ECLI:NL:RBGEL:2026:2177

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
AWB 25/1337
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen aanslag OZB en rioolheffing wegens late en onvoldoende concretisering

Belanghebbende, eigenaar van een supermarkt, maakte bezwaar tegen aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) en rioolheffing voor het jaar 2022 opgelegd door de gemeente Berg en Dal. De WOZ-waarde van de onroerende zaak was onherroepelijk vastgesteld bij een eerdere beschikking. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelde dat het beroepschrift grotendeels gelijkluidend was aan andere algemene beroepschriften zonder concrete onderbouwing van de aanslagen in geschil. Pas op de zitting werd gesteld dat er geen sprake was van gebruik van het pand, hetgeen relevant is voor de OZB-gebruiksheffing. Dit betoog kwam te laat en kon de heffingsambtenaar niet adequaat voorbereiden, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens strijd met de goede procesorde.

Daarnaast kon tegen de onherroepelijke WOZ-waarde geen beroep meer worden ingesteld en was het beroep tegen de rioolheffing niet-ontvankelijk omdat daartegen geen bezwaar was gemaakt. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de termijn korter dan twee jaar was. De rechtbank wees het beroep af en vergoedde geen proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslagen OZB en rioolheffing wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege late en onvoldoende concretisering van de beroepsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1337

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 februari 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats 1], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Berg en Dal, de heffingsambtenaar.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 10 maart 2025.
De heffingsambtenaar heeft op 31 januari 2024 van de gemeente Berg en Dal een aanslag onroerendezaakbelastingen voor het gebruik en een aanslag rioolheffing opgelegd voor het belastingjaar 2022 voor de onroerende zaak [locatie] in [plaats 2].
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft belanghebbende op 5 november 2025 verzocht de beroepsgronden en argumenten die zien op het in geschil zijnde te concretiseren. Belanghebbende heeft daarop gereageerd met een verbijzonderingsbrief.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomenieraan: gemachtigde (via een digitale verbinding) en namens de heffingsambtenaar [persoon A] en [persoon B].

Feiten

1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een supermarkt.
2. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 januari 2022 de waarde van de onroerende zaak op 1 januari 2021 (waardepeildatum) vastgesteld op € 2.370.000. Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het genot krachtens eigendom voor het jaar 2022 opgelegd. Deze beschikking en aanslag zijn onherroepelijk vastgesteld.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de juistheid van de aanslagen met dagtekening 31 januari 2024. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. De rechtbank heeft de beroepsgronden beoordeeld en is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Gemachtigde heeft volstaan met de indiening van een beroepschrift dat (nagenoeg) gelijkluidend is aan vele andere door gemachtigde namens diverse belanghebbenden ingediende beroepschriften tegen met name de WOZ-waardering. Hij is daarbij niet ingegaan op de in geschil zijnde aanslagen. Hetzelfde heeft te gelden voor de nader door hem ingediende stukken. Zelfs nadat de rechtbank gemachtigde heeft verzocht om concretisering van zijn beroepsgronden en argumenten heeft gemachtigde volstaan met reacties waarvan de inhoud van de stukken grotendeels bestaat uit algemene en irrelevante vragen en stellingen. Het is daarom niet mogelijk (de inhoud van) de stukken van de gemachtigde zinvol bij de beoordeling van dit beroep te betrekken.
6. Gemachtigde heeft eerst op zitting aangevoerd dat belanghebbende uitsluitend eigenaar is van de onroerende zaak en dat daarom de aanslag(en) wegens gebruik moeten worden vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar zich op deze stelling, door het late moment waarop deze is ingenomen, onvoldoende heeft kunnen voorbereiden. Daarvoor is het volgende van belang. Volgens vaste rechtspraak dient onder het begrip “gebruik” te worden verstaan: het metterdaad bezigen van een onroerende zaak ter bevrediging van de eigen behoefte. [1] De heffingsambtenaar heeft in reactie op de stelling van gemachtigde weliswaar kunnen aangeven dat sprake is van “leegstandsbeheer”, maar of daarmee in dit concrete geval sprake is van het metterdaad bezigen van de eigen behoeften hangt af van de concrete feiten en omstandigheden. Gelet op de wijze van procederen van gemachtigde en de expliciete navraag van de rechtbank om tijdig concrete gronden aan te voeren, oordeelt de rechtbank dat deze stelling - die nader onderzoek vergt naar feiten en omstandigheden - buiten beschouwing moet worden gelaten wegens strijd met de goede procesorde.
7. De grieven tegen de WOZ-waarde, als deze al op de onroerende zaak betrekking hebben, kunnen bovendien niet leiden tot een verlaging van de aanslag onroerendezaakbelasting wegens gebruik, omdat tegen deze waarde een eigen rechtsingang openstond en de waarde onherroepelijk is vastgesteld. In zoverre is het beroep niet-ontvankelijk.
8. Voor zover belanghebbende beroep heeft ingesteld tegen de aanslag rioolheffing, is het beroep ook niet-ontvankelijk, omdat tegen deze aanslag geen gronden in bezwaar zijn ingediend. Beroep bij de belastingrechter staat uitsluitend open als hiertegen eerst bezwaar is gemaakt. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende in het bezwaarschrift bezwaar maakt tegen de aanslag “
WOZ/OZB 2022 én uitdrukkelijk ook alle andere hier aan gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke titel dan ook”. Uit deze aanhef noch de verdere inhoud van het bezwaarschrift volgt dat het bezwaar zich richt tegen iets anders dan de WOZ-waarde en de daaruit volgende aanslag onroerendezaakbelastingen. Een beroep is niet-ontvankelijk als niet eerst bezwaar is gemaakt. Weliswaar vermeldt de volmacht ook rioolheffing, maar dat belanghebbende de gemachtigde heeft gemachtigd om ook bezwaar te maken tegen deze aanslagen, betekent nog niet dat dit feitelijk ook is gebeurd. Daarvoor is de inhoud van het bezwaarschrift doorslaggevend. Dat er andere aanslagen op hetzelfde biljet zijn vermeld, maakt nog niet dat het hier gaat om aan de WOZ gerelateerde aanslagen.
Vergoeding van immateriële schade
9. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De heffingsambtenaar heeft op 21 februari 2024 van belanghebbende een bezwaarschrift ontvangen. De periode tussen de datum van indiening van het bezwaarschrift en de datum van deze uitspraak is minder dan twee jaar. Belanghebbende heeft geen bekorting bepleit van de gebruikelijke termijn van twee jaren voor toekenning van immateriële schadevergoeding en de rechtbank ziet daar ook geen aanleiding toe. Daarom wijst de rechtbank dit verzoek af.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
11. Het voorgaande betekent dat belanghebbende geen proceskostenvergoeding ontvangt. Ook het griffierecht wordt niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Y. Gramsbergen, rechter, in aanwezigheid van H. van Huigenbos, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken op 19 februari 2026, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 7 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2318.