ECLI:NL:RBGEL:2026:215

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
ARN 23/1478
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke afwijzing van verzoek om inzage in persoonsgegevens door de korpschef op grond van de Wet Politiegegevens

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, gedateerd 13 januari 2026, wordt het beroep van eiser tegen de korpschef van politie beoordeeld. Eiser had verzocht om inzage in en informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens op grond van de Wet Politiegegevens (Wpg). De rechtbank oordeelt dat het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 26 januari 2023, niet-ontvankelijk is. Dit besluit is ingetrokken door de korpschef, die op 24 april 2023 en 6 juni 2024 nieuwe besluiten heeft genomen. De rechtbank verklaart het beroep tegen deze besluiten gegrond, omdat deze besluiten een motiveringsgebrek vertonen. De rechtbank vernietigt de besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024, omdat de korpschef niet voldoende heeft gemotiveerd waarom de gevraagde informatie niet kon worden verstrekt. Eiser had hinder ondervonden bij het reizen naar het buitenland en wilde weten welke persoonsgegevens over hem waren verwerkt. De rechtbank geeft de korpschef acht weken de tijd om een nieuw besluit te nemen, waarin de belangen van eiser beter worden meegewogen. Tevens wordt de korpschef veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868, en moet het griffierecht van € 184 worden vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/1478

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. S. Sabir),
en

de korpschef van politie

(gemachtigden: A. Krommendijk en P. Pasteuning).

Samenvatting en leeswijzer

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek van eiser om inzage in en informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens door de korpschef op grond van de Wet Politiegegevens (Wpg). Eiser is het niet eens met deze gedeeltelijke afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 26 januari 2023, niet-ontvankelijk is. Het beroep, voor zover gericht tegen de besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024, is gegrond, omdat deze besluiten op het verzoek van eiser een motiveringsgebrek kennen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten. De korpschef heeft het motiveringsgebrek in beroep namelijk niet volledig hersteld. Ook heeft de korpschef geen duidelijkheid gegeven over de – door eiser gemotiveerd betwiste – juistheid van de in het besluit van 24 april 2023 verstrekte informatie dat geen persoonsgegevens van eiser zijn gedeeld met andere instanties/derden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 en 4 staat waar deze zaak over gaat en hoe de besluitvorming tot stand is gekomen. Vervolgens beoordeelt de rechtbank onder 5 het beroep tegen het besluit van 26 januari 2023. Vanaf 6 beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024. De rechtbank beantwoordt eerst de vraag of het beroep gegrond is en beoordeelt vervolgens of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen in stand te laten. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het besluit van 26 januari 2023 heeft de politiechef van de landelijke eenheid, namens de korpschef, het verzoek van eiser om inzage in en informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens afgewezen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. [1]
2.2.
Op 24 april 2023 heeft de politiechef van de eenheid Oost-Nederland, namens de korpschef, een nieuw besluit genomen. Met dit besluit heeft de korpschef het verzoek van eiser gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. Vervolgens heeft de korpschef op 26 mei 2023 het besluit van 26 januari 2023 ingetrokken.
2.3.
De korpschef heeft op 21 maart 2024 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Op 6 juni 2024 heeft de korpschef een aanvullend besluit genomen.
2.5.
De korpschef heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. De stukken staan gedeeltelijk op een usb-stick. Verder heeft de korpschef op 15 april 2025 een schriftelijk stuk (een nadere motivering) overgelegd. Ten aanzien van de stukken op de usb-stick – waarvan inzage aan eiser (gedeeltelijk) is geweigerd – en de nadere motivering heeft de korpschef op grond van artikel 8:29 van de Awb meegedeeld dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis mag nemen. Eiser heeft de rechtbank toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven.
2.6.
Op 3 november 2025 heeft de korpschef een aanvullend verweerschrift ingediend.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met een ander beroep van eiser [2] , op
18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de korpschef.

Totstandkoming van de besluitvorming

Het verzoek
3. Eiser heeft op 12 januari 2023 op grond van artikel 25 van de Wpg de korpschef verzocht om inzage in en informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens. De aanleiding voor dit verzoek is dat eiser hinder en beperkingen ondervindt bij het reizen naar het buitenland. Hij wordt regelmatig ondervraagd voordat hem toegang wordt verleend en in Dubai en Singapore is hem de toegang geweigerd. Ook merkt eiser dat hij anders wordt bejegend nadat zijn paspoort is gescand bij een douanecontrole. Hij wil weten welke gegevens over hem zijn verwerkt, of die gegevens juist zijn verwerkt en of er een verband bestaat tussen de gegevens en de ondervonden reisbeperkingen. Op die manier is hij ook in de gelegenheid eventuele onjuistheden te laten corrigeren.
3.1.
Eiser wil inzage in de door de korpschef verwerkte persoonsgegevens en informatie over:
welke persoonsgegevens van hem zijn verwerkt, dan wel opgeslagen en gedeeld;
op basis van welke grondslag die persoonsgegevens zijn opgeslagen en gedeeld;
van welke instantie(s) en welke perso(o)n(en) de verwerkte gegevens afkomstig zijn;
waarom de persoonsgegevens zijn verwerkt, opgeslagen en gedeeld;
wanneer de persoonsgegevens zijn verwerkt, opgeslagen en gedeeld;
hoe de persoonsgegevens zijn verwerkt, opgeslagen en gedeeld;
met welke andere instantie(s)/derden de persoonsgegevens zijn gedeeld;
of er tussentijds persoonsgegevens zijn verwijderd, en - zo ja - waarom, wanneer en hoe de gegevens zijn verwijderd en of alle derden op de hoogte gebracht zijn van deze verwijdering;
gedurende welke periode de persoonlijke gegevens worden opgeslagen en gedeeld;
wanneer, waarom en door wie de persoonsgegevens voor het laatst zijn geactualiseerd, en, zo ja, wat deze actualisering inhield;
of de korpschef heeft geconstateerd dat de verwerking van de persoonsgegevens van eiser op enig moment op enigerlei wijze onrechtmatig is geweest;
op welke wijze hij bezwaar kan maken tegen de opslag en verdere verwerking van zijn persoonsgegevens.
De besluitvorming
4. Met het – inmiddels – ingetrokken besluit van 26 januari 2023 heeft de korpschef het verzoek van eiser afgewezen.
4.1.
Met het besluit van 24 april 2023 heeft de korpschef het verzoek gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. De korpschef heeft inzage in een deel van de verwerkte gegevens van eiser geweigerd op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, d en e, van de Wpg. Verder heeft de korpschef de onder 3.1 gevraagde informatie verstrekt. Op de onder 3.1 onder 7 genoemde vraag heeft de korpschef geantwoord dat geen gegevens van eiser met andere instanties/derden zijn gedeeld. Voor wat betreft het toegewezen deel van het verzoek heeft de korpschef eiser in de gelegenheid gesteld om zijn gegevens in te zien. Eiser heeft op 12 juni 2023 van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
4.2.
Met het aanvullende besluit van 6 juni 2024 heeft de korpschef op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wpg geweigerd om eiser informatie te verstrekken over een mogelijke signalering in het SIS-II [3] .
4.3.
Op 15 april 2025 heeft de korpschef, in een onder geheimhouding overgelegde reactie, aanvullend gemotiveerd waarom inzage gedeeltelijk wordt geweigerd en waarom eiser geen kennis mag nemen van deze motivering.
4.4.
Bij het verweerschrift van 3 november 2025 heeft de korpschef de besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024 aanvullend gemotiveerd.

De beoordeling van het beroep tegen het besluit van 26 januari 2023

5. De korpschef heeft het besluit van 26 januari 2023 ingetrokken en op 24 april 2023 en 6 juni 2024 opnieuw beslist op het verzoek van eiser. Het beroep van eiser heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op deze besluiten. Niet gesteld of gebleken is dat eiser nog een belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 26 januari 2023. Het beroep, voor zover gericht tegen dit besluit, is daarom niet-ontvankelijk.
De beoordeling van het beroep tegen de besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024
Is het beroep gegrond?
6. De rechtbank stelt vast dat de korpschef het besluit van 24 april 2023 heeft aangevuld met het besluit van 6 juni 2024. Hieruit volgt dat het besluit van 24 april 2023 niet volledig was en dus een gebrek kent.
6.1.
Vervolgens stelt de rechtbank vast dat de korpschef de besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024 aanvullend heeft gemotiveerd in het verweerschrift van 3 november 2025 en nader heeft toegelicht op de zitting
.Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de motivering in de bestreden besluiten onvoldoende was. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek in de besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024.
6.2.
Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover gericht tegen de besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024, gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank beoordeelt hierna of zij aanleiding ziet om te bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven. [4]
Bestaat er aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten?
7. De rechtbank beoordeelt of de korpschef het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld en het inzage- en informatieverzoek van eiser terecht gedeeltelijk heeft afgewezen.
Het beoordelingskader
8. In artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg is bepaald dat politiegegevens persoonsgegevens zijn die worden verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak. In artikel 1, aanhef en onder f, van de Wpg is bepaald dat bij de politie de korpschef de verwerkingsverantwoordelijke is.
8.1.
Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wpg heeft de betrokkene het recht om op een schriftelijk verzoek uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over:
de doelen en de rechtsgrond van de verwerking;
de betrokken categorieën van politiegegevens;
de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
e voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
het recht te verzoeken om rectificatie, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende politiegegevens;
het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit;
de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens.
8.1.1.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 25 van de Wpg [5] blijkt dat mede met het oog op het recht op eerbiediging van het privéleven uit artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in de Wpg een recht op kennisneming is opgenomen. Het recht op kennisneming is echter geen absoluut recht. [6]
8.2.
In artikel 27, eerste lid van de Wpg is bepaald dat een verzoek als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wpg wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is:
ter vermijding van belemmering van de gerechtelijke onderzoeken of procedures;
ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen;
ter bescherming van de openbare veiligheid;
ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden;
ter bescherming van de nationale veiligheid.
In het tweede lid van dit artikel staat dat een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek als bedoeld in het eerste lid schriftelijk is en de redenen voor de afwijzing bevat.
8.2.1.
Uit de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wpg [7] volgt dat aan een weigering op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wpg, een belangenafweging ten grondslag moet liggen. [8]
De toepassing van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wpg
9. Eiser betoogt dat de korpschef de toepassing van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder b en e, van de Wpg onvoldoende heeft gemotiveerd. De motivering bestaat slechts uit algemene overwegingen en wordt niet toegespitst op de situatie van eiser. Volgens eiser moet per weigeringsgrond worden gemotiveerd waarom deze in het geval van eiser van toepassing is.
9.1.
Het betoog van eiser slaagt niet. De rechtbank overweegt in dit verband dat artikel 25 van de Wpg niet verplicht tot het (al dan niet gelakt) afgeven van kopieën of afschriften van stukken. Dit betekent dat de korpschef kan volstaan met een overzicht van de verwerkte persoonsgegevens waarbij – in het geval inzage gedeeltelijk wordt geweigerd – in zijn algemeenheid wordt aangegeven welke weigeringsgronden zich voordoen. Immers, een meer specifieke duiding van een weigeringsgrond per onderdeel vergt dat een (gelakte) kopie wordt gemaakt of een afschrift wordt verstrekt van de registraties, hetgeen de korpschef nu juist niet wil. Het verstrekte overzicht moet dan wel worden vergezeld van een uitnodiging om de registraties fysiek in te zien. Tijdens die fysieke inzage kunnen passages waarvan inzage wordt geweigerd worden weggelakt, onder gelijktijdige vermelding van de aan de orde zijnde weigeringsgrond. Op die manier krijgt een verzoeker inzicht in de registratie en kan hij zich vergewissen op welke delen van de registratie welke weigeringsgrond is toegepast. Dit is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 25 van de Wpg. In dit geval heeft de korpschef eiser in de gelegenheid gesteld de registraties waarvan inzage deels is ingewilligd fysiek in te zien. Eiser heeft ook van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
9.2.
Na kennis te hebben genomen van de stukken en de motivering die onder geheimhouding zijn verstrekt, is de rechtbank van oordeel dat de korpschef voldoende heeft gemotiveerd waarom de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder b en e, van de Wpg in dit geval van toepassing zijn. De korpschef heeft in de bestreden besluiten en het verweerschrift van 3 november 2025 terecht volstaan met een beperkte motivering, omdat anders alsnog informatie bekend wordt die het doel van de weigering zou ondermijnen. In zoverre heeft de korpschef het motiveringsgebrek voldoende hersteld.
9.3.
Ten overvloede stelt de rechtbank vast dat in dit geval in het besluit van 24 april 2023 niet staat vermeld dat het inzagemoment onderdeel uitmaakt van dat besluit en dat het bij het besluit verstrekte overzicht van documenten niet volledig is. Dit maakt de besluitvorming onduidelijk. De rechtbank geeft de korpschef mee dat het de duidelijkheid van de besluitvorming ten goede komt als hij in het besluit op een inzageverzoek expliciet aangeeft dat het inzagemoment onderdeel uitmaakt van dat besluit en dat, áls hij overzichten verstrekt van documenten waarin al dan niet inzage wordt verleend, deze volledig zijn.
De belangenafweging
10. Eiser betoogt dat de korpschef een onvoldoende kenbare belangenafweging heeft gemaakt. Volgens eiser is de gedeeltelijke weigering, gelet op zijn zeer grote belangen bij het verkrijgen van informatie, in strijd met fundamentele rechten van het EVRM.
10.1.
De rechtbank is met eiser eens dat aan een weigering om inzage te verlenen een belangenafweging ten grondslag moet liggen. Uit de bestreden besluiten blijkt niet duidelijk dat en hoe de belangen van eiser zijn meegewogen. Daarmee is sprake van een gebrek. In het verweerschrift van 3 november 2025 heeft de korpschef toegelicht dat de belangen van eiser zijn meegewogen en heeft hij deze belangenafweging beperkt gemotiveerd. Een uitgebreidere motivering is volgens de korpschef niet mogelijk omdat dan alsnog informatie bekend wordt die het doel van de weigering zou ondermijnen.
10.2.
De rechtbank overweegt dat de korpschef onder omstandigheden in zijn besluit kan volstaan met een beperkt kenbare motivering van de belangenafweging, mits de rechtbank in staat wordt gesteld om, onder geheimhouding, kennis te nemen van de volledige motivering. De korpschef heeft in dit geval de volledige motivering niet onder geheimhouding aan de rechtbank overgelegd. Daarmee is ook voor de rechtbank niet inzichtelijk waarom de korpschef de belangen om het opsporingsonderzoek en de nationale veiligheid te beschermen in dit geval zwaarder heeft laten wegen dan de belangen van eiser om inzage te krijgen in de betreffende politiegegevens. De korpschef heeft het motiveringsgebrek dus niet hersteld. Daarom moet hij een nieuw besluit nemen, waarin hij kenbaar maakt dat en hoe hij de belangen van eiser meeweegt. Zoals volgt uit wat hiervoor is overwogen, kan de korpschef in dat besluit volstaan met een beperkte motivering mits hij, bij een eventuele nieuwe beroepsprocedure, onder geheimhouding een aanvullende motivering aan de rechtbank verstrekt.
Het antwoord op de vraag of persoonsgegevens zijn gedeeld met andere instanties/derden
11. Eiser betoogt dat de korpschef een onjuist antwoord heeft gegeven op de vraag of persoonsgegevens van eiser zijn gedeeld met andere instanties/derden. De korpschef heeft namelijk geantwoord dat dit niet het geval is. Uit door de NCTV [9] aan eiser verstrekte informatie blijkt echter dat de korpschef een e-mail aan de NCTV heeft verstuurd waarin persoonsgegevens van eiser staan vermeld.
11.1.
De korpschef heeft op de zitting geen informatie over deze e-mail kunnen verstrekken, anders dan dat inzage in deze e-mail mogelijk is geweigerd met toepassing van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wpg. De rechtbank heeft in de geheime stukken geen e-mail van de korpschef aan de NCTV aangetroffen en kan dit dus niet controleren. Bovendien zou in dat geval het antwoord op de vraag of persoonsgegevens van eiser zijn gedeeld niet ontkennend mogen worden beantwoord, zoals nu is gedaan. Uit het voorgaande volgt dat eiser niet alleen aannemelijk heeft gemaakt dat mogelijk meer persoonsgegevens van hem zijn verwerkt dan uit de besluiten volgt, maar dat zijn gegevens mogelijk ook met derden zijn gedeeld. Dit betekent dat twijfel bestaat over de juistheid van het antwoord op de onder 3.1 onder 7 genoemde vraag. De korpschef zal in het nieuw te nemen besluit deze vraag opnieuw moeten beantwoorden. Als het antwoord blijft dat geen gegevens zijn gedeeld, moet de korpschef de uitgevoerde zoekslag toelichten. Als de korpschef geen antwoord wenst te geven op de vraag, dan wel geen inzage wenst te verlenen in de e-mail, omdat sprake is van één of meerdere weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wpg, moet hij dit in het besluit motiveren. Als de korpschef meent dat die motivering naar zijn aard beperkt moet zijn, zal hij bij een eventuele nieuwe beroepsprocedure onder geheimhouding een aanvullende motivering aan de rechtbank moeten verstrekken.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 26 januari 2023, is niet-ontvankelijk. Het beroep, voor zover gericht tegen de besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024 is gegrond, omdat deze besluiten een motiveringsgebrek kennen. De rechtbank vernietigt daarom deze besluiten wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.
12.1.
Gelet op wat is overwogen onder 10 en 11 is de rechtbank van oordeel dat de korpschef het motiveringsgebrek voor wat betreft de belangenafweging niet heeft hersteld en geen duidelijkheid heeft gegeven over de juistheid van de in het besluit van 24 april 2023 verstrekte informatie dat geen persoonsgegevens van eiser zijn gedeeld met andere instanties/derden. Er is daarom geen aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten van 23 april 2023 en 6 juni 2024 in stand kunnen blijven.
12.2.
De rechtbank bepaalt dat de korpschef opnieuw moet beslissen op het verzoek van eiser met inachtneming van deze uitspraak. [10] De rechtbank geeft de korpschef daarvoor acht weken.
12.3.
Omdat het beroep, voor zover gericht tegen de besluiten van 24 april 2023 en
6 juni 2024, gegrond is, bestaat aanleiding om de korpschef te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. De korpschef moet ook het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 26 januari 2023, niet-ontvankelijk;
 verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024, gegrond;
 vernietigt de bestreden besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024;
 draagt de korpschef op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
 veroordeelt de korpschef in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868;
 bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 184 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uit de Regeling rechtstreeks beroep (Bijlage 1 bij de Algemene wet bestuursrecht) volgt dat tegen een besluit genomen op grond van artikel 25 van de Wpg geen bezwaar kan worden gemaakt en dat rechtstreeks beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank.
2.Zaaknummer ARN 23/3750.
3.Het Schengen Informatiesysteem.
4.Dit is mogelijk op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.
5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 327, nr. 3, p. 83.
6.Zie ook ABRvS 3 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1735) en ABRvS 6 oktober 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2234).
7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, 34 889, nr. 3, p. 80.
8.Zie ook ABRvS 3 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1735) en ABRvS 2 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3139).
9.Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid.
10.De rechtbank past artikel 8:72, vierde lid, van de Awb toe.