrietig over. [11] Weliswaar heeft [aangever] dit pas ten tijde van de beslissing om de aangifte te gaan doen aan haar moeder verteld en kan in die zin haar moeder niet als een “disclosure-getuige” worden aangemerkt, gevoegd bij de overige omstandigheden ondersteunt een en ander niettemin de beoordeling van de rechtbank van de aangifte als consistent en geloofwaardig.
Steunbewijs
Niet alleen acht de rechtbank de aangifte betrouwbaar, de inhoud daarvan vindt ook steun in andere bewijsmiddelen, te weten de verklaring van verdachte bij de politie en de inhoud van de tussen [aangever] en verdachte uitgewisselde apps zoals hiervoor weergegeven. Verdachte verklaart onder meer dat bij [aangever] vaker tussen haar benen aaide. Uit de apps blijkt dat verdachte in zijn berichten van zowel 27 juni 2022 als van 31 maart 2023 spreekt met [aangever] over wat hij haar heeft aangedaan, zonder te erop te reageren dat het ‘telkens’ of ‘meerdere malen’ is gebeurd, zoals in haar appberichten wordt benoemd, laat staan ontkennend. Ook blijkt uit die appwisselingen dat verdachte op 31 maart 2023 zijn excuses aanbiedt aan [aangever] en schrijft dat hij het vertrouwen heeft geschonden. Die datum komt overeen met de verklaring van [aangever] over wanneer zij het voor de tweede keer aan de vrouw van verdachte heeft verteld en het verloop daarna.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [aangever] meermaals heeft aangerand, zoals volgt uit de navolgende bewezenverklaring.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
een of meerderetijdstippen in
of omstreeksde periode tussen 1 maart 2022 en 31 maart 2023 te [woonplaats] , door
geweld ofeen andere feitelijkheid
en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [aangever] heeft gedwongen tot het
plegen en/ofdulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten
- het op/over de kleding wrijven over en
/ofbetasten van de binnenzijde van haar bovenbenen en
/of- het op/over de kleding wrijven over haar vagina en
/ofde schaamstreek en
/of- het op/over de kleding grijpen in en
/ofvastpakken van haar kruis,
waarbij
dat geweld en/ofdie één of meer andere feitelijkheden
en/of die bedreiging met geweld en/of met één of meer andere feitelijkhedener in
heeft/hebben bestaan dat verdachte, die wist dat die [aangever] in voornoemde periode wegens persoonlijke problemen (tijdelijk) in de woning van verdachte verbleef,
- één of meerdere malen voorbij gegaan aan de verbale en
/ofnon-verbale tekenen van verzet van die [aangever] en
/of-
gebruik en/ofmisbruik heeft gemaakt van zijn fysieke overwicht over die [aangever] en
/of-
gebruik en/ofmisbruik heeft gemaakt van zijn mentale overwicht over die [aangever] en
/of-
gebruik en/ofmisbruik heeft gemaakt van het grote leeftijdsverschil tussen hem en die [aangever] en
/of- voornoemde ontuchtige handelingen op onverhoedse wijze heeft verricht.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Feitelijke aanranding van de eerbaarheid

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Daartoe is aangevoerd dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid neemt, maar zich beroept op zijn zwijgrecht, terwijl sprake is van een zeer ernstig feit waarbij verdachte [aangever] veelvuldig heeft aangerand terwijl er een groot leeftijdsverschil tussen hen bestond en [aangever] in een afhankelijkheidspositie verkeerde ten opzichte van verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de eis van de officier van justitie gematigd moet worden tot een taakstraf, omdat enkel bewezen kan worden verklaard dat verdachte [aangever] éénmalig heeft betast aan de binnenkant van haar bovenbenen en haar schaamstreek over de kleding heen. Een gevangenisstraf is niet passend en zal voor veel problemen zorgen met zijn werk en de zorg voor zijn vrouw en kleinkinderen. Ook de reclassering acht dit niet wenselijk.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar schuldig gemaakt aan het meerdere keren betasten van [aangever] haar bovenbenen, haar schaamstreek en haar vagina. [aangever] verbleef op dat moment bij verdachte en zijn vrouw, omdat zij door persoonlijke problematiek niet thuis kon wonen. Er was aldus sprake van een afhankelijkheidsrelatie. [aangever] was een kwetsbare jonge vrouw die aan de zorg van verdachte en zijn vrouw was toevertrouwd. Verdachte heeft van zijn positie misbruik gemaakt en zowel zijn fysieke als mentale overwicht gebruikt om [aangever] aan te raken op plekken en op een manier die door haar niet gewenst was. Door zo te handelen heeft verdachte een grove inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat [aangever] in hem had gesteld en op haar lichamelijke integriteit. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten nog geruime tijd de psychische gevolgen hiervan ervaren. Dat dit ook bij [aangever] het geval is, blijkt wel uit de door haar voorgelezen slachtofferverklaring, waarin zij onder meer benoemd heeft dat verdachte haar enorm heeft beschadigd, niet alleen mentaal, maar ook in het aangaan van fysieke contacten. Haar vertrouwen in de mensheid is weg, zo zegt zij.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 7 januari 2026. Hierop staat één eerdere veroordeling voor een zedenfeit van zo’n 40 jaar geleden. Verder is verdachte niet meer voor dergelijke feiten in aanraking gekomen met politie en justitie. Bij de reclassering heeft verdachte ervoor gekozen om het feit volledig te ontkennen, zodat zij geen strafadvies hebben kunnen geven.
Het is de rechtbank bekend dat verdachte werkt als chauffeur en dat hij in een huurhuis woont samen met zijn vrouw. Voor het overige biedt verdachte de rechtbank geen aanknopingspunten om met zijn persoon rekening te houden. Ter terechtzitting heeft verdachte niets willen verklaren, ook niet over zijn persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Hoewel dit ook taakstraffen kunnen zijn, acht de rechtbank dat in deze zaak niet passend gelet op de ernst van het bewezen feit. De rechtbank acht daarom enkel een gevangenisstraf passend.
Zowel de reclassering als de rechtbank hebben geen goede inschatting kunnen maken van het al dan niet aanwezige recidiverisico, maar er zijn wel zorgen over het gedrag van verdachte. Verdachte kon zich kennelijk (telkens) niet in bedwang houden het slachtoffer herhaaldelijk aan te randen, maar wat hieraan ten grondslag ligt is door de niet-meewerkende houding van verdachte in het ongewisse gebleven.. Wat de rechtbank is opgevallen, is dat verdachte zowel in de apps als in de verklaringen die hij in het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak wél heeft afgelegd, consequent aangeefster heeft weggezet als leugenachtig en onbetrouwbaar, en zichzelf voornamelijk als slachtoffer heeft gepresenteerd. Die houding roept niet alleen het reële risico in het leven dat het werkelijke slachtoffer, [aangever] , nog meer schade oploopt (secundaire victimisatie), maar versterkt ook het beeld dat verdachte geen zelfinzicht heeft en geen werkelijk en doorleefd besef heeft van het laakbare en schadelijke van zijn handelen.
De rechtbank acht het daarom van belang om verdachte door middel van de op te leggen straf ervan te weerhouden opnieuw op een vergelijkbare manier in de fout te gaan, en zo het recidiverisico zoveel mogelijk in te perken. Dat zal zij doen door – anders dan geëist - een deel van de gevangenisstraf als waarschuwing en als stok achter de deur voorwaardelijk op te leggen. Daar staat, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, tegenover dat weliswaar het onvoorwaardelijke deel lager, maar de totaal op te leggen gevangenisstraf hoger zal uitvallen dan geëist.
De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.457,12 aan materiële schade en € 75.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de niet onderbouwde materiele schade niet kan worden toegewezen.
Voor wat betreft de immateriële schade refereert de officier van justitie aan het oordeel van de rechtbank. Wel vordert zij toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het toe te wijzen bedrag.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft het materiële deel moet worden afgewezen, nu deze niet is onderbouwd.
Ten aanzien van het immateriële deel vindt de verdediging het gevorderde bedrag niet passend voor een zaak als deze.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij enkel bij de zorgkosten voor de psycholoog en de verhuiskosten met borg een bankafschrift heeft overgelegd. Zij acht dit echter onvoldoende onderbouwing om vast te kunnen stellen dat sprake is van rechtstreekse schade ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De andere materiële schadeposten zijn helemaal niet onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk in het materiële deel van de schadevergoeding wegens onvoldoende onderbouwing.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter terechtzitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
Door het feit is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij schattenderwijs het smartengeld op een bedrag van € 5.000,00 vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot smartengeld.
Verdachte zal daarbij vanaf 31 maart 2023 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd zijn.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte zal worden verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 24c, 36f en 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
9 maanden;
 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
3 maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 5.000,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Langen (voorzitter), mr. A. Tegelaar en mr. M.W.R. Koch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.W.A. Nabbe, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 februari 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023268633, gesloten op 18 maart 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 66.
3.Het proces-verbaal van aangifte, p. 17.
4.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 13.
5.Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 66 en 67.
6.Het proces-verbaal van aangifte, p. 16.
7.Het proces-verbaal van aangifte, p. 17.
8.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 26 en 27.
9.Het proces-verbaal van aangifte, p. 17 t/m 19.
10.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 28.
11.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 48.