ECLI:NL:RBGEL:2026:2187
Rechtbank Gelderland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verlaging bijstand wegens niet behouden arbeid
Verzoeker, voormalig werknemer bij een notariskantoor, heeft per 1 november 2025 zijn dienstverband beëindigd en een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen kende bijstand toe, maar legde een maatregel van 100% verlaging over november 2025 op wegens het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.
Verzoeker maakte bezwaar tegen deze maatregel en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 2 maart 2026 gaf verzoeker aan dat hij door de maatregel onvoldoende financiële middelen heeft om zijn vaste lasten en levensonderhoud te voldoen, met een betaalachterstand voor de zorgverzekering en cursuskosten.
De voorzieningenrechter oordeelde echter dat verzoeker onvoldoende spoedeisend belang had aangetoond. Er was geen sprake van een noodsituatie zoals dreigende uithuiszetting of afsluiting van nutsvoorzieningen, en verzoeker had tot dan toe nagenoeg al zijn lasten kunnen voldoen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verlaging van bijstand wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.