ECLI:NL:RBGEL:2026:216

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
ARN 23/3750
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke afwijzing van verzoek om inzage in persoonsgegevens door de KMar op grond van de Wpg

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, gedateerd 13 januari 2026, wordt het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Defensie behandeld. Eiser had verzocht om inzage in en informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens door de Koninklijke Marechaussee (KMar) op basis van de Wet Politiegegevens (Wpg). De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is, omdat het besluit van de minister gebreken vertoont. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de minister binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen. De rechtbank concludeert dat de minister de gebreken niet volledig heeft hersteld en dat er geen aanleiding is om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Eiser heeft recht op inzage in zijn persoonsgegevens, en de rechtbank wijst erop dat de minister de belangen van eiser onvoldoende heeft meegewogen in zijn besluitvorming. De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van de proceskosten van eiser, die zijn vastgesteld op € 1.868, en bepaalt dat het griffierecht van € 184 aan eiser moet worden vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/3750

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. S. Sabir),
en

de minister van Defensie

(gemachtigde: mr. P. Toonders).

Samenvatting en leeswijzer

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek van eiser om inzage in en informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens door de Koninklijke Marechaussee (KMar) op grond van de Wet Politiegegevens (Wpg). Eiser is het niet eens met het besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van de minister.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het besluit van de minister op het verzoek van eiser gebreken kent. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. De minister heeft de gebreken in beroep namelijk niet volledig hersteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 en 4 staat waar deze zaak over gaat en hoe de besluitvorming tot stand is gekomen. Vervolgens beantwoordt de rechtbank onder 5 de vraag of het beroep gegrond is. Vanaf 6 beoordeelt de rechtbank of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen in stand te laten. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 11 mei 2023 heeft de minister het verzoek van eiser om inzage in en informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens door de KMar gedeeltelijk toegewezen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. [1]
2.2.
De minister heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en het besluit op 18 augustus 2023 voorzien van een nadere motivering. Ten aanzien van een deel van deze stukken en ten aanzien van de nadere motivering van 18 augustus 2023 heeft de minister op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis mag nemen. Voor wat betreft de op de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft de rechtbank gehandeld alsof de rechtbank heeft beslist dat de beperking van de kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd is. [2] Voor wat betreft de nadere motivering heeft de rechtbank bij beslissing van 26 februari 2024 bepaald dat beperking van de kennisneming hiervan gerechtvaardigd is. Eiser heeft de rechtbank toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven.
2.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met een ander beroep van eiser [3] , op
18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Totstandkoming van de besluitvorming

Het verzoek
3. Eiser heeft op 12 januari 2023 op grond van artikel 25 van de Wpg de KMar verzocht om inzage in en informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens. De aanleiding voor dit verzoek is dat eiser hinder en beperkingen ondervindt bij het reizen naar het buitenland. Hij wordt regelmatig ondervraagd voordat hem toegang wordt verleend en in Dubai en Singapore is hem de toegang geweigerd. Ook merkt eiser dat hij anders wordt bejegend nadat zijn paspoort is gescand bij een douanecontrole. Hij wil weten welke gegevens over hem zijn verwerkt, of die gegevens juist zijn verwerkt en of er een verband bestaat tussen de gegevens en de ondervonden reisbeperkingen. Op die manier is hij ook in de gelegenheid eventuele onjuistheden te laten corrigeren.
3.1.
Eiser wil inzage in de door de KMar verwerkte persoonsgegevens en informatie over:
welke persoonsgegevens van hem zijn verwerkt, dan wel opgeslagen en gedeeld;
op basis van welke grondslag die persoonsgegevens zijn opgeslagen en gedeeld;
van welke instantie(s) en welke perso(o)n(en) de verwerkte gegevens afkomstig zijn;
waarom de persoonsgegevens zijn verwerkt, opgeslagen en gedeeld;
wanneer de persoonsgegevens zijn verwerkt, opgeslagen en gedeeld;
hoe de persoonsgegevens zijn verwerkt, opgeslagen en gedeeld;
met welke andere instantie(s)/derden de persoonsgegevens zijn gedeeld;
of er tussentijds persoonsgegevens zijn verwijderd, en - zo ja - waarom, wanneer en hoe de gegevens zijn verwijderd en of alle derden op de hoogte gebracht zijn van deze verwijdering;
gedurende welke periode de persoonlijke gegevens worden opgeslagen en gedeeld;
wanneer, waarom en door wie de persoonsgegevens voor het laatst zijn geactualiseerd, en, zo ja, wat deze actualisering inhield;
of de minister heeft geconstateerd dat de verwerking van de persoonsgegevens van eiser op enig moment op enigerlei wijze onrechtmatig is geweest;
op welke wijze hij bezwaar kan maken tegen de opslag en tegen verdere verwerking van zijn persoonsgegevens.
De besluitvorming
4. Bij het bestreden besluit heeft de minister het verzoek gedeeltelijk toegewezen. De minister legt hieraan ten grondslag dat hij de ter beschikking staande systemen heeft geraadpleegd en dat daaruit is gebleken dat de persoonsgegevens van eiser, ter uitvoering van de aan de KMar toegewezen taken op grond van artikel 4, eerste lid, van de Politiewet 2012, in enkele registraties zijn verwerkt.
De eerste registratie dateert van 17 augustus 2019 en bevat, samengevat, de volgende informatie. Tijdens de inreiscontrole op Schiphol kwam eiser in contact met een beambte van de KMar. Hij vertelde dat hij op 15 augustus 2019 vanuit Amsterdam was vertrokken naar Maleisië. Tijdens een tussenstop in Singapore is hem de toegang tot geweigerd, waarna hij is teruggekeerd naar Amsterdam. Eiser was van plan om diezelfde avond nog een rechtstreekse vlucht naar Maleisië te boeken. Verder blijkt uit de registratie dat enkele eigendommen van eiser zijn onderzocht door beambten van de KMar.
De tweede registratie dateert van 18 augustus 2022 en bevat, samengevat, de volgende informatie. Tijdens de uitreiscontrole op Schiphol kwam eiser in contact met een beambte van de KMar. Uit het vliegticket van eiser bleek dat hij vanuit Amsterdam naar Maleisië zou reizen. De beambte van de KMar heeft eiser enkele vragen gesteld over de reis.
4.1.
Op 18 augustus 2023 heeft de minister, in een onder geheimhouding overgelegde reactie, gemotiveerd waarom inzage gedeeltelijk wordt geweigerd en waarom eiser geen kennis mag nemen van deze motivering.
4.2.
Bij het verweerschrift heeft de minister het bestreden besluit aangevuld en aanvullend gemotiveerd. De minister heeft toegelicht dat twee registraties in het bestreden besluit zijn samengevat en eiser gewezen op de mogelijkheid om deze twee registraties tijdens een inzagemoment gedeeltelijk in te zien. Dit betreft de gedeelten van de registraties waarop geen weigeringsgrond als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wpg van toepassing is. Verder heeft de minister toegelicht dat inzage in een achttal registraties volledig is geweigerd op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b en e, van de Wpg. De minister heeft ook toegelicht dat de belangen van eiser zijn meegewogen in het besluit en deze belangenafweging beperkt gemotiveerd. Op de zitting heeft de minister erkend dat hij in het bestreden besluit ten onrechte geen antwoord heeft gegeven op de onder 3.1 genoemde vragen en heeft hij deze antwoorden alsnog kort beantwoord.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep gegrond?
5. Tussen partijen is niet in geschil dat het bestreden besluit – gelet op wat staat vermeld onder 4.2 – een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kent. Gelet hierop is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank beoordeelt hierna of zij aanleiding ziet om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. [4]
Bestaat er aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten?
6. De rechtbank beoordeelt of de minister de gebreken heeft hersteld en het verzoek van eiser terecht gedeeltelijk heeft afgewezen.
Het beoordelingskader
7. In artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg is bepaald dat politiegegevens persoonsgegevens zijn die worden verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak. In artikel 1, aanhef en onder f, van de Wpg is bepaald dat bij de KMar de minister de verwerkingsverantwoordelijke is.
7.1.
Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wpg heeft de betrokkene het recht om op een schriftelijke verzoek uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over:
de doelen en de rechtsgrond van de verwerking;
de betrokken categorieën van politiegegevens;
de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
e voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
het recht te verzoeken om rectificatie, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende politiegegevens;
het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit;
de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens.
7.1.1.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 25 van de Wpg [5] blijkt dat mede met het oog op het recht op eerbiediging van het privéleven uit artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in de Wpg een recht op kennisneming is opgenomen. Het recht op kennisneming is echter geen absoluut recht. [6]
7.2.
In artikel 27, eerste lid van de Wpg is bepaald dat een verzoek als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wpg wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is:
ter vermijding van belemmering van de gerechtelijke onderzoeken of procedures;
ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen;
ter bescherming van de openbare veiligheid;
ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden;
ter bescherming van de nationale veiligheid.
In het tweede lid van dit artikel staat dat een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek als bedoeld in het eerste lid schriftelijk is en de redenen voor de afwijzing bevat.
7.2.1.
Uit de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wpg [7] volgt dat aan een weigering op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wpg, een belangenafweging ten grondslag moet liggen. [8]
De toepassing van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wpg
8. Eiser betoogt dat de minister de toepassing van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder b en e, van de Wpg onvoldoende heeft gemotiveerd.
8.1.
Het betoog van eiser slaagt niet voor wat betreft de acht registraties waarvan de minister inzage volledig heeft geweigerd. Na kennis te hebben genomen van de stukken en de motivering van de weigering, die beiden onder geheimhouding zijn verstrekt, is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder b en e, van de Wpg in dit geval van toepassing zijn. De minister heeft in het verweerschrift terecht volstaan met een beperkte motivering, omdat anders alsnog informatie bekend wordt die het doel van de weigering zou ondermijnen. In zoverre heeft de minister het motiveringsgebrek voldoende hersteld.
8.2.
Het betoog van eiser slaagt wel voor wat betreft de twee registraties waarin de minister inzage gedeeltelijk heeft geweigerd. De rechtbank stelt voorop dat artikel 25 van de Wpg niet verplicht niet tot het (al dan niet gelakt) afgeven van kopieën of afschriften van stukken. Dit betekent dat de minister kan volstaan met een samenvatting van de verwerkte persoonsgegevens waarbij – in het geval inzage gedeeltelijk wordt geweigerd – in zijn algemeenheid wordt aangegeven welke weigeringsgronden zich voordoen. Immers, een meer specifieke duiding van een weigeringsgrond per onderdeel vergt dat een (gelakte) kopie wordt gemaakt of een afschrift wordt verstrekt van de registraties, hetgeen de minister nu juist niet wil. De samenvatting moet dan wel worden vergezeld van een uitnodiging om de registraties fysiek in te zien. Tijdens die fysieke inzage kunnen passages waarvan inzage wordt geweigerd worden weggelakt, onder gelijktijdige vermelding van de aan de orde zijnde weigeringsgrond. Op die manier krijgt een verzoeker inzicht in de registratie en kan hij zich ervan vergewissen op welke delen van de registratie welke weigeringsgrond is toegepast. Dit is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 25 van de Wpg.
8.2.1.
In dit geval heeft de minister eiser pas kort voor de zitting, in het verweerschrift van 10 november 2025, gewezen op de mogelijkheid om de twee registraties die in het bestreden besluit zijn samengevat gedeeltelijk in te zien. Er heeft dus – buiten toedoen van eiser – geen inzagemoment plaatsgevonden. Zonder die mogelijkheid van fysieke inzage is het besluit niet volledig. Bovendien brengt het ontbreken van een fysiek inzagemoment mee dat geen gegevens in de registraties zijn gelakt, zodat niet duidelijk is geworden welke weigeringsgrond volgens de minister op welke passages van de registraties van toepassing is. Ook de rechtbank kan dit niet beoordelen. De minister heeft het motiveringsgebrek in zoverre onvoldoende hersteld. De minister moet een nieuw besluit nemen en eiser in de gelegenheid stellen om de twee registraties gedeeltelijk in te zien, waarbij hij per gelakt onderdeel kan aangeven welke weigeringsgrond is toegepast.
De belangenafweging
9. Aan een weigering om inzage te verlenen moet een belangenafweging ten grondslag liggen. Uit het bestreden besluit blijkt niet duidelijk dat en hoe de belangen van eiser zijn meegewogen. Daarmee is sprake van een gebrek. In het verweerschrift heeft de minister toegelicht dat de belangen van eiser zijn meegewogen en heeft hij deze belangenafweging beperkt gemotiveerd. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat hij de motivering van deze belangenafweging voldoende vindt. De rechtbank zal dit punt dan ook niet (verder) bespreken.
Het antwoord op de vraag of persoonsgegevens zijn gedeeld met andere instanties/derden
10. Zoals ook staat vermeld onder 4.2, heeft de minister op de zitting erkend dat hij in het bestreden besluit ten onrechte de onder 3.1 genoemde vragen niet heeft beantwoord. Op de zitting heeft de minister dit ten aanzien van (een aantal van) die vragen alsnog gedaan. Op de vraag of persoonsgegevens zijn gedeeld met andere instanties/derden heeft de minister geantwoord dat hij uit de mutaties niet kan opmaken of de gegevens van eiser zijn gedeeld. Als dit wel het geval zou zijn, zou hij het antwoord op deze vraag weigeren omdat sprake is van één of meerdere weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wpg. De rechtbank is met eiser van oordeel dat dit antwoord onvoldoende is. Pas als is vastgesteld dat de persoonsgegevens van eiser zijn gedeeld met derden, komt de vraag aan de orde of die informatie kan worden gedeeld en zo niet, waarom dat niet kan. Het op voorhand afwijzen van een verzoek om informatie, zonder dat duidelijk is of die informatie er is en wat die inhoudt, kan niet worden aanvaard. Het gebrek in het bestreden besluit is niet hersteld. De minister moet in het nieuw te nemen besluit deze vraag gemotiveerd beantwoorden. Als de minister geen antwoord wenst te geven deze vraag, omdat sprake is van één of meerdere weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wpg, moet hij dit in het besluit beperkt motiveren. Bij een eventuele nieuwe beroepsprocedure moet de minister onder geheimhouding een aanvullende motivering aan de rechtbank verstrekken.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kent. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
11.1.
Gelet op wat is overwogen onder 8 en 10 is de rechtbank van oordeel dat de minister de gebreken niet volledig heeft hersteld. Er is daarom geen aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven.
11.2.
De rechtbank bepaalt dat de minister opnieuw moet beslissen op het verzoek van eiser met inachtneming van deze uitspraak. [9] De rechtbank geeft de minister daarvoor acht weken.
11.3.
Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. De minister moet ook het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit van 11 mei 2023;
 draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
 veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868;
 bepaalt dat de minister het griffierecht van € 184 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uit de Regeling rechtstreeks beroep (Bijlage 1 bij de Algemene wet bestuursrecht) volgt dat tegen een besluit genomen op grond van artikel 25 van de Wpg geen bezwaar kan worden gemaakt en dat rechtstreeks beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank.
2.Dit volgt uit artikel 2.8, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021.
3.Zaaknummer ARN 23/1478.
4.Dit is mogelijk op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.
5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 327, nr. 3, p. 83.
6.Zie ook ABRvS 3 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1735) en ABRvS 6 oktober 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2234).
7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, 34 889, nr. 3, p. 80.
8.Zie ook ABRvS 3 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1735) en ABRvS 2 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3139).
9.De rechtbank past artikel 8:72, vierde lid, van de Awb toe.