ECLI:NL:RBGEL:2026:2170

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
AWB 26/968, AWB 26/969, AWB 26/970
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 29 Verdrag van Istanbul
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorzieningen inzake aanvragen rechtsbijstand wegens formele connexiteit en spoedeisend belang

Verzoekster diende op 3 december 2025 drie aanvragen voor rechtsbijstand in, waaronder een voor een bodemprocedure over gezag, omgang en kinderalimentatie, een voor een voorlopige voorziening in die procedure, en een voor een klacht tegen de advocaat van haar ex-echtgenoot. De Raad voor Rechtsbijstand stelde aanvullende vragen bij de eerste aanvraag en nam geen tijdige beslissing, terwijl de andere twee aanvragen werden afgewezen.

Verzoekster maakte bezwaar tegen de afwijzingen en verzocht om voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek over de eerste aanvraag niet-ontvankelijk was wegens het ontbreken van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, waardoor het formele connexiteitsvereiste niet was vervuld. De verzoeken over de andere twee aanvragen werden inhoudelijk beoordeeld.

Voor de klacht tegen de advocaat was geen spoedeisend belang aangetoond, zodat het verzoek werd afgewezen. Voor de aanvraag inzake voorlopige voorziening was wel sprake van spoedeisend belang, maar de voorzieningenrechter vond het niet passend om vooruit te lopen op de bezwaarprocedure door een voorschot toe te kennen, mede gezien het ontbreken van beleid en de uitzonderingen die de raad al had gemaakt op grond van het Verdrag van Istanbul.

De voorzieningenrechter erkende de ernstige situatie van verzoekster als slachtoffer van intieme terreur en de financiële problemen, maar benadrukte dat elke aanvraag zorgvuldig moet worden beoordeeld. De verzoeken werden afgewezen en het verzoek over de eerste aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening over niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk; verzoeken over afwijzingen rechtsbijstand afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/968, 26/969 en 26/970

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaken tussen

[verzoekster], uit [plaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. D. Brouwer),
en

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, de raad.

(gemachtigden: mr. P. Hanenberg en H.J. Spiegelenberg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over het niet tijdig beslissen op een aanvraag voor rechtsbijstand en over twee afwijzingen van aanvragen voor rechtsbijstand. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt. Zij verzoekt daarnaast om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter verklaart in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening gericht tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag voor rechtsbijstand niet-ontvankelijk omdat verzoekster geen beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag. Het verzoek dat ziet op het aanhangig maken van een klachtprocedure wijst de voorzieningenrechter af omdat er in die zaak geen onverwijlde spoed is die maakt dat de bezwaarschriftprocedure niet afgewacht kan worden. Bij het derde verzoek is wel sprake van onverwijlde spoed, maar vindt de voorzieningenrechter het de reikwijdte van de voorlopige voorzieningenprocedure te buiten gaan om nu met het toekennen van een voorschot vooruit te lopen op de beslissing op het bezwaarschrift. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoekster heeft op 3 december 2025 drie aanvragen voor rechtsbijstand ingediend. Het betreft de volgende drie aanvragen:
- een aanvraag voor rechtsbijstand in verband met een bodemprocedure bij de rechtbank strekkende tot eenhoofdig gezag, beëindiging van de omgangsregeling tussen haar ex-echtgenoot en de kinderen en beëindiging van de kinderalimentatie door verzoekster aan haar ex-echtgenoot. Dit betreft een aanvraag met nummer [nummer 1];
- een aanvraag voor rechtsbijstand in verband met een procedure bij de rechtbank strekkende tot het treffen van een voorlopige voorziening in verband met gezag, omgang en kinderalimentatie. Dit betreft een aanvraag met nummer [nummer 2];
- een aanvraag voor rechtsbijstand in verband met het indienen van een klacht tegen een van de advocaten van haar ex-echtgenoot. Dit betreft de aanvraag met nummer [nummer 3].
2.1.
In de aanvraag met nummer [nummer 1] heeft de raad op 18 december 2025
aanvullende vragen aan verzoekster gesteld. Inmiddels is de beslistermijn van 8 weken
overschreden en heeft de raad nog geen beslissing genomen op de aanvraag van
verzoekster. Verzoekster heeft verweerder in gebreke gesteld.
2.2.
Bij besluit van 9 februari 2026 heeft de raad de aanvraag van verzoekster met
nummer [nummer 3] afgewezen. Bij besluit van 12 februari 2026 heeft de raad ook de
aanvraag van verzoekster met nummer [nummer 2] afgewezen.
2.3.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt en verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend. De raad heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster met haar gemachtigde en de gemachtigden van de raad.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is het verzoek met betrekking tot aanvraag [nummer 1] ontvankelijk?
3. Een verzoek om een voorlopige voorziening is alleen ontvankelijk als bezwaar, administratief beroep of beroep aanhangig is. [1] Dit is het zogenaamde formele connexiteitsvereiste. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom of aan dit vereiste wordt voldaan.
3.1.
Verzoekster heeft op 3 december 2025 een aanvraag voor rechtsbijstand ingediend ten behoeve van een procedure bij de rechtbank omtrent het gezag, de omgang en de kinderalimentatie ([nummer 1]). De raad heeft op deze aanvraag nog geen beslissing genomen. Verzoekster heeft de raad in gebreke gesteld, maar zij heeft geen beroep niet tijdig ingediend bij deze rechtbank. Op zitting heeft de gemachtigde van verzoekster toegelicht dat dit een bewuste keuze is geweest. Omdat er geen beroep niet tijdig is ingediend, is er geen sprake van formele connexiteit als bedoeld onder 3. Dit betekent dat verzoekster de voorzieningenrechter ook niet kan vragen om een voorlopige voorziening te treffen. Omdat het verzoek niet voldoet aan het connexiteitsvereiste, is het daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter dit verzoek niet inhoudelijk beoordeelt.
3.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster tegen de twee besluiten waarin de aanvragen om rechtsbijstand zijn afgewezen ([nummer 2] en [nummer 3]), bezwaar heeft gemaakt. Aan het formele connexiteitsvereiste wordt voldaan en de voorzieningenrechter beoordeelt daarom deze verzoeken inhoudelijk.
Is sprake van een spoedeisend belang?
4. Uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, volgt dat als tegen een besluit bij de
bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.1.
Wil een voorlopige voorziening kunnen worden getroffen dan is dus onverwijlde spoed vereist. Er moet dus niet gewacht kunnen worden op de afhandeling van het geschil in de hoofdzaak. Hierbij valt onder andere te denken aan de onmogelijkheid om de eventuele gevolgen van de uitvoering van het besluit nog te herstellen, oftewel er dient sprake te zijn van de mogelijkheid dat een onomkeerbare situatie ontstaat.
4.2.
Over het verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot de aanvraag met nummer [nummer 3] overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verzoekster heeft een aanvraag voor rechtsbijstand ingediend in verband met een ingediende klacht tegen de advocaat van haar ex-echtgenoot. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de overgelegde stukken en de toelichting van verzoekster op zitting niet is gebleken van een dusdanig spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot de aanvraag met nummer [nummer 3] af.
4.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster bij het verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot aanvraag [nummer 2] een spoedeisend belang heeft, omdat de civiele rechter deze zaak inhoudelijk in behandeling heeft. Op 17 maart zou de zitting plaatsvinden.
Wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe?
5. Verzoekster voert aan dat zij slachtoffer is van intieme terreur door haar ex-echtgenoot. Hij intimideert en bedreigt haar en voert al een aantal jaren allerhande procedures tegen haar. De financiële middelen van verzoekster om juridische bijstand in te schakelen, raken uitgeput. Haar ex-echtgenoot komt wel in aanmerking voor gesubsidieerde bijstand en kan zodoende voortgaan met procederen. Verzoekster heeft in het verleden enkele keren, ondanks financiële draagkracht, een toevoeging gekregen om zich te kunnen verweren tegen de eindeloze procedures van de ex-echtgenoot. Haar gemachtigde krijgt op dit moment niet betaald voor zijn bijstand aan verzoekster, maar deze situatie kan niet lang meer voortduren. Verzoekster doet een beroep op het Verdrag van Istanbul met betrekking tot de toekenning van rechtsbijstand aan haar.
5.1.
De raad onderkent de ernst van de situatie van verzoekster en heeft daarom verzoekster ondanks het bestaan van financiële draagkracht, in een vijftal procedures in aanmerking gebracht voor gesubsidieerde rechtsbijstand met in achtneming van het bepaalde in artikel 29 van Pro het Verdrag van Istanbul. Daarbij heeft de raad ook een uitzondering op het eigen vaste beleid gemaakt door de gemachtigde van verzoekster toe te voegen, ondanks het feit dat hij niet staat ingeschreven bij verweerder op het rechtsterrein personen- en familierecht.
5.1.1.
De raad kende daarbij belang toe aan het feit dat de gemachtigde verzoekster al geruime tijd geheel kosteloos had bijgestaan. Het bestaan van de vertrouwensrelatie tussen verzoekster en de gemachtigde woog hierbij voor de raad mee. De raad heeft dus op twee belangrijke beoordelingscriteria uitzonderingen gemaakt, namelijk het wettelijk vastgelegde draagkrachtcriterium en de algemeen verbindende specialisatievereisten zoals vastgelegd in de Inschrijvingsvoorwaarden. De raad ziet de situatie van verzoekster als een zeer uitzonderlijke situatie waarvoor (nog) geen beleid is ontwikkeld en mogelijk ook niet zal kunnen worden, omdat het gaat om individueel maatwerk met oog voor de menselijke maat.
5.1.2.
De raad weerspreekt dat nu iedere toevoegingsaanvraag die wordt ingediend in samenhang met het geschil van verzoekster met haar ex-echtgenoot moet worden verleend. De raad zal bij elke aanvraag eerst een zorgvuldige afweging moeten maken. Over deze aanvraag merkt de raad op dat als de raad over zou gaan tot afgifte van een toevoeging met betrekking tot de aanvraag [nummer 1] verzoekster in de betreffende verzoekschriftprocedure een voorlopige voorziening kan vragen. Dit verzoek valt dan onder het bereik van die toevoeging.
5.2.
De voorzieningenrechter heeft begrip voor de situatie van verzoekster en ziet dat het tussen partijen niet in geschil is dat verzoekster slachtoffer is van intieme terreur door haar ex-echtgenoot, dat zij de financiële gevolgen van de vele procedures niet meer kan dragen en dat zij financiële ondersteuning nodig heeft. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder inmiddels vijf keer een uitzondering heeft gemaakt door aan verzoekster een toevoeging toe te kennen ondanks dat zij financieel draagkrachtig zou zijn. Dit heeft de raad gedaan op grond van het Verdrag van Istanbul. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat er door verweerder (nog) geen beleid is gemaakt hoe om te gaan met dit soort situaties en aanvragen.
5.2.1.
De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat het Verdrag van Istanbul niet met zich brengt dat in elke procedure van verzoekster een toevoeging moet worden toegekend, want dat moet de raad per keer na een zorgvuldige beoordeling bekijken. In dit geval heeft de raad argumenten aangevoerd om deze aanvraag af te wijzen. Deze argumenten kunnen in bezwaar beoordeeld worden. Het gaat de reikwijdte van de voorlopige voorzieningenprocedure te buiten om daar nu op vooruit te lopen. Daar waar de uitkomst van de bezwaarprocedure nog niet duidelijk is, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorschot op een eventuele toevoegingsverlening te verstrekken. Dat de gemachtigde van verzoekster bereid is om dat voorschot niet te laten uitbetalen, maakt dat niet anders: dat maakt eerder dat de onverwijlde spoed ter discussie komt. Om die reden wijst de voorzieningenrechter dit verzoek af.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek over aanvraag [nummer 1] niet-ontvankelijk en wijst de verzoeken over de aanvragen [nummer 2] en [nummer 3] af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het verzoek over de aanvraag [nummer 1] niet-ontvankelijk;
  • wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening over de aanvragen [nummer 2] en [nummer 3] af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.