ECLI:NL:RBGEL:2026:2187

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
AWB 26/609
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verlaging bijstand wegens niet behouden arbeid

Verzoeker, voormalig werknemer bij een notariskantoor, heeft per 1 november 2025 zijn dienstverband beëindigd en een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen kende bijstand toe, maar legde een maatregel van 100% verlaging over november 2025 op wegens het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.

Verzoeker maakte bezwaar tegen deze maatregel en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 2 maart 2026 gaf verzoeker aan dat hij door de maatregel onvoldoende financiële middelen heeft om zijn vaste lasten en levensonderhoud te voldoen, met een betaalachterstand voor de zorgverzekering en cursuskosten.

De voorzieningenrechter oordeelde echter dat verzoeker onvoldoende spoedeisend belang had aangetoond. Er was geen sprake van een noodsituatie zoals dreigende uithuiszetting of afsluiting van nutsvoorzieningen, en verzoeker had tot dan toe nagenoeg al zijn lasten kunnen voldoen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verlaging van bijstand wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/609
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen

(gemachtigde: mr. F. de Roder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de verlaging van bijstand aan verzoeker door het college op grond van de Participatiewet. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Verzoeker was werkzaam bij een notariskantoor, maar heeft zijn dienstverband beëindigd per 1 november 2025. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Participatiewet (Pw). Het college heeft met het besluit van 3 december 2025 bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend per 1 november 2025, maar heeft daarbij bepaald dat een maatregel van 100% verlaging over de maand november 2025 wordt opgelegd. De reden voor de maatregel is dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit voor zover het de maatregel betreft en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter kan gedurende een bezwaarprocedure een voorlopige voorziening treffen, indien ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Het is aan verzoeker om aannemelijk te maken dat hij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Het spoedeisend belang wordt aanwezig geacht, wanneer het bestreden besluit ertoe leidt dat er een noodsituatie dreigt te ontstaan of wanneer er sprake is van dreigende onomkeerbare gevolgen.
3.1.
Verzoeker heeft aangegeven dat hij ten gevolge van de maatregel onvoldoende financiële middelen heeft om zijn vaste lasten te voldoen en te voorzien in zijn levensonderhoud. Hij heeft toegelicht dat zijn huidige inkomen bestaat uit de bijstand voor zelfstandigen en zorgtoeslag. Hij heeft tot heden nagenoeg alle lasten kunnen voldoen, maar houdt dit niet lang vol. Er is een betaalachterstand voor de zorgverzekering en kosten van een cursus. Verzoeker wenst incassokosten en schuldsanering te voorkomen.
3.2.
De voorzieningenrechter ziet onvoldoende reden om aan te nemen dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Er is geen sprake van een financiële nood, gezien het gegeven dat verzoeker tot heden nagenoeg al zijn vaste lasten heeft betaald. Er is geen noodsituatie, zoals dreigende uithuiszetting of afsluiting van de nutsvoorzieningen. Het is invoelbaar dat verzoeker incassokosten wenst te voorkomen, maar daaraan kan geen spoedeisend belang worden ontleend.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.